Breyten Breytenbach, Frans Kusters, James Alan McPherson, Michael Nava, Justin Haythe, Hans Arp

De Zuid-Afrikaanse schrijver en dichter Breyten Breytenbach werd geboren op 16 september 1936 in Bonnievale. Zie ook mijn blog van 16 september 2010 en eveneens alle tags voor Breyten Breytenbach op dit blog.

ode aan taal

vogelen

ik wil je openvouwen als een vleugel
kijken hoe sterk de penneveren nog vloeien
de leefrimpels van je hart
van mond naar hand voelen popelen
zien hoe je als een schip
het vaarwater laat bloeien
met de vlucht van de zon

voor je als een schaduw uit de mouw
weer aan je nachtwerk begint:
schaduw in de tuimelende ruimtezerk
van steen

 

het laatste gedicht

het laatste gedicht is dat
met het minste gewicht
want het is een weg en een weggaan
                                                  in beweging
en belichaamd in vervlieding
het uiteindelijk bekende gezicht
van anonimiteit                            van een leven
in verleefde beweging

het laatste gedicht paart niet
het heeft geen afsluiting met punt
of vraagteken
want de slotregel is slechts een sluis
is altijd een optie
op het opzeggen voor altijd
het opengaan van de passage
naar opgaan in beweegzingen

het laatste gedicht is het zichtbaar
maken van het overgaan
van dansende tekens naar de bevrijding
                                                 van onzichtbaarheid

 

land van genade en verdriet

I
tussen jou en mij
hoe verschrikkelijk
hoe wanhopig
hoe vernietigend breekt het tussen jou en mij

zoveel verwonding in ruil voor waarheid
zoveel verwoesting
zo weinig is overgebleven om voor te overleven

waar gaan we heen van hier?

je stem slingert
woedend
langs de kil snerpende zweep van mijn verleden

hoe lang duurt het?
hoe lang voor een stem
een ander bereikt

in dit land dat zo bloedend tussen ons ligt

 
Breyten Breytenbach (Bonnievale, 16 september 1936)

Doorgaan met het lezen van “Breyten Breytenbach, Frans Kusters, James Alan McPherson, Michael Nava, Justin Haythe, Hans Arp”

Alfred Schaffer

De Nederlandse dichter Alfred Schaffer werd geboren in Leidschendam op 16 september 1973 als zoon van een Arubaanse moeder en een Nederlandse vader. Schaffer studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde en Film- en Theaterwetenschappen alvorens in 1996 naar Zuid-Afrika te vertrekken, waar hij als docent verbonden was aan de Universiteit van Kaapstad. Tussen 2007 en 2010 was hij fondsredacteur van De Bezige Bij. In 2011 vertrok hij opnieuw naar Zuid-Afrika, waar hij als docent verbonden is aan de Universiteit van Stellenbosch. Hij debuteerde in 2000 met de dichtbundel “Zijn opkomst in de voorstad”, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de eerste Jo Peters Poëzieprijs. Zijn tweede bundel, “Dwaalgasten” uit werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In 2003 verscheen de bibliofiele bundel “Definities en hallucinaties”. In het voorjaar van 2004 verscheen zijn eerste bundel bij De Bezige Bij, “Geen hand voor ogen”, die opnieuw werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Eind 2006 verscheen “Schuim”, die door een groep beroepslegers en critici werd verkoren tot de beste poëziebundel van dat jaar en werd bekroond met de de Hugues C. Pernathprijs. In 2008 verscheen “Kooi”, wederom genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Tevens werd deze bundel bekroond met de Jan-Campertprijs en de Ida Gerhardt Poëzieprijs. Zie ook alle tags voor Alfred Schaffer op dit blog.

Prooi

Ik heb de ruitenwissers aan mijn bruine huid is bruin
van alle zomerdagen. Dorpjes kraters reservaten
alles schuift voorbij, het is alsof ik door een tunnel jaag
met nat cement en aan het einde het beroemd licht
en heldere geluiden. Alleen er is geen tunnel, ik kan het
niet beschrijven. Mij rest ook weinig tijd ik doe alsof ik weet
van niets tot ik verstijf, maar dan is het natuurlijk al te laat –
een plank van vlees ik ril bij de gedachte, precies een rat
mijn staart een vette worm en daar een kater op de loer
vlak op de grens van mijn verstandelijk vermogen.
Kom tevoorschijn roept het beest ik zie je wel. Op dit punt
schrok ik vroeger wakker badend in het zweet, nu kan ik
erom lachen, ik gil het uit van pret alsof ik eeuwig
met vakantie was, zo zit ik hier te gillen.

 

En dan stopt het

De afgelopen dagen denk ik meer en meer
aan het eiland van mijn moeder
en het huis van haar vader,
het had blauwe buitenmuren en geen deuren,
zoals de meeste huizen aan de baai.

De zee,
het blauwe huis op het strand,
de boom in de keuken die men uit bijgeloof
niet had willen omkappen, er was zelfs
een gat gemaakt in het dak –
alles komt steeds meer op hetzelfde neer:

daar staat mijn vader,
maar nu zonder zijn vrouw of zijn schoonvader,
de enige blanke man in zee
en hij kan niet zwemmen.
Voetje voor voetje stapt hij, zonnebril op,
met een brede grijns door het ondiepe water.

Deze domme dagen zoek
of bedenk ik maar wat bij elkaar, met stomheid
geslagen.
Zo voorbeeldig, en dan stopt het.

 

 
Alfred Schaffer (Leidschendam, 16 september 1973)