Siegfried Sassoon, Clemens Brentano, Wilhelm Raabe, Eduard Mörike, Perikles Monioudis

De Engelse dichter Siegfried Sassoon werd geboren op 8 september 1886 in Brenchley, Kent. Zie ook mijn blog van 8 september 2010 en eveneens alle tags voor Siegfried Sassoon op dit blog.

Battalion-Relief

‘FALL in! Now get a move on.’ (Curse the rain.)
We splash away along the straggling village,
Out to the flat rich country, green with June…
And sunset flares across wet crops and tillage,
Blazing with splendour-patches. (Harvest soon,
Up in the Line.) ‘Perhaps the War’ll be done
‘By Christmas-Day. Keep smiling then, old son.’

Here’s the Canal: it’s dusk; we cross the bridge.
‘Lead on there, by platoons.’ (The Line’s a-glare
With shell-fire through the poplars; distant rattle
Of rifles and machine-guns.) ‘Fritz is there!
‘Christ, ain’t it lively, Sergeant? Is’t a battle?’
More rain: the lightning blinks, and thunder rumbles.
‘There’s over-head artillery!’ some chap grumbles.

What’s all this mob at the cross-roads? Where are the guides?…
‘Lead on with number One.’ And off they go.
‘Three minute intervals.’ (Poor blundering files,
Sweating and blindly burdened; who’s to know
If death will catch them in those two dark miles?)
More rain. ‘Lead on, Head-quarters.’ (That’s the lot.)
‘Who’s that?… Oh, Sergeant-Major, don’t get shot!
‘And tell me, have we won this war or not?’

 

Before the Battle

Music of whispering trees
Hushed by a broad-winged breeze
Where shaken water gleams;
And evening radiance falling
With reedy bird-notes calling.
O bear me safe through dark, you low-voiced streams.

I have no need to pray
That fear may pass away;
I scorn the growl and rumble of the fight
That summons me from cool
Silence of marsh and pool
And yellow lilies is landed in light
O river of stars and shadows, lead me through the night.

 

How to Die

Dark clouds are smouldering into red
While down the craters morning burns.
The dying soldier shifts his head
To watch the glory that returns;
He lifts his fingers toward the skies
Where holy brightness breaks in flame;
Radiance reflected in his eyes,
And on his lips a whispered name.

You’d think, to hear some people talk,
That lads go West with sobs and curses,
And sullen faces white as chalk,
Hankering for wreaths and tombs and hearses.
But they’ve been taught the way to do it
Like Christian soldiers; not with haste
And shuddering groans; but passing through it
With due regard for decent taste.

 
Siegfried Sassoon (8 september 1886 – 1 september 1967)

Doorgaan met het lezen van “Siegfried Sassoon, Clemens Brentano, Wilhelm Raabe, Eduard Mörike, Perikles Monioudis”

Anthonie Donker

De Nederlandse dichter, letterkundige, schrijver, essayist en literair vertaler Anthonie Donker (Nicolaas Anthonie Donkersloot ) werd geboren in Rotterdam op 8 september 1902. Donker debuteerde als dichter in De Vrije Bladen in de jaren twintig. In 1929 won hij voor zijn dichtbundel “Kruistochten” de Domprijs voor poëzie van de jury die bestond uit J.C. Bloem, Hendrik Marsman en Marnix Gijsen. In datzelfde jaar won hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde voor zijn dichtbundel “Grenzen”. Hij studeerde Nederlands aan zowel de Universiteit van Amsterdam als aan de Rijksuniversiteit Leiden en werd tijdens zijn studie ziek waardoor hij meermalen voor tbc moest kuren in Zwitserland. Hier schreef hij later de roman “Schaduw der Bergen” over uit 1935. Na zijn studie zou hij ook zes jaar werken als leraar Nederlands in Zwitserland. In 1929 promoveerde Donkersloot en in 1936 werd hij benoemd tot hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens de oorlogsjaren was hij betrokken bij verzetsactiviteiten en werd door de Duitse bezetter ontslagen als hoogleraar en gearresteerd. Hij werd opgesloten in de gevangenis van Scheveningen (Oranjehotel) en zou na de oorlog een tekst schrijven voor een plaquette ter nagedachtenis aan de geëxecuteerden op de Waalsdorpervlakte. Eind 1945 kwam hij namens de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) in de eerste naoorlogse zitting van de Eerste Kamer terecht. Na zijn overstap begin 1946 naar de nieuw opgerichte Partij van de Arbeid zat hij voor deze partij in de Kamer. In 1949 verliet hij de Kamer omdat hij zich niet kon vinden in de Tweede Politionele Actie in het toenmalige Nederlands-Indië (het latere Indonesië); ook zegde hij zijn partijlidmaatschap op.In 1957 werd Donkersloot lid van de Pacifistisch Socialistische Partij. Voor de oorlog was Donkersloot oprichter van het literaire tijdschrift “Critisch Bulletin” waar hij tot het verschijningsverbod tijdens de Duitse bezetting in 1941 voor zou schrijven en redigeren. Ook was hij van 1937 tot 1940 redacteur van De Stem. In 1946 kon “Critisch Bulletin” weer verschijnen en was hij nog twee jaar redacteur ervan alsmede van De Nieuwe Stem. Hij nam tevens deel aan vele andere georganiseerde literaire organisaties. Als vertaler werd Donkersloot bekend door zijn vertaalde werk van onder meer Coleridge, Goethe en Feuchtwanger. Ook vertaalde hij een sprookjesbewerking van Robert Browning van het verhaal De rattenvanger van Hamelen, die werd uitgegeven in 1930 met kleurplaten van Rie Cramer.

 

Achterbalcon

Het menselijk gelaat – hoe droef mistekend,
Des morgens in de tram grauw van de nacht,
Des avonds in de tram grauw afgejacht
Van al waar men zich deerlijk in verrekent.

Retour kantoor, kliniek en magazijn
Tobt elk van wat er kan tegenvallen.
Zie in de mondhoek, onder de oogwallen
Onverwisselbaar de paraaf der pijn.

Hoe als nu plotseling de bazuinen schallen,
Het hemellicht hoog neerstraalt over allen?
Verhoord gebed, gevonden wat gij zocht!

Doch God is zuinig op zijn wonderwerken,
En vreest dat zij het zelfs niet zouden merken,
Tegen elkander schuddend in de bocht.

 

Het duinpad

Achter   onherstelbre puinhoopen
van een dichtgestort bestaan
moet een weg naar het duin nog  open
liggen niet ver hiervandaan.

Maar alzijds met getrokken wapen
staan mij vijanden in den weg.
Laat  mij  gaan,  ik weet  heg noch steg,
in het duiniand wil ik gaan slapen.

Ik boek met mijn vage lantaren
hetduinpad, laat mij met vrêe,
een stil pad waar het hart bedaren,,
en de ruimte, de verte, de zee .-

 

Kinderspel
 
Een ijle schemering omringt mijn stoel,
Een stilte waarin klokgetik verzandt.
Alles wordt loodgrijs, en onzeker voel
Ik aan het voorhoofd nog mijn verre hand.
 
– Spelende in het warme, diepe bed
Heb ik de dekens over mij gespannen:
Een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred –
 
Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
Werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
 
De droomen houden zelden overhand.
En hiervan is alleen overgebleven
Een schuw herinn’ren bijna ongedeerd.

 

 
Anthonie Donker (8 september 1902 – 26 december 1965)