Etgar Keret, Maren Winter, Arno Surminski, Edgar Guest, Charles de Coster, Tarjei Vesaas, Salvatore Quasimodo, Colin MacInnes

De Israëlische schrijver Etgar Keret werd geboren op 20 augustus 1967 in Ramat Gan. Zie ook alle tags voor Etgar Keret op dit blog.

Uit: Crazy Glue

“She said, ‘Don’t touch that.’
‘What is it?’ I asked.
‘It’s glue,’ she said. ‘Special glue. The best kind.’
‘What did you buy it for?’
‘Because I need it,’ she said. ‘A lot of things around here need gluing.’
‘Nothing around here needs gluing,’ I said. ‘I wish I understood why you buy all this stuff.’
‘For the same reason I married you,’ she murmured. ‘To help pass the time.’
I didn’t want to fight, so I kept quiet, and so did she.
‘Is it any good, this glue?’ I asked. She showed me the picture on the box, with this guy hanging upside-down from the ceiling.
‘No glue can really make a person stick like that,’ I said. ‘They just took the picture upside-down. They must have put a lamp on the floor.’ I took the box from her and peered at it. ‘And there, look at the window. They didn’t even bother to hang the blinds the other way. They’re upside down, if he’s really standing on the ceiling.
Look,’ I said again, pointing to the window. She didn’t look.
‘It’s eight already,’ I said. ‘I’ve got to run.’ I picked up my briefcase and kissed her on the cheek. ‘I’ll be back pretty late. I’m working—’
‘Overtime,’ she said. ‘Yes, I know.’
I called Abby from the office.
‘I can’t make it today,’ I said. ‘I’ve got to get home early.’
‘Why?’ Abby asked. ‘Something happen?’
‘No … I mean, maybe. I think she suspects something.’
There was a long silence. I could hear Abby’s breathing on the other end.
‘I don’t see why you stay with her,’ she whispered. ‘You never do anything together. You don’t even fight. I’ll never understand it.’
There was a pause, and then she repeated, ‘I wish I understood.’
She was crying.“

 
Etgar Keret (Ramat Gan, 20 augustus 1967)

Doorgaan met het lezen van “Etgar Keret, Maren Winter, Arno Surminski, Edgar Guest, Charles de Coster, Tarjei Vesaas, Salvatore Quasimodo, Colin MacInnes”

Anneke Brassinga

De Nederlandse dichteres, schrijfster en vertaalster Anneke Brassinga werd geboren in Schaarsbergen op 20 augustus 1948. Van 1967 tot 1972 volgde zij de opleiding Literair vertaler aan de Universiteit van Amsterdam. Ze maakte daarna naam als vertaalster van onder anderen Oscar Wilde, Jules Verne en Sylvia Plath. In 1978 werd haar voor de vertaling van Vladimir Nabokovs “The Gift” de Martinus Nijhoff-prijs toegekend. Ze weigerde die in ontvangst te nemen. Zij vond dat, door de boycot van een groot aantal vertalers, de jury slechts kon kiezen uit een kleine groep kandidaten. In november 2008 ontving zij de Constantijn Huygensprijs voor haar hele oeuvre, volgens de jury “een uniek universum van taal, waarin ze voortdurend zoekt naar een balans tussen de wereld van woorden en de echte, die van gras, vlees, botten, liefde.” Al in 1974 publiceerde Brassinga proza en poëzie in het literaire tijdschrift De Revisor onder het pseudoniem A. Tuinman. Haar eerste niet-bibliofiele dichtbundel verscheen in 1987. In 1993 kwam haar eerste prozabundel op de markt.

 

Ballade in F mineur – Chopin

Gehavend had zij willen liggen onder de vleugel
waar hij zijn ballade uit de toetsen wrong –
schroomvallige opsnijder de liezen aan flarden

haar binnenste rodelippen rillend, zoete pijn.
Wat omsloten ligt schuilt tussen vleugels
van de Kleine Paarlemoervlinder, fladderende

door de eindeloos lange gang naar het warme zwart
waar niemand meer ter wereld is. Een oogwenk
zal zij het liefste merrieveulen zijn, zal hij

zal zij verdwijnen in haar wond van eenzaamheid.
O schenkelen gespannen, schamelte gestut –
een rasp, om zich tot bloedens toe te schaven.

 

Hartklap I

Ik schonk mijn oma hartklapkoffie bij het langzaam
verbloeden van haar stoppelschedelige antimakassarman:
zijn bolknak paste niet in haar rimpelinge pruimemond.
Het Beste las hij bij een bruine schemerlamp.
Morele Herbewapening, roestsmaak van maagbloed, dood:
mijn schouderklap van binnenuit een daalder waard,
dat bakje troost uit rode kraantjeskan met gouden sterren.

Ze zei hartlap noch suikerbout, bietje, hartputje,
kokkel, hondje of zelfs maar afgelikte boterham,
noch snoep, aardig diefje, troeteling of liefje.
Ze viel van al haar stokken tegelijk, lag voor gehakt
in de pan. De kraantjeskan kreeg mijn broertje Jan.

 

Ruïnes

Ze keren langzaam terug naar onbehouwen staat
en in verwering brengt zich iets ontzaglijkers
aan het licht, dat ook in het gezicht van doden

over een verleden leven triomfeert. Grondstof
door nietsziende kracht bewoond, als van goden,
in de grootste tempels en in broze geest vereerd.

 

 
Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948)

Clemens Meyer

 

De Duitse schrijver Clemens Meyer werd geboren op 20 augustus 1977 in Halle an der Saale. Meyer groeide op in de volksbuurt van Leipzig Oost. Hij is een kleinzoon van de kunstenaar Otto en Gertraud Möhwald. De zoon van een verpleegkundige en een gezondheidsvoorlichtster kwam door de uitgebreide bibliotheek van zijn vader in aanraking met literatuur. Na het eindexamen gymnasium werkte Meyer o.a. als bouwvakker. 1998-2003 studeerde hij aan het Duitse Literatuur Instituut in Leipzig, onderbroken door een verblijf in de jeugdgevangenis Zeithain. Hij financierde zijn studies als bewaker, verhuizer en vrachtwagenchauffeur, een beurs stelde hem in staat om te werken aan zijn eerste roman. Tijdens het zoeken naar een uitgever leefde hij ook een tijd van de bijstand. Intussen kan van zijn boeken en lezingen leven. Parttime is hij docent aan het Leipziger Literaturinstitut en columnist bij de MDR. Een toneelbewerking van zijn verhalenbundel “Die Nacht, die Lichter” ging in 2010 aan het Leipziger Centraltheater in première. Ook in 2010 verscheen Meyers derde boek „Gewalten“. Een dagboek. In 2013 verscheen de roman “Im Stein” met diepgaande en gedifferentieerd studies van het hedendaagse Red Light milieu. In 2012 draaide de Leipziger filmmaker Thomas Stuber “Von Hunden und Pferden”, met als uitgangspunt een kort verhaal van Meyer. De korte film werd bekroond met een Zilveren Oscar voor studenten (Student Academy Award) voor de beste buitenlandse korte film. Samen met Stuber schreef Clemens Meyer het scenario voor de film “Herbert”, die werd genomineerd voor de Duitse Draaiboekprijs. In 2015 Meyer kreeg samen met Stuber de Duitse Draaiboekprijs voor de film “In den Gängen”. Meyer’s debuutroman “Als wir träumten” werd verfilmd door regisseur Andreas Dresen en ging op het 65e Internationale Filmfestival van Berlijn in première. Samen met Uwe-Karsten Günther werkt Meyer werkt onder het pseudoniem Günther Meyer als beeldend kunstenaar.

Uit: Als wir träumten

„Ich kenne einen Kinderreim. Ich summe ihn vor mich hin, wenn alles anfängt in meinem Kopf verrückt zuspielen. Ich glaube, wir haben ihn gesungen, wenn wir auf Kreidevierecken herumsprangen, aber vielleicht habe ich ihn mir selbst ausgedacht oder nur geträumt.
Manchmal bewege ich die Lippen und spreche ihn stumm, manchmal fange ich einfach an zu summen und merke es nicht mal, weil die Erinnerungen in meinem Kopf tanzen, nein, nicht irgendwelche, die an die Zeit nach der groûen Wende, die Jahre, in denen wir – Kontakt aufnahmen?
Kontakt zu den bunten Autos und zu Holsten Pilsener und Jägermeister. Wir waren um die fünfzehn damals, und Holsten Pilsener war zu herb, und so soffen wir meistens nationalbewusst. Leipziger Premium Pils. Das war auch preiswerter, denn wir bezogen es direkt vom Hof der Brauerei. Meistens nachts. Die Leipziger Premium Pilsner Brauerei war der Mittelpunkt unseres Viertels und unseres Lebens. Der Ursprung durchsoffener Nächte auf dem Vorstadtfriedhof, endloser Zerstörungsorgien und Tänze auf Autodächern während der Bockbiersaison.
Die Original Leipziger Brauereiabfüllung war eine Art blonder Flaschengeist für uns, der uns sanft an den Haaren packte und über Mauern hob, Autos in Flugmaschinen verwandelte, uns seinen Teppich lieh, auf dem wir davonflogen und den Bullen auf die Köpfe spuckten.
Doch meistens endeten diese seltsam traumartigen Flugnächte mit einer Landung in der Ausnüchterungszelle oder auf dem Flur des Polizeireviers Südost, mit Handschellen an die Heizung gekettet.
Als wir Kinder waren (ist man mit fünfzehn auch noch Kind? Vielleicht waren wir es nicht mehr, als wir das erste Mal vorm Richter standen, der meistens eine Frauwar, oder als sie uns das erste Mal nachts nach Hause brachten und wir am nächsten Tag zur Schule gingen, oder auch nicht, und die Abdrücke der verfluchten 8 noch an unseren dünnen Handgelenken hatten), als wir liebe Kinder waren, war der Mittelpunkt des Viertels für uns der groûe »Volkseigene Betrieb Duroplastspielwaren und Stempelsortimente«, aus dem uns ein ansonsten unbedeutender Klassenkamerad, über seine Stempelkissen herstellende Mutter, Stempel und kleine Autos besorgte, weshalb er von uns keine Dresche und manchmal ein paar Groschen bekam.“

 

 
Clemens Meyer (Halle an der Saale, 20 augustus 1977)