Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke


Dolce far niente


Zuiderkerk in Amsterdam door Claude Monet, ca. 1874



De stad herboren

Liggend ontwerpt hij het stadsdak, prent
het patroon van bladloze takken tegen fel

blauw in zijn brein, dat bloemkooltje, leeg

nog en klein. Waakzaam ontvangt hij licht
en lawaai, zonder oordeel. Honden, motoren,
een boor. Ik duw zijn wagen en merk hoe hij

schift, niet meer schrikt, scheidt wat hem boeit
en wat niet. Hij verovert de woorden, hij groeit

en zit voor op mijn fiets. Hij vult zijn stad in

met herrie en troep, wil stil bij de vuilnis,
de veegwagen, roept de lantaarns aan,

verstomt bij de rijzende brug, wacht verheugd.

In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel
en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift

een heldere lusthof ontstaan. In het park

gaan wij liggen op doodmoe gras, in de verte
murmelt de stad. We kijken tevreden omhoog,

hij en ik, door de takken van de plataan.


Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
Anna Enquist is sinds februari stadsdichter van Amsterdam


De Britse dichter Rupert Brooke werd geboren in Rugby, Engeland, op 3 augustus 1887. Zie ook mijn blog van 3 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Rupert Brooke op dit blog.


The Beginning

Some day I shall rise and leave my friends
And seek you again through the world’s far ends,
You whom I found so fair
(Touch of your hands and smell of your hair!),
My only god in the days that were.
My eager feet shall find you again,
Though the sullen years and the mark of pain
Have changed you wholly; for I shall know
(How could I forget having loved you so?),
In the sad half-light of evening,
The face that was all my sunrising.
So then at the ends of the earth I’ll stand
And hold you fiercely by either hand,
And seeing your age and ashen hair
I’ll curse the thing that once you were,
Because it is changed and pale and old
(Lips that were scarlet, hair that was gold!),
And I loved you before you were old and wise,
When the flame of youth was strong in your eyes,
— And my heart is sick with memories.




All night the ways of Heaven were desolate,
Long roads across a gleaming empty sky.
Outcast and doomed and driven, you and I,
Alone, serene beyond all love or hate,
Terror or triumph, were content to wait,
We, silent and all-knowing. Suddenly
Swept through the heaven low-crouching from on high,
One horseman, downward to the earth’s low gate.

Oh, perfect from the ultimate height of living,
Lightly we turned, through wet woods blossom-hung,
Into the open. Down the supernal roads,
With plumes a-tossing, purple flags far flung,
Rank upon rank, unbridled, unforgiving,
Thundered the black battalions of the Gods.



Oh! Death Will Find Me, Long Before I Tire

Oh! Death will find me, long before I tire
Of watching you; and swing me suddenly
Into the shade and loneliness and mire
Of the last land! There, waiting patiently,

One day, I think, I’ll feel a cool wind blowing,
See a slow light across the Stygian tide,
And hear the Dead about me stir, unknowing,
And tremble. And I shall know that you have died,

And watch you, a broad-browed and smiling dream,
Pass, light as ever, through the lightless host,
Quietly ponder, start, and sway, and gleam —
Most individual and bewildering ghost! —

And turn, and toss your brown delightful head
Amusedly, among the ancient Dead.


Rupert Brooke (3 augustus 1887 – 23 april 1915)
Standbeeld in Grantchester



Zie voor nog meer schrijvers van de 3e augustus ook mijn blog van 3 augustus 2013 en ook mijn blog van 3 augustus 2012 en eveneens mijn blog van 3 augustus 2011 deel 2.