The Summer Rain (Henry David Thoreau), Hans Lodeizen

Dolce far niente


Landschap bij Auvers in de regen door Vincent van Gogh, 1890


The Summer Rain

My books I’d fain cast off, I cannot read,
’Twixt every page my thoughts go stray at large
Down in the meadow, where is richer feed,
And will not mind to hit their proper targe.

Plutarch was good, and so was Homer too,
Our Shakespeare’s life were rich to live again,
What Plutarch read, that was not good nor true,
Nor Shakespeare’s books, unless his books were men.

Here while I lie beneath this walnut bough,
What care I for the Greeks or for Troy town,
If juster battles are enacted now
Between the ants upon this hummock’s crown?

Bid Homer wait till I the issue learn,
If red or black the gods will favor most,
Or yonder Ajax will the phalanx turn,
Struggling to heave some rock against the host.

Tell Shakespeare to attend some leisure hour,
For now I’ve business with this drop of dew,
And see you not, the clouds prepare a shower—
I’ll meet him shortly when the sky is blue.

This bed of herd’s grass and wild oats was spread
Last year with nicer skill than monarchs use.
A clover tuft is pillow for my head,
And violets quite overtop my shoes.

And now the cordial clouds have shut all in,
And gently swells the wind to say all’s well;
The scattered drops are falling fast and thin,
Some in the pool, some in the flower-bell.

I am well drenched upon my bed of oats;
But see that globe come rolling down its stem,
Now like a lonely planet there it floats,
And now it sinks into my garment’s hem.

Drip drip the trees for all the country round,
And richness rare distills from every bough;
The wind alone it is makes every sound,
Shaking down crystals on the leaves below.

For shame the sun will never show himself,
Who could not with his beams e’er melt me so;
My dripping locks—they would become an elf,
Who in a beaded coat does gayly go.


Henry David Thoreau (12 juli 1817 – 6 mei 1862)
Standbeeld in Walden Pond


De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Zie ook mijn blog van 20 juli 2010 en eveneens alle tags voor Hans Lodeizen op dit blog.

op een heel warme zomerdag

hij had
alle vormen van verdriet
in zijn lichaam verdronken
maar angst
met hoed en parapluie
wachtte in de vestibule.


Voor jou


ook al zal ik je nooit zien
in je tropenpak voor de bar
tennissend in shorts of zwemmend
of paardrijdend in de duinen
ook al zal ik je nooit zien

en mijn hand die al moe is
laat vogels los van haar vingertoppen
en het wankele geluid van de straat
hangt een sluier voor mijn ogen
ik zal je nooit zien

en ik zal verder lopen
( want geen ongeluk kan ons overkomen
want ik ben toch alleen )
de nacht zal in mijn oor suizen
de wind zal lachen in mijn gezicht
de dag zal geel als een traan zijn

ik zal verder lopen


Het water

In de roze hemel
en in de geweldige stilte
hoorde hij een stem
een gevoelige stem van
geel riet die hem toeriep
in de roze hemel
hem toeriep
en in de geweldige stilte

er stond een man
aan de overzijde van het water
die hem toewuifde
in de roze hemel
een man tussen het gele riet

hij wachtte heel lang
en antwoordde niet
op de gevoelige stem
van geel riet die hem toeriep
in de roze hemel
en in de geweldige stilte

hij antwoordde niet
en wachtte

Hans Lodeizen (20 juli 1924 – 26 juli 1950)


Zie voor de schrijvers van de 20e juli ook mijn blog van 20 juli 2013 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.