Yann Martel, Michel Tremblay, Nicholas Mosley, Ingeborg Bachmann, Arseny Tarkovsky, George Orwell, Claude Seignolle

De Canadese schrijver Yann Martel werd op 25 juni 1963 geboren in Salamanca. Zie ook alle tags voor Yann Martel op dit blog.

Uit:Life of Pi

„I still smart a little at the slight. When you’ve suffered a great deal in life, each additional pain is both unbearable and trifling. My life is like a memento mori painting from European art: there is always a grinning skull at my side to remind me of the folly of human ambition. I mock this skull. I look at it and I say, “You’ve got the wrong fellow. You may not believe in life, but I don’t believe in death. Move on!” The skull snickers and moves ever closer, but that doesn’t surprise me. The reason death sticks so closely to life isn’t biological necessity—it’s envy. Life is so beautiful that death has fallen in love with it, a jealous, possessive love that grabs at what it can. But life leaps over oblivion lightly, losing only a thing or two of no importance, and gloom is but the passing shadow of a cloud. The pink boy also got the nod from the Rhodes Scholarship committee. I love him and I hope his time at Oxford was a rich experience. If Lakshmi, goddess of wealth, one day favours me bountifully, Oxford is fifth on the list of cities I would like to visit before I pass on, after Mecca, Varanasi, Jerusalem and Paris.

 
Scene uit de film “Life of Pi” uit 2012

I have nothing to say of my working life, only that a tie is a noose, and inverted though it is, it will hang a man nonetheless if he’s not careful.
I love Canada. I miss the heat of India, the food, the house lizards on the walls, the musicals on the silver screen, the cows wandering the streets, the crows cawing, even the talk of cricket matches, but I love Canada. It is a great country much too cold for good sense, inhabited by compassionate, intelligent people with bad hairdos. Anyway, I have nothing to go home to in Pondicherry.
Richard Parker has stayed with me. I’ve never forgotten him. Dare I say I miss him? I do. I miss him. I still see him in my dreams. They are nightmares mostly, but nightmares tinged with love. Such is the strangeness of the human heart. I still cannot understand how he could abandon me so unceremoniously, without any sort of goodbye, without looking back even once. That pain is like an axe that chops at my heart.”

 
Yann Martel (Salamanca, 25 juni 1963)

Continue reading “Yann Martel, Michel Tremblay, Nicholas Mosley, Ingeborg Bachmann, Arseny Tarkovsky, George Orwell, Claude Seignolle”

Rob van Essen

 

De Nederlandse schrijver en vertaler Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen en groeide op in Twente en op de Veluwe. Zijn eerste boek verscheen in 1996: “Reddend Zwemmen”. Daarna volgden: “Troje” (2000), “Kwade dagen” (2002), “Engeland is gesloten” (2004), “Het jaar waarin mijn vader stierf” (2006) en “Visser” (2008). Rob van Essen vertaalt vanuit het Engels, zowel fictie als non-fictie. Sinds 2005 maak t hij deel uit van de redactie van het Biografie Bulletin. Ook schrijft hij vanaf oktober 2007 voor NRC Boeken over Engelstalige literatuur.

Uit: In het restaurant (drie gangen)

“1. voorgerecht
Nadat hij mijn soep heeft neergezet, blijft de ober naast mijn tafeltje staan. Hij pakt het mes dat klaar ligt voor het hoofdgerecht en begint met de punt ervan in het tafellaken te tekenen. Hij trekt de lijnen van een slordige rechthoek, waarin hij her en der wat kleine vormen plaatst.
‘De woning van mijn grootmoeder,’ zegt hij zacht, en zonder mij aan te kijken trekt hij nog wat lijnen. Het tafellaken is dik, aan weerszijden van elke lijn bolt de stof een beetje op.
De kok komt naast hem staan en haalt zijn handen over zijn schort. ‘Kwam hij daar vandaan?’ Hij laat een dikke wijsvinger vlak boven de tekening zweven.
‘Nee, nee,’ zegt de ober. ‘Dat is de gang. Hij kwam via het balkon.’  Hij wijst met de punt van het mes.
De kok veegt met zijn hand over zijn ongeschoren kin en kijkt nadenkend naar de tekening.  ‘Soep goed, meneer?’ vraagt hij wanneer hij mijn blik vangt.
‘Ja, ja,’ zeg ik haastig, hoewel ik nog niet heb geproefd. Ik steek mijn hand uit naar de lepel.
De kok richt zich weer naar de ober. ‘En de balkondeuren?’
De ober haalt zijn schouders op. ‘Ze lag ik bed, wat kan ze nou…’
De kok knikt en kijkt weer naar de tekening, waarvan de lijnen langzaam vervagen. De ober ziet het ook en zet met de mespunt sommige lijnen  wat duidelijker aan.
Ik leg mijn lepel neer en strek mijn hand uit naar mijn glas rode wijn. Ik doe het niet goed, in plaats dat ik het glas oppak, gooi ik het om. De tekening van de ober wordt onmiddellijk bedekt door een grote paarsrode vlek.
De ober trekt wit weg. Hij keert zich naar mij, maar voor hij iets kan doen, pakt de kok hem vanachteren bij de schouders en trekt hem mee naar de keuken.
‘Alsof hij erbij was,’ sist de ober, ‘alsof hij erbij was.’ En hij blijft geagiteerd fluisteren. ‘Nee, nee, dat is onzin,’ zegt de kok, en hij blijft de ober kalmerend toespreken tot ze beiden achter de slappe klapdeuren naar de keuken zijn verdwenen.”

 

 
Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)