P.C. Hooft, Bredero, Zoë Jenny, Dirk von Petersdorff, Francisco Ayala

De geschiedkundige, dichter en toneelschrijver Pieter Cornelisz. Hooft werd geboren in Amsterdam op 16 maart 1581. Zie ook alle tags voor P. C. Hooft op dit blog.

Al troont geleerde hand, met vingren wis en snel

Al troont geleerde hand, met vingren wis en snel,
Vloeizoete wijzen uit het zangrig snarenspel;
Al lokt uw sneêge zang, met strelend lief geluid,
De vlotte ziele tot het zwijmend lichaam uit:

In strikjes van uw haar mijn geest niet is verward.
Uw blinkend aangezicht sticht mij geen brand in ’t hart.
Van ’t schittren uwes oogs en word ik niet verblind.
Noch stem, noch kunstig spel mijn zacht gemoed verwint.

Maar wijze goedheids kracht, en ’t needrig braaf gelaat
Dat teedre borst verkwikt en trotse borst verslaat;
Maatwijze geestigheên, bevalliglijk vertaald:
Deez’ hebben op mijn ziel verwinnings roem behaald.

 

Leonoor

Leonoor, mijn lieve licht,
Voor uw oog de zonne zwicht
Met haar blonde stralen,
Die gans niet, in mijn gezicht,
Bij zijn glorie halen.

Vonken folie aan die git,
Gitten met uw gouden pit,
Bliksemt niet zo fellijk
Dat het hart, dat u aanbidt,
T’ ene maal verwellek.

Lieve Leonoor, gij moordt
’t Harte dat u toebehoort
Met uw lieve lonken,
Zo mij niet een troostig woord
Komt in ’t oor geklonken.

Woordjes kunt gij duizend smeên,
Die daar geestig, aardig, heen-
Vliên als minnegoodjes.
Maar tot troost en komt er geen
Uit de ivoren slootjes.

Houd uw eigen slaaf te râ.
Zalig kunt g’hem maken dra,
Zo gij slechts laat slippen,
Op zijn bede, een gunstig ja
Uit die lieve lippen.

 
Pieter Cornelisz. Hooft (16 maart 1581 – 21 mei 1647)
Portret door Cornelis van der Voort, 1622

Doorgaan met het lezen van “P.C. Hooft, Bredero, Zoë Jenny, Dirk von Petersdorff, Francisco Ayala”

César Vallejo, Hooshang Golshiri, Alice Hoffman, Sully Prudhomme, René Daumal

De Peruaanse dichter César Vallejo werd geboren op 16 maart 1892 in Santiago de Chuco, Peru. Zie ook alle tags voor César Vallejo op dit blog.

Sermon on Death

And, finally, passing now into the domain of death,
which acts as squadron, former bracket,
paragraph and key, huge hand and dieresis,
for what the Assyrian desk? for what the Christian pulpit,
the intense tug of Vandal furniture
or, even less, this proparoxytonic retreat?

Is it in order to end,
tomorrow, as a prototype of phallic display,
as diabetes and as a white bedpan,
as a geometric face, as a deadman,
that sermon and almonds become necessary,
that there are literally too many potatoes
and this watery spectre in which the gold blazes
and in which the price of snow burns?
Is it for this, that we die so much?
Only to die,
must we die each instant?
And the paragraph that I write?
And the deistic bracket that I raise on high?
And the squadron in which my skull broke down?
And the key which fits all doors?
And the forensic dieresis, the hand,
my potato and my flesh and my contradiction under the bedsheet?          

Out of my mind, out of my wolvum, out                                            
of my lamb, out of my sensible horsessence!
Desk, yes, my whole life long; pulpit,
likewise, my whole death long!
Sermon on barbarism: these papers;
proparoxytonic retreat: this skin.

In this way, cognitive, auriferous, thick-armed,                                    
I will defend my catch in two moments,
with my voice and also with my larynx,
and of the physical smell with which I pray
and of the instinct for immobility with which I walk,
I will be proud while I’m alive—it must be said;
my horseflies will swell with pride,
because, at the center, I am, and to the right,
likewise, and, to the left, equally.

 

Vertaald door Clayton Eshleman

 
César Vallejo (16 maart 1892 – 15 april 1938)
In Nice, 1929

Doorgaan met het lezen van “César Vallejo, Hooshang Golshiri, Alice Hoffman, Sully Prudhomme, René Daumal”

Patrice de la Tour du Pin, Percy MacKaye, Jakob Haringer, Ethel Anderson, Haldun Taner

De Franse dichter Patrice de la Tour du Pin werd geboren op 16 maart 1911 in Parijs. Zie ook alle tags voor Patrice de la Tour du Pin op dit blog.

Enfants de septembre (Fragment)

Et je me dis : je suis un enfant de Septembre,
Moi-même, par le coeur, la fièvre et l’esprit,
Et la brûlante volupté de tous mes membres,
Et le désir que j’ai de courir dans la nuit
Sauvage, ayant quitté l’étouffement des chambres.

Il va certainement me traiter comme un frère,
Peut-être me donner un nom parmi les siens ;
Mes yeux le combleraient d’amicales lumières
S’il ne prenait pas peur, en me voyant soudain
Les bras ouverts, courir vers lui dans la clairière.

Farouche, il s’enfuira comme un oiseau blessé,
Je le suivrai jusqu’à ce qu’il demande grâce,
Jusqu’à ce qu’il s’arrête en plein ciel, épuisé,
Traqué jusqu’à la mort, vaincu, les ailes basses,
Et les yeux résignés à mourir, abaissés.

Alors, je le prendrai dans mes bras, endormi,
Je le caresserai sur la pente des ailes,
Et je ramènerai son petit corps, parmi
Les roseaux, rêvant à des choses irréelles,
Réchauffé tout le temps par mon sourire ami…

Mais les bois étaient recouverts de brumes basses
Et le vent commençait à remonter au Nord,
Abandonnant tous ceux dont les ailes sont lasses,
Tous ceux qui sont perdus et tous ceux qui sont morts,
Qui vont par d’autres voies en de mêmes espaces !

Et je me suis dit : Ce n’est pas dans ces pauvres landes
Que les enfants de Septembre vont s’arrêter ;
Un seul qui se serait écarté de sa bande
Aurait-il, en un soir, compris l’atrocité
De ces marais déserts et privés de légende ?

 
Patrice de la Tour du Pin (16 maart 1911 – 28 oktober 1975)
Paul Signac:  Le Pont-des-Arts. Automne (Paris), 1928

Doorgaan met het lezen van “Patrice de la Tour du Pin, Percy MacKaye, Jakob Haringer, Ethel Anderson, Haldun Taner”