Berliner Fasching (Kurt Tucholsky)

Bij Carnaval

 

 
Carnevalsbal door Pierre Bergaigne (1652 – 1708)

 

Berliner Fasching

Nun spuckt sich der Berliner in die Hände
und macht sich an das Werk der Fröhlichkeit.
Er schuftet sich von Anfang bis zu Ende
durch diese Faschingszeit.

Da hört man plötzlich von den höchsten Stufen
der eleganten Weltgesellschaft längs
der Spree und den Kanälen lockend rufen:
“Rin in die Eskarpins!”

Und diese Laune, diese Grazie, weißte,
die hat natürlich alle angesteckt;
die Hand, die tagshindurch Satin verschleißte,
winkt ganz leschehr nach Sekt.

Die Dame faschingt so auf ihre Weise:
gibt man ihr einmal schon im Jahr Lizenz,
dann knutscht sie sich in streng geschlossnem Kreise,
fern jeder Konkurrenz.

Und auch der Mittelstand fühlts im Gemüte:
er macht den Bockbierfaßhahn nicht mehr zu,
umspannt das Haupt mit einer bunten Tüte
und rufet froh: “Juhu!”

Ja, selbst der Weise schätzt nicht nur die hehre
Philosophie: auch er bedarf des Weins!
Leicht angefüllt geht er bei seine Claire,
Berlin radaut, er lächelt …
Jeder seins.

 

 
Kurt Tucholsky (9 januari 1890 – 21 december 1935)

 

Zie voor de schrijvers van de 2e maart ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Godfried Bomans, Multatuli, Thom Wolfe, John Irving, Michael Salinger

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: Erik of Het klein insectenboek

“De kleine Erik lag, juist op het ogenblik dat dit boekje begint, in het oude bed van grootmoeder Pinksterblom met den troonhemel en -de zijden kwasten, en keek over den rand van het blanke laken de schemerige kamer in.
Het was het uur waarop de kleine mensen naar bed gaan, het uur waar de grote mensen niet van weten: alle vertrouwde dingen van den muur vervagen zoetjes aan in het groeiende duister, en de wereld wordt stil, zo stil dat zij zelfs niet meer ademt… Buiten stapt nog iemand voorbij: stap, stap, zo klinkt het, en in de verte roept een jongetje hoog en fijn naar een ander jongetje. Zijn stem klinkt in den avond en je denkt- daar is toch een jongetje op de wereld dat nog niet in bed ligt…
Erik lag stil te.kijken naar het raam in de verte en naar de schemerende portretten van den muur. “Het is net,” dacht hij, “of er iets gebeuren gaat. En misschien gaat er ook wel iets gebeuren?” En hij besloot om nu eens niet, gelijk op andere avonden. in slaap te vallen, maar goed op te letten of er misschien , @iets gebeuren ging”. Nu was daar een goed middel voor. Want onder zijn hoofdkussen lag een boekje, “Solrns’ Beknopte Natuurlijke Historie” geheten, en Erik moest daar voor morgen alle insecten uit kennen. Hij had er dezen helen Woensdagmiddag uit zitten leren en was tot aan de meikevers gekomen. Morgenochtend, onder het speelkwartier, zou hij de meikevers er bij nemen.
“Laat eens kijken,” mompelde Erik, “hoeveel poten heeft een wesp ook al weer? Zes. De ogen zijn apart verstelbaar e ’n staan voor in den kop. Mooi. Zij leven niet in korven, gelijk de bijen, maar – ja, waar leven zij dan? Zij zullen apart leven, denk ik Nu, dat doet er ook niet toe. Zij behoren tot de familie der vliesvleugeligen en hebben geknikte sprieten.
En hoe staat het met de vlinders? De vlinder verbaast den aandachtigen natuurliefhebber door haar fraaie kleurenpracht. (Erik zei dezen zin twee keer, zo mooi vond hij hem.) Wij kunnen hen rekenen onder de zogenaamde nuttige insecten, maar de kinderen die zij krijgen – welke rupsen worden genoemd – kunnen zeer schadelijk zijn.”

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)
Hier eind jaren 1960 op de basisschool die hij zelf bezocht

Doorgaan met het lezen van “Godfried Bomans, Multatuli, Thom Wolfe, John Irving, Michael Salinger”

János Arany, Jevgeni Baratynski, Sholom Aleichem, Olivia Manning, Pascal Rannou, Gerhard von Halem

De Hongaarse dichter János Arany werd geboren op 2 maart 1817 in Nagyszalonta. Zie ook alle tags voor János Arany op dit blog.

Uit: Toldi (Fragment)

But no, he does not care how it sifts the road
from end to end – through a tower of dust erected
by the wind, proud weapons glitter, proud troops
ascend. A cloud of sighs rises from his heart like
those hazy troops. And bending forward, he stares
and stares as though heart and soul were fixed
in his eyes.

‘Neat Hungarian cavaliers, shining knights! How beat
and bitter am I to see you. Where are you bound? How
far? Into battle? To gather flowers for a wreath of
glory? Are you riding against Tatars, Turks? To bid
them good night forever? Ah, if I too, I too were
only riding. Neat Hungarian cavaliers, shining knights!’

These were the thoughts that furrowed into Miklós
Toldi’s soul. His head churned, and his heart was
wrung with sadness because he too was the son of a
knight. György, his false brother, was reared as
a companion of the royal heir. He lives it up in
the royal court while Miklós mows and rakes with
the hired hands.

Here they come, the mounted men of the Palatine
Laczfi, and at the head of his proud troops Endre
Laczfi himself. He sits with martial bearing on
his fallow horse, braids of gold on his robe. In
his train dashing young men ride in fancy saddles
on stamping stallions. Miklós stares and stares,
not knowing his eyes are sore for staring so hard.

 
János Arany (2 maart 1817 – 22 oktober 1882)
Portret door Barabás Miklós, 1856

Doorgaan met het lezen van “János Arany, Jevgeni Baratynski, Sholom Aleichem, Olivia Manning, Pascal Rannou, Gerhard von Halem”