Music On Christmas Morning (Anne Brontë)

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!

 

 
 De geboorte van Christus met St.Franciscus en
St. Laurentius door Caravaggio, 1609

 

Music On Christmas Morning

Music, I love–but never strain
Could kindle raptures so divine,
So grief assuage, so conquer pain,
And rouse this pensive heart of mine–
As that we hear on Christmas morn,
Upon the wintry breezes borne.

Though Darkness still her empire keep,
And hours must pass, ere morning break;
From troubled dreams, or slumbers deep,
That music KINDLY bids us wake:
It calls us, with an angel’s voice,
To wake, and worship, and rejoice;

To greet with joy the glorious morn,
Which angels welcomed long ago,
When our redeeming Lord was born,
To bring the light of Heaven below;
The Powers of Darkness to dispel,
And rescue Earth from Death and Hell.

While listening to that sacred strain,
My raptured spirit soars on high;
I seem to hear those songs again
Resounding through the open sky,
That kindled such divine delight,
In those who watched their flocks by night.

With them I celebrate His birth–
Glory to God, in highest Heaven,
Good-will to men, and peace on earth,
To us a Saviour-king is given;
Our God is come to claim His own,
And Satan’s power is overthrown!

A sinless God, for sinful men,
Descends to suffer and to bleed;
Hell MUST renounce its empire then;
The price is paid, the world is freed,
And Satan’s self must now confess
That Christ has earned a RIGHT to bless:

Now holy Peace may smile from heaven,
And heavenly Truth from earth shall spring:
The captive’s galling bonds are riven,
For our Redeemer is our king;
And He that gave his blood for men
Will lead us home to God again

 

 
Anne Brontë (17 januari 1820 – 28 mei 1849)
Brontë Country in de winter

 

Zie voor de schrijvers van de 25e December ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

David Pefko, Karin Amatmoekrim, Quentin Crisp, Tununa Mercado, Sabine Kuegler, Alfred Kerr

De Nederlandse schrijver David Pefko werd op 25 december 1983 geboren in Amsterdam. Zie ook alle tags voor David Pefko op dit blog.

Uit: Levi Andreas

“Ik had een afspraak met het 22-jarige meisje gemaakt. We moesten elkaar maar eens in het echt zien.
Ze was veel langer dan ik dacht, in mijn ogen een soort reuzin. Ze droeg een bloemenblouse en een rokje van velours, suède laarzen. Haar lange bruine haar zat in een staart, haar gezicht verstopt onder een dikke laag make-up.
‘Je bent wel klein hè,’ was het eerste wat ze zei. Daar had ze gelijk in, in het echte leven was ik bijna vijf centimeter korter dan op de datingsite.
Ik voelde de moed in de schoenen zakken. Misschien had ik thuis iets moeten drinken, maar nu was het al te laat.
We beklommen de trappen van het Amstelhotel, en liepen door de foyer met zijn vergulde kroonluchters en afzichtelijke Perzische tapijten. Ik had deze plek uitgekozen, omdat ik er in die tijd veel kwam, met vrienden en met mijn broertje en moeder; maar vooral omdat ik op die mensen na, hier niemand tegen zou kunnen komen.
We dronken champagne, die ons regelmatig werd bijgeschonken door een ober die vertelde dat hij nog in opleiding was.
Het gesprek ging nergens over. Ik was zenuwachtig en wilde een aspirine, mijn hoofd tolde. Ook had ik behoorlijke motorische problemen, zelfs aan het tafeltje. De klunzige handelingen van de ober maskeerden de mijne gelukkig een beetje.

Ze vertelde over de reizen die ze had gemaakt, de studie die ze volgde, de scriptie die ze nog steeds moest schrijven, over haar vriendinnen en hun problemen, over haar moeder en jongere broertje, over de rest van haar familie. Eigenlijk vertelde ze over iedereen in haar omgeving, zelfs haar buren kwamen aan bod. Ze sprak met me alsof we elkaar al jaren kenden.”

 
David Pefko (Amsterdam, 25 december 1983)

Doorgaan met het lezen van “David Pefko, Karin Amatmoekrim, Quentin Crisp, Tununa Mercado, Sabine Kuegler, Alfred Kerr”

Friedrich Wilhelm Weber, Christian Geissler, Dorothy Wordsworth, Carlos Castaneda, William Collins, Ute Erb, Gerhard Holtz-Baumert

 De Duitse schrijver Friedrich Wilhelm Weber werd geboren op 25 december 1813 in Althausen. Zie ook alle tags voor Friedrich Wilhelm Weber op dit blog.

Näher, mein Gott, zu dir!

Wär’ ich, mein Gott, zu dir
Näher gehoben,
Selbst durch ein Leid, das mich
Führte nach oben!
Laut ruf’ ich für und für,
Näher, mein Gott, zu dir,
Näher zu dir!

Wenn ich auch wandern muß
Bei Nacht alleine,
Rasten mein müdes Haupt
Auf kaltem Steine:
Fliegt doch mein Traum von hier,
Näher, mein Gott, zu dir,
Näher zu dir!

Laß mich die Leiter sehn,
Himmlische Pfade;
Lende herab zu mir
Boten der Gnade.
Engel, sie winken mir
Näher, mein Gott, zu dir,
Näher zu dir!

Dann der Erwachende
Wird dir lobsingen,
Und auf des Kummers Stein
Opfer dir bringen,
Schmerzen, sie helfen mir
Näher, mein Gott, zu dir,
Näher zu dir!

Schwebt auch mein sel’ger Flug
Durch Himmelsferne,
Hoch über Sonn’ und Mond,
Über die Steine:
Ruf’ ich doch für und für,
Näher, mein Gott, zu dir,
Näher zu dir!

 
Friedrich Wilhelm Weber (25 december 1813 – 5 april 1894)
Borstbeeld in Alhausen, bij het Friedrich-Wilhelm-Weber-Museum

Doorgaan met het lezen van “Friedrich Wilhelm Weber, Christian Geissler, Dorothy Wordsworth, Carlos Castaneda, William Collins, Ute Erb, Gerhard Holtz-Baumert”

Sheila Heti

De Canadese schrijfster Sheila Heti werd geboren op 25 december 1976 in Toronto als dochter van Hongaarse Joodse immigranten. Heti studeerde kunstgeschiedenis en filosofie aan de Universiteit van Toronto en schrijven voor toneel aan de National Theatre School of Canada. Ze werkt als redacteur Interviews bij The Believer. Haar verhalenbundel “The Middle Stories” werd in 2001 uitgegeven, toen ze vierentwintig was en vertaald in het Duits, Frans, Spaans en Nederlands. Heti’s roman “Ticknor” verscheen in 2005. In 2011 publiceerde zij “The Chairs are Where The People Go”, geschreven samen met haar vriend Misha Glouberman. In september 2010 werd “How Should a Person Be?” gepubliceerd. Het werd gekozen door de New York Times als een van de 100 beste boeken van 2012 en door James Wood van The New Yorker als een van de beste boeken van het jaar. Heti stond aan de wieg van Trampoline Hall, een populaire maandelijkse lezingenreeks in Toronto en New York, waarin mensen over onderwerpen buiten hun vakgebied spreken . Heti was als kind actrice en als tiener verscheen zij in shows geregisseerd door Hillar Liitoja, de oprichter en artistiek directeur van het experiemental DNA Theater. In 2010 speelde zij een rol in Margaux Williamson’s film “Teenager Hamlet”. In november 2013 regisseerde Jordanië Tannahill Heti ’s toneelstuk “All Our Happy Days are Stupid” in Toronto Videofag. Heti ’s tien jaar lange worsteling om het stuk te schrijven is een primaire plot in haar roman “How Should a Person Be?”

Uit: How Should a Person Be?

“That night, after spending several hours staring at my impossible play, I finally decided I would tell the theater to pull it. I had been laboring on it for so many years, never getting any closer to making it a thing of beauty. It resisted my every advance. I got up and left my apartment in frustration and went out to a party to celebrate three more books of poetry in the world.
The party was in a wide and cavernous room with a stage up front and the ceiling painted brown, hung around the sides with brown velvet. A large disco ball rotated in the center, and everything was polished wood, semi-formal and awful.
Standing alone by the bar, I wondered if I could love the boy I noticed at the end of it — the one with the curly brown hair, who looked like a washed-out, more neutral version of the first boy I loved. When he stepped outside onto the front steps, I thought, If he has gone out there to smoke, I will love him. But when I got outside, though I could see a cigarette dangling from his lips, I did not love him.
I went back inside to get myself a drink, and was standing by the bar when a man, slightly taller than me, stepped out from the crowd and moved toward me. My stomach lurched. I turned away. I felt so attracted to him, I couldn’t let myself speak. I knew him: his name was Israel. This was a guy whose girlfriend I had complimented the year before, running into her on the street and saying, Your boyfriend is the sexiest guy in the city. Later, when I learned that she was mad at me for saying this, I got upset. I had genuinely wanted to compliment her!
I had met Israel once before, several years ago, and never forgot it. I was married at the time, and was going down in an elevator in a building of artists’ studios. He entered on the same floor and stood there beside me. He had killer eyes, huge, jaded soul-sucking eyes, a nice, easy, lazy smile, big thick lashes, and the lips of a real pervert.”

 
Sheila Heti (Toronto, 25 december 1976)

N.E.M. Pareau

De Nederlandse dichter, schrijver en hoogleraar N.E.M. Pareau (pseudoniem van Herman Jan Scheltema) werd geboren in Groningen op 25 december 1906. Hij studeerde rechten te Groningen en promoveerde in 1934. Hij stond in nauw contact met de Groningse schildersvereniging ‘De Ploeg’. Hij publiceerde anonieme bijdragen in de ‘Groninger Studenten Almanak’ (1927-1933) en samen met H.C. Kool, J.C. Noordstar en H. Poort pamfletten, gedrukt door Hendrik Werkman. Hij schreef onder het pseudoniem N.E.M. Pareau en Mr. J.Jer. van Nes onder andere XXVIII Sonnetten (1942). Met J.C. Noordstar was hij verder deelgenoot van Uitgeverij Eben Haëzer. Hij werd in 1940 privaatdocent in het Byzantijns recht. Vanaf 1945 was hij hoogleraar Romeins recht aan de RUG. Van 1945 tot 1977 was hij hoogleraar rechtsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij was onder andere medewerker aan ‘Werk’ en ‘De Gids’ (1941). Onder zijn eigen naam verzorgde hij de editie van de 60-delige Byzantijnse vertaling van de Justiniaanse codificatie : Ta basilika nómma. Op 7 juni 1977 ging Scheltema met emeritaat.

Aan de ganzen

Laat in de nacht, wanneer ik droomend door
het venster staar, roepen uit hooge luchten
onzichtbaar overgaande ganzenvluchten;
een zwak gekrijsch, dat zwelt en gaat teloor.

Nauw drijven door de duisternis geruchten;
de zomernacht is zwoel en drachtig. Voor
de sterren hangt een nevelwaas. Ik hoor
de donkere aard’ in diepen sluimer zuchten.

Ay, vreemde vogelen, die komt overzweven
en ongestoord de breede vlerken vouwt
in landen waar nog vredig volken leven,

Vertelt hun, hoe men hier den vrede rouwt
en welk een ongeluk de menschen lijden
die d’overgaande trekganzen benijden.

 

Kloosterzangen I

Dit schijnt mij ’t schoonste leven toe: om rust te vinden
in ’t oude landhuis, waar wij kinderen zijn geweest;
het is zeer stil en witgekalkt. De zware linden
verroeren ’t lover nauw en fluisteren bedeesd.
De lage muren blinken door de zon en in de
doorschenen kamers werkt men zwijgende en leest.
Daar trekt zich terug een uitverkoren schare vrinden,
die vorsen na en zoeken: zervers naar de geest.

De zon zinkt lager. Glazen deuren draaien open;
de gasten dwalen, groepen vormend, over ’t gras,
verscholen telkens achter ’t zware struikgewas.
Men ziet hen handgebarende door ’t koren lopen.
Daarna in wijde kring gezeten op ’t terras
blinkt de lange tijd nog wijn in ’t kristallijnen glas.

 
N.E.M. Pareau (25 december 1906 – 2 december 1981)
Portret door J.S. Sjollema, z.j.

Lisa Kränzler

De Duitse schrijfster Lisa Kränzler werd geboren op 25 december 1983 in Ravensburg. Zij behaalde in 2003 het eindexamen gymnasium in Weingarten. Daarna studeerde zij van 2005 tot 2010 in Karlsruhe schilderkunst en grafiek aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten. In de periode 2010 – 2011 was zij een masterstudent bij Tatjana Doll. Kränzler wijdde zich al vroeg aan het schrijven. Tijdens haar studie schreef ze onophoudelijk en wel met een mechanische typemachine op A4-vellen, die werden verdeeld door horizontale lijnen. Voor haar tekeningen en vooral voor de grootschalige werken gebruikt ze vaak comic-sjablonen die haar door hun willekeurige kleuren inspireren. Als kunstenaar beschouwd ze literatuur en beeldende kunst als eenheid, Zij ziet zich zelf als een schildersd die schrijft. In februari 2012 publiceerde Kränzlerhaar eerste roman “Export A” over een zestien-jarige uitwisselingsstudent in Canada. Haar tweede roman “Nachhinein” werd in 2013 genomineerd in de categorie Literatuur voor de Leipziger Buchmesse.

Uit: Nachhinein

„Unwahrscheinlich, dass sich das Gefühl ihrer frisch gesprossenen, streichholzkopfkurzen Haarspitzen unter meiner Handfläche nach mehr als 24 Jahren noch wiedererwecken lässt …
Glücklicherweise schert sich meine Erinnerung einen Dreck um Wahrscheinlichkeiten und lässt meine kleine, dickliche Hand wieder und wieder über ihren großen, kurzgeschorenen Kinderkopf streichen.
Im Hintergrund grölen gnadenlose Zwergstimmen einen heute harmlos anmutenden Spitznamen: »Igel«.
»Igel-Igel-Igel!«, tönt es aus Kinderkehlen, die so lange am I ­ziehen, bis ein IHHH draus wird, – wodurch aus dem Igel ein IHHHgel und somit etwas Ekelerregendes wird.
Später hat sie behauptet, ich sei die Einzige gewesen, die sie beim Namen, ihrem richtigen Vornamen, der vielleicht Jasmin, vielleicht Celine, vielleicht Justine lautete, gerufen hat, dass meine Weigerung, es den anderen gleichzutun und ihr einen Tiernamen zu geben, unsere Freundschaft begründet hat.
Ich hingegen halte es für viel wahrscheinlicher, dass mich das ­pelzige, perserteppichflauschige und dabei doch seltsam störrische Kitzelgefühl, das ihr Haar meiner Handfläche bescherte, gerade­zu magnetisch angezogen und eine Lust auf mehr in mir ausgelöst hat, mehrmaliges Streichen, mehrmaliges Fühlen, mehrmaliges Genießen, dieser mir bisher unbekannten Oberflächen- und Haarstruktur.
Folglich würde ICH sagen, dass der Grundstein unserer Freundschaft keineswegs meine Enthaltsamkeit in Sachen Hänselei, ­sondern vielmehr jener Bordstein gewesen ist, der ihr, kurz vor Kinder­garteneintritt, den Schädel gespalten hatte.
Ich kenne den Hügel und auch die Stelle genau, an der ebendies geschah und die wir in den darauffolgenden Jahren oft mit roten X-en aus Straßenkreide markierten. Den Unfallhergang, den ich nur aus Erzählungen kenne, und das Bild einer furchtlosen Kamikaze-Jasmin oder Celine oder Justine auf einem klappernden, trotz Stützrädern wenig verkehrssicheren Zweirad, kann ich jederzeit, ohne die geringsten Schwierigkeiten und mit zuverlässiger Kamera­schärfe, in mir aufrufen. Das Unfallbild, dessen Existenz ich der erwähnten Weigerung meiner Erinnerung, sich um Wahrscheinlichkeiten zu scheren, verdanke, verteidigt seinen Platz in meinem Bilderspeicher seit unglaublichen 24 Jahren, während andere »live« miterlebte Bilder längst im Trubel der Lebendigkeit verloren ge­gangen sind.“

 
Lisa Kränzler (Ravensburg, 25 december 1983)