Bij de tweede zondag van de Advent (Mariae Verkündigung, Rainer Maria Rilke)

Bij de tweede zondag van de Advent

 

 
Adriaen van de Velde, De boodschap aan Maria, 1667

 

Mariae Verkündigung

Nicht dass ein Engel eintrat (das erkenn),
erschreckte sie. Sowenig andre, wenn
ein Sonnenstrahl oder der Mond bei Nacht
in ihrem Zimmer sich zu schaffen macht,
auffahren -, pflegte sie an der Gestalt,
in der ein Engel ging, sich zu entrüsten;
sie ahnte kaum, dass dieser Aufenthalt
mühsam für Engel ist. (O wenn wir wüssten,
wie rein sie war. Hat eine Hirschkuh nicht,
die, liegend, einmal sie im Wald eräugte,
sich so in sie versehn, dass sich in ihr,
ganz ohne Paarigen, das Einhorn zeugte,
das Tier aus Licht, das reine Tier -.)
Nicht, dass er eintrat, aber dass er dicht,
der Engel, eines Jünglings Angesicht
so zu ihr neigte; dass sein Blick und der,
mit dem sie aufsah, so zusammenschlugen
als wäre draußen plötzlich alles leer
und, was Millionen schauten, trieben, trugen,
hineingedrängt in sie: nur sie und er;
Schaun und Geschautes, Aug und Augenweide
sonst nirgends als an dieser Stelle -: sieh,
dieses erschreckt. Und sie erschraken beide.
Dann sang der Engel seine Melodie.

 

 
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Praag in de Advent (Rilke werd geboren in Praag)

 

Zie voor de schrijvers van de 8e december ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Louis de Bernières, Bill Bryson, Mary Gordon, Delmore Schwartz, Jim Morrison, James Thurber, Hervey Allen

De Britse schrijver Louis de Bernières werd geboren in Londen op 8 december 1954. Zie ook alle tags voor Louis de Bernières op dit blog.

Uit: Corelli’s Mandolin

‘Only my finger,’ replied Stamatis.
‘And how long have you been deaf in this ear?’
‘Since as long as I can remember.’
Dr Iannis found an absurd picture rising up before his imagination. It was Stamatis as a toddler, with the same gnarled face, the same stoop, the same overmeasure of aural hair, reaching up to the kitchen table and taking a dried pea from a wooden bowl. He stuck it into his mouth, found it too hard to bite, and crammed it into his ear. The doctor chuckled, ‘You must have been a very annoying little boy.’
‘He was a devil.’
‘Be quiet, woman, you didn’t even know me in those days.’
‘I have your mother’s word, God rest her soul,’ replied the old woman, pursing her lips and folding her arms, ‘and I have the word of your sisters.’
Dr Iannis considered the problem. It was undoubtedly an obdurate and recalcitrant pea, and it was too tightly packed to lever it out. ‘Do you have a fishhook, about the right size for a mullet, with a long shank? And do you have a light hammer?’
The couple looked at each other with the single thought that their doctor must have lost his mind. ‘What does this have to do with my earache?’ asked Stamatis suspiciously.
‘You have an exorbitant auditory impediment,’ replied the doctor, ever conscious of the necessity for maintaining a certain iatric mystique, and fully aware that ‘a pea in the ear’ was unlikely to earn him any kudos. ‘I can remove it with a fishhook and a small hammer; it’s…”

 
Louis de Bernières (Londen, 8 december 1954)

Doorgaan met het lezen van “Louis de Bernières, Bill Bryson, Mary Gordon, Delmore Schwartz, Jim Morrison, James Thurber, Hervey Allen”

Georges Feydeau, Horatius, Carmen Martín Gaite, Nikos Gatsos, Jura Soyfer, Bjørnstjerne Bjørnson, Joel Chandler Harris

De Franse theaterauteur Georges Feydeau werd geboren op 8 december 1862 in Parijs. Zie ook alle tags voor George Feydeau op dit blog.

Uit: Par la fenêtre

“Scène II
Hector, Emma
Emma, très agitée. — Ah ça ! vous n’entendiez donc pas ?
Hector, gracieusement. — Parfaitement, madame, mais…
Emma, l’imitant. — Parfaitement, madame, mais… Imbécile, va !
Elle passe devant lui, va à la fenêtre et regarde à travers les carreaux.
Hector. — Hein ! (A part.) Eh bien, si c’est pour me dire des choses comme celles-là qu’elle vient me voir !
(Haut.) Pardon, madame, mais…
Emma, sans se déranger. — Allons, vite ! Votre maître !
Hector. — Mon maître ? c’est moi, madame.
Emma, de même, et haussant les épaules. — Comment c’est vous ! Ah ! ça, vous êtes fou !
Hector, ôtant son tablier et remettant sa redingote. — Non, madame, je suis avocat !
Emma, se retournant. — Avocat !
Hector. — Oui, madame.
Emma, descendant. — Comment, c’est vous qui…
Hector. — Oui madame.
Emma. — Oh ! Monsieur ! que d’excuses ! Et moi qui vous ai traité d’imbécile !
Hector, gracieusement. — Oh ! mon Dieu, quand on ne connaît pas les gens !
Emma. — Recevez toutes mes excuses !
Hector, saluant. — Oh ! madame !… tout à votre service. Mais pourrais-je savoir ce qui me vaut l’honneur ?
Emma. — Voilà, monsieur.
Elle ôte son chapeau et son manteau qu’elle pose sur une chaise, à gauche.
Hector, à part. — Hein !… Eh ! bien, elle s’installe ? Sapristi !… et moi qui n’ai pas déjeuné !
Emma, très agitée. — Monsieur !…”

 
Georges Feydeau (8 december 1862 – 5 juni 1921)
Portret door Carolus-Duran, z.j.

Doorgaan met het lezen van “Georges Feydeau, Horatius, Carmen Martín Gaite, Nikos Gatsos, Jura Soyfer, Bjørnstjerne Bjørnson, Joel Chandler Harris”

Jamal Ouariachi

De Nederlandse schrijver Jamal Ouariachi werd geboren in Amsterdam op 8 december 1978. Ouariachi heeft een Nederlandse moeder en een Marokkaanse vader. Hij doorliep het Barlaeus Gymnasium, tot hij daar halverwege de vijfde klas van verwijderd werd. Tussen 2000 en 2008 studeerde hij psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Een tijd lang was hij werkzaam als (online) therapeut. Tegenwoordig is hij fulltime schrijver. In augustus 2010 debuteerde Ouariachi bij uitgeverij Querido met de roman “De vernietiging van Prosper Morèl”. Een verhaal van zijn hand, “Zopor”, verscheen in de bloemlezing “Agents-Provocateurs: 20 onder 35” (2011), een selectie van de origineelste jonge schrijvers van nu. Verder schreef hij verhalen, artikelen en polemieken voor onder meer nrc.next, HP/De Tijd, De Revisor en Knack.

Uit: De Vernietiging van Prosper Morèl

“Hooghartig rees het gebouw boven de oude stad uit, met een vanzelf- sprekendheid, alsof het daar altijd gestaan had, alsof niet eerst de stad, maar eerst het gebouw er was geweest.
‘Dames en heren,’ zei de gids in Nederlands gekleurd Engels, ‘soms groeit een bouwwerk uit tot het logo van de stad waar het zich bevindt. Ik noem een Eiffeltoren… een Brandenburger Tor… de Akropolis, het Kremlin… of voor de Amerikanen onder u: het Empire State Building, of het Capitool.’
Wij knikten, ja, die namen kenden we wel. Ons, fervente stedenreizigers, veelal gepensioneerd – ons hoefde je niets te vertellen, we waren mensen van de wereld, we hadden heel wat gezien.
‘Stuk voor stuk iconen,’ zei de gids. ‘Bouwwerken die méér zijn dan een cliché op een ansichtkaart. Ze zijn synoniem geworden aan hun thuishaven. Denk je aan het bouwwerk, dan denk je aan de stad, en omgekeerd.’
Wij kregen een ogenblik de tijd om dit filosofische inzicht te ver- werken. Achter ons op de kade raasde het verkeer voorbij, terwijl van voren een stevige wind ons in het gezicht blies.
‘But!’ ging hij verder, met een dreigende vinger in de lucht. ‘Hoe zit het met Amsterdam? Wat is dat ene unieke bouwwerk dat wij met Amsterdam vereenzelvigen?’ Zijn retorische blik ging als een zoeklicht de kring rond.
Een Amerikaanse dame van minstens tachtig waagde het om haar hand op te steken en te vragen: ‘Well, how about the canals?’
Ja, daar had ze een punt. Alle blikken richtten zich nu verwachtingsvol op de gids. Die plukte met een smalende glimlach aan zijn opzichtige, gele vlinderdasje en antwoordde kalmpjes: ‘Of course… de grachten zijn wereldberoemd… Wie kent ze niet? Maar wat zijn het?”

 
Jamal Ouariachi (Amsterdam, 8 december 1978)