Botho Strauß, Frédéric Leroy, Ann Patchett, Hein Boeken, T. C. Boyle

De Duitse schrijver Botho Strauß werd geboren op 2 december 1944 in Naumburg an der Saale. Zie ook alle tags voor Botho Strauß op dit blog.

Uit: Lichter des Toren

„Mit seinem Bruder, einem Kretin, ging der Junge die Landstraße hinaus. Wie steif und verordnet er schritt! Nicht mal hätte man sagen können, wer von beiden der Ältere war, der Begleiter oder das rundköpfige, tapsige Wesen, das er ausführte, eines von seinem eigenen Fleisch und Blut. Der Idiot hielt den Kopf gesenkt, und es lächerte ihn grundlos, im wesentlichen und schlechthin. Der Imbezille ist jemand ohne Stab (bacillum). Der gerade Bruder war ihm einer, er ging bei ihm eingehängt. Manchmal zuckte der Gerade mit dem Arm, so wie eine steife Gattin ihren betrunkenen Mann vom Torkeln abhält und an sich zieht. Ja, er riß sogar an ihm und zerrte ihn in einen festeren Schritt. Doch der Schwachsinnige unterbrach sich nur kurz und begann sogleich wieder sein hohes, wimmerndes Kichern, als wär’s die einzige Äußerung, Belustigt sein, die sich ihm gleichsam von Gott mitgeteilt hatte über die Menschen, die einzige zu mindest, die ihn in eine höhere Übereinstimmung zu versetzen schien. Es war beinah, als diene er einem leisen Dauergelächter, das aus den Sphären über die Erde erging, als Medium. Als wäre er willenlos wie eine Muschel bereit zum ewigen Wiedertönen. Unterwegs griff der Junge, der zum Ausgang mit dem Idioten angestellte Bruder, in seine Hosentasche, nahm ein großes Taschen tuch heraus und ließ den Kichernden sich darin schneu zen, so wie Mütter es mit rotztriefenden Kindern tun. Und gerade hierin, wie also der Bruder vor sich und den Leuten im Dorf den überlegenen Erwachsenen hervorkehrte, unbeholfen und geniert, hätte es für den Betreuten einen unmittelbaren Kitzel zum Kichern gegeben. Doch der Idiot ward ja aus unendlicher Ferne belustigt und spürte neben sich gar nichts“.

 
Botho Strauß (Naumburg, 2 december 1944)

 

De Vlaamse dichter Frédéric Leroy werd geboren op 2 december 1974 in Blankenberge. Zie ook alle tags voor Frédéric Leroy op dit blog.

Olijfgeheugen

Jij, vlijmscherp uitgelijnd
op giftig azuur, koppig
en verstard vormenspel,
amalgaam van molm,
versteende stof en zilver,
schenk mij van je vruchten
de bitterste,
opdat ik herinneren zou
hoe de strijd gestreden werd,
paarden waren er, weet ik nog,
besmeurd met bloed en slijk.
Het wordt me duidelijk,
stilaan: alles is een leugen,
er was geen tijd
vóór jou tijd.

 

Ochtendritueel

Men had dauw op de lippen.

Met het aanbreken van de dag begon ook
het uitwisselen van geschenken.

Alsof we door geven en nemen
gelijken zouden worden.

Ik, naakt als gras
en onthutst dat te zijn,
had niets te geven,
ontving slechts

een zelfontworpen woord
buiten beschouwing gelaten.

 

Harde klinkers

Er staat iets te gebeuren: alsof
vandaag het wereldverhaal in de aarde
zelf besloten ligt, elke steen, elke kiezel
een letter wil zijn, elke straat of gevel een zin,
een richting, een al dan niet doodlopend eind.

Geen slecht woord meer
over de stenen: elke klinker is nu bruikbaar
om ruiten in te gooien, schedels te breken.

Er staat geschreven en er wordt gefluisterd.

Er staat geschreven dat er wordt gefluisterd.

Commando’s sluipen oren binnen, stampen
deuren in. Iemand knielt op het voetpad en leest met ongeloof
de stoeptegels. Een familie woorden kruipt uit het asfalt,
gaat neuriënd op wandel en een manifest welt op uit de rioolgaten.
Iemand luistert aandachtig naar de stank, grift op de vensterbank
van het postkantoor met een vingernagel nauwgezet
een spijkerschrift in opgedroogde duivenstront.

De kasseien hebben bloed gedronken.

Een priester sluit de boeken

 
Frédéric Leroy (Blankenberge, 2 december 1974)
Blankenberge, de pier

 

De Amerikaanse schrijfster Ann Patchett werd geboren in Los Angeles op 2 december 1963. Zie ook alle tags voor Ann Patchett op dit blog.

Uit: The Getaway Car

“In my junior year of college, I studied with Grace Paley. The fact that I even met Grace Paley, much less sat in her classroom for an entire year, is a wonder to me even now. There was no better short story writer, and very possibly no better person, though she would smack me on the head with a newspaper were she around to hear me say such a thing. (Interested in being a better writer? Go buy yourself a copy of The Collected Stories by Grace Paley.) The lesson that Grace taught was a complicated one, and I will admit I had been out of her class for a couple of years before I fully understood all she had given me. I was used to Allan Gurganus, who was as diligent a teacher as he was a writer. He was where he said he would be at the appointed minute, our manuscripts meticulously commented on in his trademark brown ink. He gave assignments and picked readings that spoke directly to our needs. But when we went to Grace’s classroom, there was often a cancellation notice taped to the door: GRACE HAS GONE TO CHILE TO PROTEST HUMAN RIGHTS VIOLATIONS or something of that nature. Or I would be sitting outside her office for our scheduled conference but the door stayed closed. I could hear someone in there, and frequently that someone was crying. After half an hour or so, Grace would pop her head out, telling me very kindly that I should go. “She’s having troubles,” she would say of that unseen person who had arrived before me. If I held up my poor little short story, a reminder of why I was there, she would smile and nod. “You’ll be fine.”

 
Ann Patchett (Los Angeles, 2 december 1963)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hein (Hendrik Jan) Boeken werd geboren in Amsterdam op 2 december 1861. Zie ook alle tags voor Hein Boeken op dit blog.

O dooi-wind

O dooi-wind, dooi-wind, dooi, o wind, o dooi!
Gij die van ’t zuiden aanvliegt, maak, o maak
Dat al, wat stokte, weer op gang geraak’,
Dat al wat dor is, word’ weer mooi!

– Ik ruik de geur alreê van gras en hooi
Uit gras en zooi – en dat weer ’t al ontwaak
Tot nieuwe muziek en zangerig vermaak,
Dat ook ikzelf uit kille koude ontdooi!

Ik zie u vliegen voor de grauwe maandag
In wilde jacht van draderige wolken,
Al voort, al voort – wat is het dat u jaagt?

Hoe lief dat gij verlaat de blauwe baan
Der zuider zee, tot troost der noordse volken,
En lokt u niet wat gij in ’t zuiden zaagt?

 

Interview

Een interview? Waartoe? ‘k Beeld nu al jaren,
— En ’t laatst wel ’t meest en nooit zo ongestoord –
In rijm, onrijm, met ’t uitgezochtste woord
De stemmingen, die door mij henen varen;

En al de beelden grijp ik bij de haren,
Die ‘k kan verpraaien van mijn kapersboord,
En ook begint — onlangs heb ik ’t gehoord —
Mijn duistre Stijl, goddank! wat op te klaren.

Nu wilt gij van mij horen. ‘Die of die,
Mijn meester is ‘t’. ”k Heb alles uit mij zelven’.
Of. ‘Dichters moeten leren mythlogie,
Historie, Grieks’. Of: ‘Laten zij maar delven
in ’t eigen hart’. Neen, vriend, ik zie u garen
Eens bij geval, ’t examen wil mij sparen.

 
Hein Boeken (2 december 1861 – 19 oktober 1933)

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Coraghessan Boyle werd geboren op 2 december 1948 in Peekskill, New York. Zie ook alle tags voor T. C. Boyle op dit blog.

Uit: The Tortilla Curtain

“He threw an uneasy glance at the bushes, then worked his way along the passenger side to the rear, expecting the worst, the bleeding flesh and hammered bone, sure now that the man must have been trapped under the car.  Stooping, palm flat, one knee in the dirt, he forced himself to look.  Crescendo and then release: nothing there but dust and more dust.
The license plate–PILGRIM–caught the sun as he rose and clapped the grit from his hands, and he looked to the bushes yet again.  “Hello!” he cried suddenly over the noise of the cars flashing by in either direction.  “Is anybody there?  Are you okay?”
He turned slowly round, once, twice, as if he’d forgotten something–a set of keys, his glasses, his wallet–then circled the car again.  How could no one have seen what had happened?  How could no one have stopped to help, bear witness, gape, jeer–anything?  A hundred people must have passed by in the last five minutes and yet he might as well have been lost in the Great Painted Desert for all the good it did him.  He looked off up the road to the bend by the lumberyard and the grocery beyond it, and saw the distant figure of a man climbing into a parked car, the hard hot light exploding round him.  And then, fighting down the urge to run, to heave himself into the driver’s seat and burn up the tires, to leave the idiot to his fate and deny everything–the date, the time, the place, his own identity and the sun in the sky–Delaney turned back to the bushes.  “Hello?” he called again.
Nothing.  The cars tore past.  The sun beat at his shoulders, his neck, the back of his head.
To the left, across the road, was a wall of rock; to the right, the canyon fell off to the rusty sandstone bed of Topanga Creek, hundreds of feet below.  Delaney could see nothing but brush and treetops, but he knew now where his man was–down there, down in the scrub oak and manzanita.  The high-resin-compound bumper of the Acura had launched that sad bundle of bone and gristle over the side of the canyon like a Ping-Pong ball shot out of a cannon, and what chance was there to survive that?  He felt sick suddenly, his brain mobbed with images from the eyewitness news–shootings, stabbings, auto wrecks, the unending parade of victims served up afresh each day–and something hot and sour rose in his throat.  Why him?  Why did this have to happen to him?”

 
T. C. Boyle (Peekskill, 2 december 1948)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e december ook mijn blog van 2 december 2011 deel 2.