Hans Warren, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek (Deel 20, 1996-1998)

“27 nov. — 14.15 (…) Inmiddels waren ook de sapeur-pompiers er, een hele groep. Iedereen was uiterst aardig en hulpvaardig, er was een ventje bij, nog zo jong dat het me ontroerde, telkens vroeg hij of het toch ging. Ik werd op de voor mij te korte brancard gehesen, naar buiten gedragen en in de ambulance geschoven. Wat een marteling! Het sidderen van de motor, het ongelijke plaveisel in het hartje van Parijs, m’n hoofd dat geen steun had, de bochten. M’n angst in het ziekenhuis: ik wil naar huis, hoe kom ik nu toch nog thuis, arme Mario, hoe regel jij alles, hij kan niet zonder eten en het is al zo laat.

De dokter begon met vast te stellen: ‘Vous travaillez encore?’ Het eindigde ermee dat hij hoogstpersoonlijk m’n sokken weer aantrok. Ik moest allerlei komische oefeningen doen, onder andere met m’n armen zwaaien en dan met de wijsvinger m’n neuspunt raken, eerst met open, vervolgens met gesloten ogen. En je bent enorm trots als het je lukt en zo blij als een kind, want: ‘Cher docteur, je ne dois pas être hospitalisé?’ ‘Non, m.Warren, vous pouvez rentrer à la maison.’ Hij zal niet geweten hebben dat het minstens vier uur rijden was.
De ruzie, het is zo pijnlijk. Pas nu besef ik hoe diep M. is geschokt, hoe een traumatische ervaring het voor hem is geweest. Hij bleef maar vragen hoe het toch kwam dat ik viel. Ik zei dat het aan de al te drukke dag lag, dat daardoor m’n aandacht was verslapt. M. leidde eruit af dat ik hém de schuld gaf. Ik zei dat het onzin was, maar dat hij in m’n dagboek zou kunnen lezen hoe ik tegen zulke dagen opzag. Hij zei dat ik moest beloven niet meer te vallen. De verwijten begonnen te verscherpen, ik sloeg door, vloekte en schold: ‘Gooi me er maar uit.’ Het eindigde in een huilbui op een parkeerplaats, 400 kilometer van huis. En ik hield van hem, ik voelde hoe hij van mij hield. Bij Seclin probeerden we een sandwich te eten, het smaakte ons geen van beiden, maar M. kan nu eenmaal niet zonder brandstof.
Het gaat goed, maar als ik mezelf in de spiegel bekijk, schrik ik. En zo ziet M. me natuurlijk. Hij raakt me telkens bezorgd aan en liefkoost me: ‘Dit mag nooit meer gebeuren, beloof me toch dat je nooit meer zult vallen.’ Hij heeft het honderden keren gesmeekt, maar hoe kan ik dit beloven? Ik kan alleen zo goed mogelijk oppassen, en dat deed ik altijd al.”

 

Ik lieg

Ik heb je lief, ik lieg.
Je geur bedwelmt me.
Kom niet nog nader,
je geur stoot me straks af.
Nu heet je zo, morgen heet je anders.
Ik vlucht omdat je bent
wie je bent, lijfelijk, lawaaierig, te jong.
Ik heb je niet lief, ik lieg.

 

Adieu

Je leek een Florentijnse doodspage
met je sluike, halflange haar,
je matte, sombere gelaat,
je engsluitende zwarte tuniek
zelfs je ogen schenen git.
Je zong met een metalen alt.
Ik kon mijn ogen niet van je afhouden
en jij keek telkens terug tot ik bloosde.

Na het concert bleek je een banale
Engelse jongen van een jaar of zeventien
met grijze ogen en een diepe spreekstem.
Je was gewillig en je stonk een beetje.
Je hebt tegen me geglimlacht
toen we elkaar de volgende dag herkenden
en in Dordrecht, tijdens een maartse bui
zijn we voorgoed uit elkaar geregend.

 

Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)

Continue reading “Hans Warren, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek”

Robert Pinsky, John von Düffel, Theresia Walser, O. P. Zier, Belle van Zuylen, Lewis Grizzard

De Amerikaanse dichter, vertaler en essayist Robert Pinsky werd geboren op 20 oktober 1940 in Long Branch, New Jersey. Zie ook alle tags voor Robert Pinsky op dit blog en ook mijn blog van 20 oktober 2010

 

 

Samurai Song

When I had no roof I made
Audacity my roof. When I had
No supper my eyes dined.

When I had no eyes I listened.
When I had no ears I thought.
When I had no thought I waited.

When I had no father I made
Care my father. When I had
No mother I embraced order.

When I had no friend I made
Quiet my friend. When I had no
Enemy I opposed my body.

When I had no temple I made
My voice my temple. I have
No priest, my tongue is my choir.

When I have no means fortune
Is my means. When I have
Nothing, death will be my fortune.

 

 

BIOGRAPHY

Stone wheel that sharpens the blade that mows the grain,
Wheel of the sunflower turning, wheel that turns
The spiral press that squeezes the oil expressed
From shale or olives. Particles that turn to mud
On the potter’s wheel that spins to form the vessel
That holds the oil that drips to cool the blade.

My mother’s dreadful fall. Her mother’s dread
Of all things: death, life, birth. My brother’s birth
Just before the fall, his birth again in Jesus.
Wobble and blur of my soul, born only once,
That cleaves to circles. The moon, the eye, the year,
Circle of causes or chaos or turns of chance.

The line of a tune as it cycles back to the root,
Arc of the changes. The line from there to here
Of Ellen speaking, thread of my circle of friends,
The art of lines, chord of the circle of work.
Radius. Lives of children growing away,
The plant radiant in air, its root in dark.

 

Robert Pinsky (Long Branch, 20 oktober 1940)

Continue reading “Robert Pinsky, John von Düffel, Theresia Walser, O. P. Zier, Belle van Zuylen, Lewis Grizzard”