100 Jaar Simon Carmiggelt, James Whitcomb Riley, Thomas Keneally

100 Jaar Simon Carmiggelt

 

De Nederlandse schrijver en dichter Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Dat is vandaag precies 100 jaar geleden. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Simon Carmiggelt op dit blog.

 

Uit: Dagboek van een lezer

 

“Jammer dat noodweer en overstromingen ons verhinderden met vakantie naar Zwitserland te gaan. Want ik had zo graag in Zürich een das willen kopen.

Ik wilde het doen in de winkel ‘London House’ in de Bahnhofstrasse. Niet omdat er dassen worden verkocht die je nergens anders kopen kunt. Maar om, met een geldig alibi, het decor te zien van een kleine, veelbetekenende gebeurtenis die zich daar aan het eind van de jaren dertig heeft afgespeeld. Op een boven-etage van het ‘London House’ stond de schrijver Thomas Mann een pak te passen. De chef verkoper kwam naar hem toe en zei: ‘Weet u wie er beneden is? Gerhart Hauptmann. Wilt u hem spreken?’

‘Och,’ antwoordde Thomas Mann, ‘we kunnen beter andere tijden afwachten.’ Waarop de verkoper sprak:

‘Dat zei meneer Hauptmann ook al.’

Deze anecdote staat in ‘Meine ungeschriebenen Memoiren’, die Katia, de weduwe van Thomas Mann op hoge leeftijd publiceerde.

In het Nederlands verscheen dit (alleraardigste) boek onder de titel ‘Herinneringen aan de tovenaar’. Waarom kwam de tovenaar van ‘De Toverberg’ en ‘Buddenbrooks’ niet naar beneden om de andere tovenaar, die ééns het opstandige toneelstuk ‘De wevers’ had geschreven, de hand te schudden? Ze kenden elkaar toch zo goed van vroeger. Maar in het ‘London House’ te Zürich versperde Hitler de trap tussen de etages. Thomas Mann had verkozen buiten het nationaal-socialistische Duitsland te leven. Hauptmann was er gebleven en had zelfs – volgens Alfred Kerr – op het kasteel dat hij bewoonde de hakenkruisvlag gehesen. Daarom ging Thomas de trap niet af en Gerhart de trap niet op.”

 


Zürich, Bahnhofstrasse, op een oude ansichtkaart

 

 

Uit: Brieven aan Gerard Reve

 

“15 juni 1971

(…) Je omgang met mijn onderkoning Alkohol vond ik hoogst aangenaam. Dat je, in deze, handelt onder de geruisloze en tactvolle regie van de jongens, lijkt me meer dan verstandig. Alle lust wil eeuwigheid. Maar de eeuwigheid is zo lang en moeilijk in flessen uit te drukken. Als je mensen die je dierbaar zijn toestaat je eeuwigheid te splijten in wat de Sterreclame voor hondevoer zo treffend ‘hapklare brokken’ noemt, zit je eigenlijk op fluweel. Maar je hebt gelijk: drink nooit in gezelschap van lieden, die je zó weerzinwekkend of alleen maar stomvervelend vindt, dat ze je doen verdwijnen in de damp uit je glas. Als ik, lang geleden, op de Kring kwam, waren een paar daar zittende smoelen, in staat me binnen twee minuten bezinningloos beschonken te maken, voordat ik één slok genomen had. De lucht die er hing maakte me al wankel ter been. Drank is een geheimzinnige vloeistof. Er bestaat niet zoiets als te veel drinken. Wel: ten ongepaste tijde, onder noodlottige omstandigheden en in verkeerd gezelschap drinken.

Je tijdens ons gesprek gedane mededeling dat je heftige woedeaan-vallen gewoon voortkomen uit een gebrek aan enige milligrammen vitamine b werkte, toen ik er over nadacht, op mij tegelijk opluchtend en ontluisterend. Dus geen edele verontwaardiging, doch gewoon een tekortschieten van de apotheek. Het lichaam manipuleert de geest. Ik herinner me ook eens een artikel te hebben gelezen van een medicus, waarin stond dat Marcellus Emants, die altijd over koude voeten klaagde, waarschijnlijk leed aan een ernstige stoornis in de bloedsomloop, die de bodemloze somberheid van zijn oeuvre verklaarde. Van een andere medicus heb ik, in mijn jeugd, eens gelezen dat het hele Marxisme voortkwam uit de maagzweer van Marx. Had hij alleen maar zweetvoeten gehad, dan zat vadertje Czaar dus nog waardig op zijn troon, zoals dat behoort.”

 

 

Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

Simon Carmiggelt en Gerard Reve, cover Hollands Diep

Doorgaan met het lezen van “100 Jaar Simon Carmiggelt, James Whitcomb Riley, Thomas Keneally”

Dirkje Kuik, Steven Erikson, Wilhelm Müller

De Nederlandse schrijfster en beeldend kunstenares Dirkje Kuik werd geboren in Utrecht op 7 oktober 1929. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Dirkje Kuik op dit blog.

 

 

 

Willem D. Kuik. Villa Hadriana, 1967

 

 

Nature Morte

Stil eenzelvig oerwoud
voor het bijziend oog.
Verdorde pluimen reizen uit het vuilig
water van het glas.
Terzijde wacht het peloton.
Drie uien, walmlamp, bokking een afgerond bederf,
de resten van een winterjan,
de medicijnfles korporaal.
Een ereprijs in olieverf
van stoffig leven.

 

 

Dirkje Kuik (7 oktober 1929 – 18 maart 2008)

Doorgaan met het lezen van “Dirkje Kuik, Steven Erikson, Wilhelm Müller”

Rachel Kushner

 

De Amerikaanse schrijfster Rachel Kushner werd geboren op 7 oktober 1968 in Eugene, Oregon en verhuisde naar San Francisco in 1979. Zij studeerde af aan de Universiteit van Californië, Berkeley en behaalde haar Master of Fine Arts in creatief schrijven aan de Columbia University in 2001. Na haar MFA woonde Kushner 8 jaar in New York City, waar zij redacteur was van de tijdschriften Grand Street en BOM. Zij schreef veel over hedendaagse kunst, waaronder tal van artikelen in Artforum. Ze is momenteel redacteur van Soft Targets, een tijdschrift over kunst, fictie en poëzie. Kushners meest recente roman “The Flamethrowers” werd in april 2013 gepubliceerd door Scribner. “The Flamethrowers” was finalist voor de 2013 National Book Award en werd uitgeroepen tot een top boek van 2013 door New York Magazine, Time Magazine, The New Yorker, O, The Oprah Magazine, New York Times Book Review, New York Times ‘Dwight Garner, Los Angeles Times, San Francisco Chronicle, Vogue, Wall Street Journal, Salon, Slate, Daily Beast, Flavorwire, The Millions, The Jewish Daily Forward en Austin American-Statesman. Kushner ’s eerste roman “Telex from Cuba” werd in juli 2008 gepubliceerd door Scribner. “Telex from Cuba” was finalist voor de 2008 National Book Award.

Uit: The Flamethrowers

“I walked out of the sun, unfastening my chin strap. Sweat was pooling along my collarbone, trickling down my back and into my nylon underwear, running down my legs under the leather racing suit. I took off my helmet and the heavy leather jacket, set them on the ground, and unzipped the vents in my riding pants.
I stood for a long time tracking the slow drift of clouds, great fluffy masses sheared flat along their bottom edges like they were melting on a hot griddle.
There were things I had no choice but to overlook, like wind effect on clouds, while flying down the highway at a hundred miles an hour. I wasn’t in a hurry, under no time constraint. Speed doesn’t have to be an issue of time. On that day, riding a Moto Valera east from Reno, it was an issue of wanting to move across the map of Nevada that was taped to my gas tank as I moved across the actual state. Through the familiar orbit east of Reno, the brothels and wrecking yards, the big puffing power plant and its cat’s cradle of coils and springs and fencing, an occasional freight train and the meandering and summer-shallow Truckee River, railroad tracks and river escorting me to Fernley, where they both cut north.
From there the land was drained of color and specificity, sage-tufted dirt and incessant sameness of highway. I picked up speed. The faster I went, the more connected I felt to the map. It told me that fifty-six miles after Fernley I’d hit Lovelock, and fifty-six miles after leaving Fernley I hit Lovelock. I moved from map point to map point. Winnemucca. Valmy. Carlin. Elko. Wells. I felt a great sense of mission, even as I sat under a truck stop awning, sweat rolling down the sides of my face, an anonymous breeze, hot and dry, wicking the damp from my thin undershirt. Five minutes, I told myself. Five minutes. If I stayed longer, the place the map depicted might encroach. A billboard across the highway said schaefer. when you’re having more than one.”

 

 
Rachel Kushner (Eugene, 7 oktober 1968)