Dolce far niente (A Summer Invocation, Walt Whitman)

Dolce far niente

 

 

Feodor Vasilyev, Warme zomerdag, 1869

 

 

A Summer Invocation

 

Thou orb aloft full dazzling,

    Flooding with sheeny light the gray beach sand;

Thou sibilant near sea, with vistas far, and foam,

    And tawny streaks and shades, and spreading blue;

Before I sing the rest, O sun refulgent,

    My special word to thee.

 

Hear me, illustrious!

    Thy lover me—for always I have loved thee,

Even as basking babe—then happy boy alone by some wood edge—thy touching distant beams enough,

    Or man matured, or young or old—as now to thee I launch my invocation.

(Thou canst not with thy dumbness me deceive.

    I know before the fitting man all Nature yields.

Though answering not in words, the skies, trees, hear his voice—and thou, O sun,

    As for thy throes, thy perturbations, sudden breaks and shafts of flame gigantic,

I understand them—I know those flames, those perturbations well.)

 

Thou that with fructifying heat and light,

    O’er myriad forms—o’er lands and waters, North and South,

O’er Mississippi’s endless course, o’er Texas’ grassy plains, Kanada’s woods,

    O’er all the globe, that turns its face to thee, shining in space,

Thou that impartially enfoldest all—not only continents, seas,

    Thou that to grapes and weeds and little wild flowers givest so liberally,

Shed, shed thyself on mine and me—mellow these lines.

    Fuse thyself here—with but a fleeting ray out of thy million millions,

Strike through this chant.

 

Nor only launch thy subtle dazzle and thy strength for this;

    Prepare the later afternoon of me myself—prepare my lengthening shadows.

Prepare my starry nights.

 

 

 

Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893)

Portret door Thomas Cowperthwaite Eakins, 1887

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 21e juli ook mijn blog van 21 juli 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Julius Sturm

De Duitse dichter Julius Carl Reinhold Sturm werd geboren op geboren 21 juli 1816 in Koestritz. Sturm bezocht vanaf 1829 het Gymnasium Rutheneum in Gera, voordat hij in 1837 theologie begon te studeren aan de Universiteit van Jena. Vanaf 1841 begon hij als leraar te werken in Heilbronn. In 1844 werd hij benoemd als opvoeder en docent van kroonprins Heinrich XIV Reuss j. L. Omwille daarvan was hij gedeeltelijk verbonden aan het gymnasium in Meiningen. In 1844 gaf hij zijn eerste boek “Neue Märchen für die Jugend” uit, onder het pseudoniem Julius Stern. In 1851 werd hij predikant in Göschitz Schleiz en hij eindigde in 1857 als pastor in Koestritz. In 1885 werd hij ereburger van Koestritz. Ter gelegenheid van zijn pensionering ontving hij in hetzelfde jaar 1885 de titel Geheimer Kirchenrat. Sturm was een van de belangrijkste dichters van de late Romantiek. Hij schreef vele gedichten en proza ​werken en publiceerde ongeveer 30 boeken .

Am Abend

Der Blüthenbaum durchhaucht mit Duft
Die linde, weiche Abendluft,
Der ich die Brust erschlossen;
Mein Herz wie eine Knospe liegt
In Blüthenträume eingewiegt,
Von Blüthenduft umflossen.

Da blickt der Mond in’s stille Thal
Und kaum hat sich sein milder Strahl
In meine Brust ergossen,
Als auch mein Herz, vom Traum erwacht,
In heiligstiller Mondscheinnacht
Als Blüthe sich erschlossen.

 

Lied

Die Quelle blinkt so klar und rein
Im Sonnenschein;
Doch tausendmal so hell und klar
Blinkt meiner Liebsten Augenpaar.

Ein frisch erblühtes Röslein steht
Im Gartenbeet;
Die Wange meiner Liebsten glüht
Noch schöner, als das Röslein blüht.

Die Sonne, die am Himmel rollt,
Spinnt klares Gold;
Doch was sie spinnt, ist nicht so klar,
Als meiner Liebsten goldnes Haar.

Im Busche schlägt die Nachtigall
Mit süßem Schall;
Doch tönt so süß ihr Flöten nicht,
Als wenn mein Lieb, ich liebe dich, spricht.

 

 
Julius Sturm (21 juli 1816 – 2 mei 1896)