Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

 

Uit: Het wilde westen

“Jennen, treiteren, uitdagen
In de Volkskrant omschreef een politicoloog de favoriete activiteiten van de hooligan als ‘elkaar jennen, treiteren en uitdagen’. De bewoordingen leggen onbedoeld de jarenlange onverschilligheid over de voetbalterreur bloot.
Officier van justitie:’U stak het slachtoffer Carlo Picornie neer op het grasland bij Beverwijk? Hoe zou u dat zelf omschrijven?’
Verdachte:’Dat wil ik geen geweldpleging of doodslag noemen, edelachtbare. Ik was hem gewoon aan het jennen met mijn mes. Daarna treiterde ik hem bij zijn halsslagader. Je mag iemand toch wel uitdagen?’
Officier:’Natuurlijk mag dat. Maar wilt u nooit meer naar bioscopen bellen en lelijke dingen zeggen?’
Het moeten merkwaardige tijden zijn voor de Nederlandse hooligan. Je vermaakt je sinds jaar en dag met het molesteren van je tegenstanders, de sloop van NS-treinen; met messentrekken en intimidatie, bedreiging van voetbaljournalisten, vernielen van auto’s, cafés, en niet te vergeten met het oproepen tot haat en geweld. Niemand die je ooit écht een strobreed in de weg heeft gelegd. Hooguit loop je per abuis eens tegen een taakstrafje op, zodat je van een doorgetherapeutiseerde rechter een week lang auto’s moet wassen of de krant moet rondbrengen. Maar dan bel je als trotse bezitter van een crimineel curriculum vitae eens een keer een Utrechtse bioscoopexploitant op met de mededeling dat je de boel komt verbouwen zodra de ‘jodenfilm’ over Ajax wordt vertoond, en wat gebeurt er? Dán is ineens heel weldenkend Nederland in rep en roer. Alsof de Hakkelaar na een loopbaan van drugshandel, wapenbezit, liquidaties en ontvoering pas een kritieke grens passeert wanneer hij de uitbater van de Godfather IV met een oorveeg dreigt.
Zolang hooligans elkáár naar het leven staan is er kennelijk niets aan de hand. Dan leggen politie en justitie rondom voetbalvelden hagen van containers aan, sleuven van kooien waardoorheen de bloeddorstige supportlegers moeten worden geleid onder toezicht van stewards en ME’ers die een kruidenvrouwtjescursus ‘Conflictbeheersing’ hebben gevolgd. Krakers, EU-demonstranten en ander rapaille zijn er om weg te knuppelen, de hooligan moet je ‘begeleiden’. [..]
Ad Melkert waarschuwt nog één keer. Je voelt de siddering langs het ruggenmerg van de hooligan gaan.”

 

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

 

De Nederlandse dichter Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Zie ook alle tags voor Toon Tellegen op dit blog.

 

Eerste dag van de herfst
voor Mano

Het was een warme avond,
mensen zaten op balkons, leunden uit ramen,
en iemand riep:
‘Weten jullie wat er nu gebeurt?’
‘Nee.’
‘Iets bijzonders, iets heel bijzonders…!’

iedereen probeerde het te raden,
gedachten kraakten,
harten bonsden,
nú gebeurt er dus iets…iets heel bijzonders…

de wind stak op
bomen lieten hun eerste bladeren los:
de herfst begon

– maar dat was het niet,
nee, dát was het niet –

en het werd donkerder,
jij werd geboren.

 

Verdrietig kind, verdrietig gedicht

Ik ben de herfst.
Ik ben de regen.
Ik ben de storm.

Zoek mij maar op,
ik sta in alle gedichten.

Houd mij maar vast,
ik heb het koud en ik ben moe,
en nog zoveel bladeren aan de bomen,
nog zoveel bladeren overal.

 

Er zijn uren

Er zijn uren
Zonder jou. Soms. Misschien. Het is denkbaar.
Er zijn rivieren met oevers vol boterbloemen
Zonder jou.
Er zijn wegen zonder jou. Zijwegen, ongelukken,
greppels.

Vlinders zonder jou zijn er, distels. Ontelbare.
Er is mismoedigheid zonder jou. Laksheid. Angstvalligheid.
En er gaat geen uur voorbij,
Er is nog geen uur voorbijgegaan.

Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)

 

De Duitse schrijver Klaus Mann werd op 18 november 1906 geboren in München als oudste zoon van Thomas en Katia Mann. Zie ook alle tags voor Klaus Mann op dit blog.

 

Uit: Das zwölfhundertste Hotelzimmer

“Ist die Steppdecke ganz appetitlich, garantiert frisch bezogen –

Oder ein wenig klebrig, nicht kühl genug, von verdächtiger Weichheit?

Oberkellner, schwatzest du mir zuviel, Trinkgeldlüsterner?

Oder erklärst du mir gar, daß nach zehn Uhr morgens kein Frühstück erhältlich?

(Bin ich in einem Gefängnis?)

O Heimat von drei, vier Tagen, sechs Wochen, zweieinhalb Monaten – wieviel Enttäuschungen hast du mir schon bereitet!

Wie hart und peinlich hast du sie schon bestraft, meine Unruhe, Unrast, meinen Ehrgeiz und mein Abwechslungsbedürfnis.

Und es mich als Beschämung empfi nden lassen, daß ich immer wieder zu dir zurückkehren mußte. –

Aber freilich, wieviel Gutes hast du mir schon gewährt, wieviel Rührendes, Sanftes, Aufmerksames. Laßt mich euch danken, meine zwölfhundert kleinen Heimatländer!

Ich schaue durch euch hindurch, Ihr reiht euch eins hinters andere, in unendlicher Perspektive –

Wie wenn man zwei Spiegel sich spiegeln läßt ineinander.

(Badezimmer wie Grotten der Operndekoration).

Nein, nicht wie zwei Spiegel.

So ähnlich ihr euch nun scheint, so verschieden wart ihr euch doch. Ich sehe mich durch euch hindurchgehen, Kilometer um Kilometer.

Kleiner Punkt, winzige Figur, die hartnäckig wandert, ganz allmählich herankommt;

Dort länger verweilend, dort nur sehr fl üchtig;

Plaudernd mit Zimmermädchen, mit Kellnern, Portiers,

Im Hotelzimmer lesend, schreibend, Freiübungen machend;

Viel allein, manchmal mit Besuch Tee trinkend am Tischchen (schlechtes Gebäck).”

 

Klaus Mann (18 november 1906 – 21 mei 1949)

 


De Iers-Amerikaanse dichter
Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook alle tags voor Seán Mac Fallsop dit blog.

 

In Our Bed

Times tackle on the threads.
We beat the strand seahorse
Dashed, unfurl the curling
Toes, your body twists
In the boat, only ribs
From the spirit waters.
Your fish fins from the net,
My rod pins on the pine
And the hooked meat, your barb,
Reels as it plays the swampy
Moan of the gutted bait.

 

Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

Boston

 

De Duitse dichter Richard Dehmel werd geboren op 18 november 1863 in Wendisch-Hermsdorf. Zie ook alle tags voor Richard Dehmel op dit blog.

 

Ein Stelldichein

So war´s auch damals schon. So lautlos
verhing die dumpfe Luft das Land,
und unterm Dach der Trauerbuche
verfingen sich am Gartenrand
die Blütendünste des Holunders;
stumm nahm sie meine schwüle Hand,
stumm vor Gklück.

Es war wie Grabgeruch…Ich bin nicht schuld!
Du blasses Licht da drüben im Geschwele,
was stehtst du wie ein Geist im Leichentuch –
lisch aus, du Mahnbild der gebrochenen Seele!
Was starrst du mich so gottesäugig an?
Ich brach sie nicht: sie tates selbst! Was quäle
ich mich mit fremdem Unglück ab…

Das Land wird grau; die Nacht bringt keinen Funken,
die Weiden sehn im Nebel aus wie Rauch,
der schwere Himmel scheint ins Korn gesunken.
Still hängt das Laub am feuchten Strauch,
als hätten alle Blätter Gift getrunken;
so still liegt sie nun auch.
Ich wünsche mir den Tod.

Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e november ook mijn blog van 18 november 2011 deel 2.