Friedrich Schiller, Rick de Leeuw, Jan van Nijlen, Arnold Zweig, Jacob Cats, Alejandro Zambra

De Duitse dichter en schrijver Johann Christoph Friedrich von Schiller werd geboren op 10 november 1759 in Marbach. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Friedrich Schiller op dit blog.

 

Uit: Die Räuber

“Erster Akt. Erste Scene. Franken.

Saal im Moorischen Schloß. Franz. Der alte Moor.

Franz. Aber ist Euch auch wohl, Vater? Ihr seht so blaß.

D. a. Moor. Ganz wohl, mein Sohn, – was hattest du mir zu sagen?

Franz. Die Post ist angekommen – ein Brief von unserm Correspondenten in Leipzig –

D. a. Moor (begierig). Nachrichten von meinem Sohne Karl?

Franz. Hm! Hm! – So ist es. Aber ich fürchte – ich weiß nicht – ob ich – Eurer Gesundheit? – Ist Euch wirklich ganz wohl, mein Vater?

D. a. Moor. Wie dem Fisch im Wasser! Von meinem Sohne schreibt er? – Wie kommst du zu dieser Besorgniß? Du hast mich zweimal gefragt.

Franz. Wenn Ihr krank seid – nur die leiseste Ahnung habt, es zu werden, so laßt mich – ich will zu gelegenerer Zeit zu Euch reden. (Halb zu sich.) Diese Zeitung ist nicht für einen zerbrechlichen Körper.

D. a. Moor. Gott! Gott! was werd’ ich hören?

Franz. Laßt mich vorerst auf die Seite gehn und eine Thräne des Mitleids vergießen um meinen verlornen Bruder – ich sollte schweigen auf ewig – denn er ist Euer Sohn; ich sollte seine Schande verhüllen auf ewig – denn er ist mein Bruder. – Aber Euch gehorchen, ist meine erste, traurige Pflicht – darum vergebt mir.

D. a. Moor. O Karl! Karl! wüßtest du, wie deine Aufführung das Vaterherz foltert! wie eine einzige frohe Nachricht von dir meinem Leben zehn Jahre zusetzen würde – mich zum Jüngling machen würde – da mich nun jede, ach! – einen Schritt näher ans Grab rückt!

Franz. Ist es Das, alter Mann, so lebt wohl – wir alle würden noch heute die Haare ausraufen über Eurem Sarge.

D. a. Moor. Bleib! – Es ist noch um den kleinen kurzen Schritt zu thun – laß ihm seinen Willen! (Indem er sich niedersetzt.) Die Sünden seiner Väter werden heimgesucht im dritten und vierten Glied – laß ihn’s vollenden.

Franz (nimmt den Brief aus der Tasche). Ihr kennt unsern Correspondenten! Seht! den Finger meiner rechten Hand wollt’ ich drum geben, dürft’ ich sagen, er ist ein Lügner, ein schwarzer, giftiger Lügner – – Faßt Euch! Ihr vergebt mir, wenn ich Euch den Brief nicht selbst lesen lasse – Noch dürft Ihr nicht Alles hören.

D. a. Moor. Alles, Alles – mein Sohn, du ersparst mir die Krücke.

Franz (liest). »Leipzig, vom 1sten Mai. – Verbände mich nicht eine unverbrüchliche Zusage, dir auch nicht das Geringste zu verhehlen, was ich von den Schicksalen deines Bruders auffangen kann, liebster Freund, nimmermehr würde meine unschuldige Feder an dir zur Tyrannin geworden sein. Ich kann aus hundert Briefen von dir abnehmen, wie Nachrichten dieser Art dein brüderliches Herz durchbohren müssen; mir ist’s, als säh’ ich dich schon um den Nichtswürdigen, den Abscheulichen« – – (Der alte Moor verbirgt sein Gesicht.) Seht, Vater! ich lese Euch nur das Glimpflichste – »den Abscheulichen in tausend Thränen ergossen;« – Ach, sie flossen – stürzten stromweis von dieser mitleidigen Wange – »mir ist’s, als säh’ ich schon deinen alten, frommen Vater todtenbleich« – Jesus Maria! Ihr seid’s, eh’ ihr noch das Mindeste wisset?

D. a. Moor. Weiter! Weiter!”

 

Friedrich Schiller (10 november 1759 – 9 mei 1805)

Matthias Schweighöfer als Schiller in de gelijknamige Duitse film uit 2005

 

De Nederlandse dichterschrijver, zanger en producer Rick de Leeuw werd geboren in Haarlem op 10 november 1960. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Rick de Leeuw op dit blog.

 

Een prachtige tijd

Wij, jij en ik
Jij en ik, wij
Jij vooral
Maar zeker ook ik
Wij, jij en ik
Hier samen, jij en ik
Tijd genoeg
Hier voor ons, samen
Voor jou en mij, wij
Jij en ik, samen, wij
Plek zat
Hier voor ons, samen
Voor jou en mij, wij
Jij en ik, samen, wij
Wij, jij en ik
Als nu eens heel misschien
Eerst jij, of ik natuurlijk
Heel, heel misschien
Jij en ik, ik en jij, wij
Samen, ik en jij, wij
Hier, plek zat
Tijd genoeg
Hier voor ons, samen
Voor jou en mij, wij
Jij en ik, samen, wij
Als jij en ik
Of jij misschien wel eerst
Of nee, waarschijnlijk eerst ik
Of natuurlijk samen, wij samen
Hier samen, jij en ik
Tijd genoeg, plek zat
Voor ons, jij en ik, wij
Maar voordat jij en ik
Of wie weet samen
Wij samen
Of ik niet en jij wel
Of jij niet en ik wel
Ja, ik wel
Ik wel
Ik wel


Rick de Leeuw (Haarlem, 10 november 1960)

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jan van Nijlen werd geboren op 10 november 1884 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Jan van Nijlen op dit blog.

 

Gescheiden

De zomernacht die hen zo diep ontroert
Zal hij wellicht, zij nimmermeer vergeten;
Hij was als zij: verwonderd en vervoerd,
Zij niet als hij: gepijnigd en verbeten.

Een strelende arem die om een hals zich snoert
Is wel een band, maar niet voor het geweten:
Zij kunnen zalig zijn van de aarde ontvoerd,
En verder nooit iets van elkander weten,

Maar eenmaal komt een zomernacht als deze
Dat ze in een ster of in een vogelkreet
Het uur herkennen dat geheel hun wezen

Deed rillen van een bovenaards genot,
Om te verkeren in ‘t onzegbaar leed
Der eenzaamheid. Dan zijn zij rijp voor God.

 

In memoriam J. Slauerhoff

Zeeman en dichter, zwerver en piraat,
Van ’t aangebeden en vervloekte leven
Wist je dat alles eenmaal moest begeven
In ’t wisslend lot, ook van den zeemansstaat.

Jou was de dood altijd een kameraad,
Uit ziekte was een opstand nagebleven,
Maar niet de vrees die voor het eind doet beven;
Je zei: goed heil! Het gaat zooals het gaat.

Veel verder dan de wereld wou je zwerven
Uit duistre noodzaak, niet uit vaag verdriet
Om een geluk dat toch eens zou bederven…
Je vond de rust niet, want je zocht haar niet.

– Waarom zijn dichters eiglijk nergens thuis,
Noch op een schip, noch in een koffiehuis?

 

Jan van Nijlen (10 november 1884 – 14 augustus 1965)

 

De Duitse schrijver Arnold Zweig werd op 10 november 1887 in een gematigd religieuze joodse familie geboren in Glogau, Neder-Silezië (nu Głogów, Polen). Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Arnold Zweig op dit blog.

 

Uit:Education Before Verdun (Vertaald door Eric Sutton)

Since the middle of May the battle had come to a deadlock. Now, half-way through July, its formless shape still rolled over the low ground between Fleury village and Fort Souville, bloated and beyond all human compass, a swaying, heaving mass of explosions, swaths of acrid smoke, clouds of dust, pulverized earth, and shattered stone and brick-work, riddled through and through by steel splinters and whistling bullets. At night, cloven by the flash and roar of gunfire, the rattle of machine-guns, the crash of hand-grenades, the shouts and cries of stricken men; by day, the dust of the bayonet attack, the sweat of the attackers clambering out of their trenches, the ever-increasing hordes of dead and wounded swelled the turmoil. And not here alone; on the right and left banks of the Meuse, north and south of the Somme, among the southern spurs of the Alps, and in the Bukovina, for a fortnight the locked struggle had swung back and forward; but here its deadliest work was done, in the wreckage and upheaval of a once smiling countryside; and yet, since the end of February it had covered no more than ten kilometres of French soil from end to end, and at most twenty-five kilometres in breadth. But on that field French and Germans had each left sixty thousand dead; nor were they the last. Incessantly, by day and night, the Germans hurled their grey masses forward to the attack; like an elastic band, the French gave ground and then sprang forward once again; and when they yielded, they always left a number of their men wounded or prisoners in the hands of the attackers. The earth lay like a yellow-stained, blood-soaked disc, over which arched the mousetrap of the merciless blue sky, caging humanity in with the torments of its own brutality”.

 

Arnold Zweig (10 november 1887 – 26 november 1968)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jacob Cats werd geboren op 10 november 1577 in Brouwershaven. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Jacob Cats op dit blog.

 

Het minnen is een zeldzaam spel

Het minnen is een zeldzaam spel,
Het brengt de mensen in gekwel,
het is een los en loze vond’,
het is een wezen zonder grond.
Al wat men aan de vrijers raadt
dat dunkt de jonkers enkel kwaad,
doch wat hun afgeraden werd
daarhenen wil hun grillig hert.
En wat men zo een linker biedt,
dat wil hij toch zijn leven niet;
en wat hem niet gebeuren mag,
daar haakt hij naar de ganse dag.
Roept iemand zo’n verliefde kwant,
gewis die wijkt hem van de hand,
en schoon hem iemand henen zendt,
hij is straks weder daar omtrent.
In ’t korte, ’t is een vreemde pijn
in Venus’ hof verdoold te zijn.

 

Laat uw licht schijnen onder de mensen

Vrienden, het zijn nutte zaken
Dat’er aan het dorre strand
Staat een hoog, een vierig baken,
Dat gehele nachten brandt.
Want als iemand komt gevaren
Midden uit de woeste zee
Midden uit de stoute baren,
’t Wijst het schip een goede ree.

Dit is recht het eigen wezen
Van een vroom en achtbaar man
Die ten Hemel-waarts gerezen,
Voor een baken strekken kan.
Laat u licht, ô Christen, rijzen,
Laat het schijnen over al,
Gij moet aan de wereld wijzen,
Hoe en waar men varen zal.

Jacob Cats (10 november 1577 – 12 september 1660)

 

Onafhankelijk van gebooortedata:

 

De Chileense schrijver Alejandro Zambra werd in 1975 geboren in Santiago de Chile, waar hij ook opgroeide. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en evenseens mijn blog van 10 november 2011 deel 2.

 

Uit: Het verborgen leven van bomen (Vertaald door Luc de Rooy)

“Julián houdt het meisje zoet met ‘Het verborgen leven van bomen’, een reeks verhalen die hij verzonnen heeft om haar in slaap te krijgen. De personages zijn een populier en een baobab, die het ’s nachts, als niemand het ziet, over fotosynthese en eekhoorntjes hebben, of over de vele voordelen die het heeft een boom te zijn, en geen mens of dier, of, zoals zij het noemen, een van die stomme blokken cement.
Daniela is niet zijn dochter, maar het kost hem geen moeite haar als dochter te zien. Drie jaar is het al weer geleden dat Julián bij de familie aanschoof, want hij was het die aanschoof, Verónica en het meisje waren er al, hij was het die met Verónica trouwde, en in zekere zin ook met Daniela, die zich in het begin verzette, maar die beetje bij beetje haar nieuwe leven accepteerde: Julián is lelijker dan mijn vader, maar hij is best aardig, zei ze tegen haar vriendinnetjes, die daar onverwacht serieus, bijna ernstig mee instemden, alsof ze op de een of andere manier begrepen dat Juliáns komst niet per ongeluk was. In de maanden die volgden richtte de stiefvader zelfs een plekje in voor Daniela’s schooltekeningen. Er is er eentje in het bijzonder die Julián altijd kan zien: daarop staan ze met z’n drietjes, op het strand, het meisje en Verónica maken taartjes van zand, en hij is gekleed in jeans en hemd, hij leest en rookt onder een perfect ronde, gele zon.
Julián is lelijker dan Daniela’s vader, maar wel jonger; hij werkt meer en verdient minder, rookt meer en drinkt minder, hij doet minder aan sport — daar doet hij absoluut niet aan, sport — en weet meer over bomen dan over landen. Hij is minder blank en minder onnozel maar wel chaotischer dan Fernando — Fernando, want zo heet Daniela’s vader, hij hoort een naam te hebben, ook al is hij niet meteen Juliáns, noch andermans, vijand. Er is namelijk niet echt een vijand. Dat is nu juist het probleem, dat er in verhalen zoals deze geen echte vijand te bekennen is: Verónica heeft geen vijanden, Julián heeft geen vijanden, Fernando heeft geen vijanden, en Daniela, een lui klasgenootje dat zijn tijd verdoet met gekke bekken naar haar trekken buiten beschouwing gelaten, ook zij heeft geen vijanden.”

 


Alejandro Zambra (Santiago de Chile, 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e november ook mijn blog van 10 november 2011 deel 2.