Joseph Boyden, Bruce Bawer, John Keats, Nick Stone

De Canadese schrijver Joseph Boyden werd geboren op 31 oktober 1966 in Willowdale, Ontario. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Joseph Boyden op dit blog.

 

Uit: Three Day Road

“I went alone.

I watch the beast pull up and give one last great sigh, as if it is very tired from the long journey, smoke pouring from its sides. People wave from the windows and people on the ground wave back, just as I have watched them do for days. Then men and women and children who have arrived start stepping down into the arms of others. I see a few soldiers and search among them for Elijah’s face with his sly grin. The crowd begins to thin, and once again I do not see an Indian soldier with one leg.

I am turning to leave when I see through one of the windows the silhouette of a man inside. He walks slowly along the aisle, on crutches, in a uniform, a small bag slung over his shoulder. I step away from the shadow of the wall.

He wears a hat, just like the wemistikoshiw do, but this one is of their army and I cannot see his face for his looking down as he slowly makes his way down the steps on his crutches. He is an old man, I think. So skinny. This cannot be the Elijah I know. One leg of his pants is pinned up and hangs down a little way, empty.

When he is off the steps I begin to back away, thinking it is not him. He looks up and I see his face, thin and pale, high cheekbones, and ears sticking out from beneath his hat. I stumble a little, the blood rushing away from my head. The ghost of my nephew Xavier looks at me.

He sees me at the same moment, and I watch as his eyes take a long time to register what they see, but when they do he begins to rock back and forth on his crutches. He falls to the ground. I rush up to him, kneel beside him, grab his warm hands. He is no ghost. I hold him to me. His heart beats weakly. I am struck suddenly that he is very ill.

“Nephew,” I whisper. “You are home. You are home.”

I hug him, and when he opens his eyes, I look into them. They are glassy. Even in the shadows of the station his pupils are pinpricks.

“I was told you were dead, Auntie,” he whispers.

“And I was told you were, too,” I say.

We sit on the ground for a while, both of us too weak for the moment to get up. We are crying, looking at one another. A small group of wemistikoshiw gathers and stares at us. I help Nephew up so that we can get away, get to the river where he can drink water and I can better protect him.

We do not stay in the town long. It makes me too nervous. Automobiles, they are everywhere. We must cross the dusty road that they travel upon before we can get to the river where I keep my canoe. Nephew walks slowly on his crutches, his eyes cast down. People stare at us, at him.”

 

Joseph Boyden (Willowdale, 31 oktober 1966)

Doorgaan met het lezen van “Joseph Boyden, Bruce Bawer, John Keats, Nick Stone”

Jan Van Loy, Fjodor Dostojevski, Friedhelm Rathjen, Ezra Pound, Paul Valéry

De Vlaamse schrijver Jan Van Loy werd op 30 oktober 1964 geboren te Herentals, in de Antwerpse Kempen. Zie ook alle tags voor Jan Van Loy op dit blog.

 

Uit: Ik, Hollywood

Anderhalve meter. Vier voet en elf duim om precies te zijn. Zo groot was de zeventienjarige Louie Peters in de eerste dagen van 1909. Hij hoopte, na twee jaar stilstand, nog altijd op een groeispurt.
‘Dag jochie,’ zei de magere man die Louie en zijn broer Charlie begroette toen ze in Los Angeles uit het Santa Fe-station kwamen.
Kabouter, keutel, onderkruipsel: roepnamen die Louie dikwijls had gehoord, maar ‘jochie’ vond hij de ergste.
‘De naam is Peters,’ zei hij. ‘Louie Peters.’
‘Mooney,’ zei de man. Net als Charlie was hij een kop en een hals groter dan Louie, die zich ‘de bediende’ die hen zou komen afhalen had voorgesteld als een hark in een apenpak. Mooney droeg een flaphoed en leunde in hemdsmouwen tegen een open auto met twee banken.
‘Dat alles?’ vroeg hij, met zijn kin wijzend naar het kartonnen koffertje onder Charlies arm.
Het was voldoende voor twee bannelingen die bijna heel hun garderobe aan hun lijf droegen. Louies grijze pak was goed voor alle seizoenen. Zijn bolhoed had hij vlak voor het vertrek bij een handkar gekocht. Hij leek er een beetje groter door, en met een pet kwam je nergens.
De hoogste panden in de omtrek hadden maar vier verdiepingen. Charlie keek om zich heen. ‘Is dit een buitenwijk?’
‘Sorry dat het niet op New York lijkt…’ zei Mooney.
Toch wel een beetje, vond Louie, want de exotische vormen van het stationsgebouw deden hem denken aan Coney Island. Hij ging in de auto naast zijn broer op de hoge achterbank zitten.

Mooney zwengelde de auto op gang, stapte in, nam zijn hoed af en gespte een stofbril om. De start verliep zonder horten of hobbelen. Het was niet de eerste keer dat Louie in een auto reed, maar dit was geen wankele motorkoets waarin men voortdurend een houvast moest zoeken. Opeens was hij vol verwachting over het huis.”

 

Jan Van Loy (Herentals, 30 oktober 1964)

Doorgaan met het lezen van “Jan Van Loy, Fjodor Dostojevski, Friedhelm Rathjen, Ezra Pound, Paul Valéry”

AKO Literatuurprijs voor Peter Terrin

De AKO Literatuurprijs 2012 is toegekend aan Peter Terrin voor zijn boek ‘Post Mortem’. Hij ontving de prijs uit handen van Jozias van Aartsen, voorzitter van de jury. Het was de 26e maal dat de AKO Literatuurprijs werd uitgereikt. De feestelijke uitreiking vond plaats in de Centrale Bibliotheek van Den Haag en de winnaar werd bekendgemaakt in een rechtstreekse uitzending van het actualiteitenprogramma Nieuwsuur. Zie ook alle tags voor Peter Terrin op dit blog.

 

Uit: Post Mortem

“Op het schort van Arlette, de overbuurvrouw, rankten getekende bloemen, die hij niet kon thuisbrengen. Hij had alle tijd om ernaar te kijken. Voluptueuze kelken met dramatische bloembladen en uit de kluiten gewassen meeldraden. Allicht een vrije impressie. Het schort hing aan een enkel plastic haakje, voor de rest was de enige muur in de serre witgeverfd en leeg. In zijn roman zou Arlette elke dag de bloemen dragen, ook als er bezoek was, of onder haar jas in de supermarkt.

Ze was nergens te bekennen, ze moest op de bovenverdieping met iets bezig zijn dat ze niet kon laten vallen. François had al twee keer haar naam geroepen in de trapgang, en zonder antwoord af te wachten, want zijn vrouw was thuis, dat wist hij zeker, de deur weer dichtgedaan en zich naar het bezoek in de serre gehaast. “Ze komt.”

De man was voor in de zeventig en hoorde bij het straatbeeld zoals Lodewijk dat deed, de andere overbuur. Zodra het weer het toeliet, leefde hij buiten, in de omgeving van het huis. Zijn vrouw daarentegen verliet de woning, bij Steegmans weten, nooit. Anders dan Lodewijk was François geen bezielde tuinier. Hij leek er het geduld niet voor te hebben.

Hij tuinierde niet, hij wérkte in de tuin. Of anders was hij in de weer met een hamer of een boormachine, of besteeg hij de ladder nog eens en zwaaide hij balancerend in de dakgoot of schrijlings op de nok gezeten gedag. Wanneer er niets meer te klussen viel, ook niet bij de overbuurvrouw, een weduwe, vouwde hij de tuinstoel open voor de garage, die in de tuin stond, en ging met de ledematen wijd, de voeten bloot en de ogen devoot gesloten de zon aanbidden.

Zo kwam het dat hij vroeg in de lente in een groen Adidasbroekje uit de jaren zeventig en een paar teenslippers, gebronsd als een Spanjaard, in de beschaduwde serre zat, waar het volgens de digitale

kleefthermometer op het oude buitenraam van het huis 15,8 graden Celsius was, met een luchtvochtigheidsgraad van 78%. Waar Steegman ook keek, de verharde, maar vooral langwerpige tepels die bij elke beweging van François als lusteloze slurfjes aan zijn stoere borst bengelden, kreeg hij niet uit zijn hoofd. Hij hield zich klaar om Renée ogenblikkelijk af te leiden, voor ze iets in de gaten kreeg en vragen kon stellen.”

 

Peter Terrin (Tielt, 3 oktober 1968)

In Memoriam J. Bernlef

In Memoriam J. Bernlef

Vandaag is in zijn woonplaats Amsterdam,op 75-jarige leeftijd, de schrijver en dichter J. Bernlef (pseudoniem van Hendrik Jan Marsman) overleden. Kort geleden was bij hem een ongeneeslijke ziekte vastgesteld.J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog.

 

In deze doolhof van letters

in deze doolhof van letters
zoek ik naar een gaatje
om u een stukje buitenlucht te tonen
of een kinderhandje dat hoepelt.
ik kan wel schrijven akst mik strlos
en bedoelen dat ik niet te spreken ben
maar men zal toch binnenkomen
ik moet verstaanbaar uw werkelijkheid
ontvreemden als een zakkenroller.

oh ik geniet als ik u wanhopig
naar het oude evenwicht zie grijpen
apodictisch conferencier is de dichter
een mol die ’s nachts uw land openwroet
en ’s morgens staat u veranderd en bevreemd
naar zijn nagelaten werk te staren

het is geen kunst
als stilstaand water diepe gronden te hebben
de dode speelgoedpop met de gebarsten kop te strelen
maar onder de oppervlakte stromend
steeds weer nieuwe huid te voelen
dit gevecht is eindeloos en zonder uitzicht
daarom verlaat de dichter zijn vers als een bedelaar.

J. Bernlef (14 januari 1937 – 29 oktober 2012)

Harald Hartung, Matthias Zschokke, Mohsen Emadi

De Duitse schrijver, dichter en literatuurwetenschapper Harald Hartung werd geboren op 29 oktober 1932 in Heme. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Harald Hartung op dit blog.

 

Uit: Der Tag vor dem Abend

Gestern abend auf dem Belvedere unter den Sternen

Vor einiger Zeit blätterte ich in Kafkas Tagebüchern, in denen ich lange nicht gelesen hatte, und stieß auf eine Stelle, von der ein eigentümlicher kleiner Glanz ausging. Sie ging mir nach, und als ich sie wieder lesen wollte, entzog sie sich meinem nervösen Suchen. Das steigerte meine Faszination, leider nicht meine Geduld. Die Frage nach Kafkas Sätzen brachte mich auf die Sache zurück. Nun las ich noch einmal von Anfang und kam an vielen wunderbaren Einträgen vorüber; gleich zu Anfang der Befund »Meine Ohrmuschel fühlte sich frisch, rauh, kühl, saftig an wie ein Blatt.« Dann der berühmte Satz, daß Schriftsteller Gestank reden; oder der nicht minder berühmte, wonach ein wahllos hingeschriebener Satz – bei ihm, Kafka – bereits vollkommen sei.

Ich eilte an all dem vorüber – im Vorschein des erinnerten Glanzes. Und natürlich fand ich die Stelle, fand sie auf halber Strecke, unter dem Datum des 13. August 1913: »Gestern abend auf dem Belvedere unter den Sternen.« Das war es also, und ich war fast ein bißchen enttäuscht. Das verheißungsvolle Halbvergessene schien mir plötzlich bloß ein simples Notat. Nun gut, dachte ich, aber dann hast du wenigstens etwas, das nicht nach Kafka klingt. Man sieht, meine Ungeduld war noch immer virulent. Doch etwas hielt mich fest. Etwas wie Treue zu meinem ersten Eindruck.

Ich hatte den Gestus der Stelle unterschätzt. Kafka scheint für diese knappe Notiz frei von aller quälenden und selbstquälerischen Reflexion. Frei für einen zeitlosen Moment, frei für eine Epiphanie, die er gar nicht weiter bezeichnet. Vielleicht weil sie ihm an einem vertrauten Ziel vieler Spaziergänge erscheint, in den Kronprinz-Rudolf- Anlagen, wie sie damals hießen. Das Belvedere, das vielen Prag-Besuchern vertraute Lustschloß auf dem Hradschin, gibt nur den Fixpunkt. Von ihm aus öffnet sich der Raum.

Ganz ohne Deutung, ohne kosmische Idee. Kafka kommt ohne Kants gestirnten Himmel aus. Er sieht sich in der einfachsten, größten Konstellation: »unter den Sternen«. Das kann jeder sagen, und doch ist es hier wie zum ersten Mal gesagt. Und versiegelt dem, der es ausdeuten möchte, die Lippen.

Aus dem Wintersemester 1957/58. Als der Landvermesser K. mit Frieda in der Bierpfütze lag, wollte mein Sofa brennen. Etwas glühende Asche vom gußeisernen Ofen hatte Flämmchen an meiner zerschlissenen Wolldecke aufzüngeln lassen. Ich sprang ins Nebengemach und griff nach der Waschschüssel, in der zum Glück noch Wasser war.”

 

Harald Hartung (Herne, 29 oktober 1932)

Herne, Schloss Strünkede

Doorgaan met het lezen van “Harald Hartung, Matthias Zschokke, Mohsen Emadi”

Evelyn Waugh, JMH Berckmans, Uwe Tellkamp

De Britse schrijver Evelyn Waugh werd geboren in Londen op 28 oktober 1903. Zie ook mijn blog van 28 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Evelyn Waugh op dit blog.

 

Uit: Brideshead Revisited

“Finally, just as he was going, he said, “One last point. Change your rooms.” They were large, with deeply recessed windows and painted, eighteenth-century panelling; I was lucky as a freshman to get them. “I’ve seen many a man ruined through having ground-floor rooms in the front quad,” said my cousin with deep gravity. “People start dropping in. They leave their gowns here and come and collect them before hall; you start giving them sherry. Before you know where you are, you’ve opened a free bar for all the undesirables of the college.”

I do not know that I ever, consciously, followed any of this advice. I certainly never changed my rooms; there were gillyflowers growing below the windows which on summer evenings filled them with fragrance.

 

Anthony Andrews en Jeremy Irons als Sebastian en Charles

In de tv-serie Brideshead Revisited uit 1981

 

It is easy, retrospectively, to endow one’s youth with a false precocity or a false innocence; to tamper with the dates marking one’s stature on the edge of the door. I should like to think—indeed I sometimes do think—that I decorated those rooms with Morris stuffs and Arundel prints and that my shelves were filled with seventeenth-century folios and French novels of the second empire in Russia-leather and watered-silk. But this was not the truth. On my first afternoon I proudly hung a reproduction of Van Gogh’s “Sunflowers” over the fire and set up a screen, painted by Roger Fry with a Provencal landscape, which I had bought inexpensively when the Omega workshops were sold up. I displayed also a poster by McKnight Kauffer and Rhyme Sheets from the Poetry Bookshop, and, most painful to recall, a porcelain figure of Polly Peachum which stood between black tapers on the chimney-piece. My books were meagre and commonplace—Roger Fry’s Vision and Design; the Medici Press edition of A Shropshire Lad; Eminent Victorians; some volumes of Georgian Poetry; Sinister Street; and South Wind—and my earliest friends fitted well into this background; they were Collins, a Wykehamist, an embryo don, a man of solid reading and childlike humour, and a small circle of college intellectuals, who maintained a middle course of culture between the flamboyant “aesthetes” and the proletarian scholars who scrambled fiercely for facts in the lodging houses of the Iffley Road and Wellington Square. It was by this circle that I found myself adopted during my first term; they provided the kind of company I had enjoyed in the sixth form at school, for which the sixth form had prepared me; but even in the earliest days, when the whole business of living at Oxford, with rooms of my own and my own cheque book, was a source of excitement, I felt at heart that this was not all that Oxford had to offer.

At Sebastian’s approach these grey figures seemed quietly to fade into the landscape and vanish, like highland sheep in the misty heathen Collins had exposed the fallacy of modern aesthetics to me: “…

 

Evelyn Waugh (28 oktober 1903 – 10 april 1966)

Doorgaan met het lezen van “Evelyn Waugh, JMH Berckmans, Uwe Tellkamp”

John Hollander, Al Galidi, Johannes Daniel Falk, Karl Philipp Conz

De Amerikaanse dichter en criticus John Hollander werd geboren op 28 oktober 1929 in New York. Zie ook mijn blog van 28 oktober 2010 en eveneens alle tags voor John Hollander op dit blog.

 

Uit: A Close Look at Robert Frost

“I’m going to talk this afternoon about Frost as a myth-maker, which is usually not how we think of him. I’m going to look closely at that poem of Frost’s called “The Oven Bird,” which I think very easy and very difficult at once.

Mythologizing any construction of nature, an animal, plant, a geological formation, a moment of process–this could be seen both as a desecration and a celebration of pragmatically considered fact. When this goes on in poetry–what Frost himself called “the renewal of words forever and ever”–it is accompanied and invigorated by a reciprocal mythologizing of the very words used in the poetic process. Literature is full of mythological, mostly composite creatures: phoenix, unicorn, basilisk, chimera, hydra, centaur. As nature is even more full of creatures totally innocent of interpretation: woodchuck, anteater, turbot, Shetland pony, jellyfish, and quail. But then, there are the fallen creatures, the intermediate ones: lion, eagle, ant, grasshopper, barracuda, fox, hyena . . . who have been infected with signification from Aesop on. It is one of the tasks of poetry to keep renewing the taxonomic class of such creatures, by luring them unwittingly into a cage of metaphor, which of course they are not aware of inhabiting. Such new reconstructions of animals are almost a post-Romantic cottage industry, even as the rehearsal, again and again, of the traditional ones, used to characterize pre-Romantic emblematic poetry. I want to look at a well-known instance of such reconstruction, in the case of Frost’s “The Oven Bird.”

We’ll start with the unpoetic ornithology from The Field Guide to North American Birds: “Sayerus Oricopilus is a ground-walking warbler. It is common in deciduous woods. It builds a domed nest on the ground and sings from an exposed perch on the understory of the trees.”

 

John Hollander (New York, 28 oktober 1929)

Doorgaan met het lezen van “John Hollander, Al Galidi, Johannes Daniel Falk, Karl Philipp Conz”