Willem G. van Maanen, Truman Capote, Hendrik Marsman, Zhang Ailing, Eli Wiesel, Roemi

De Nederlandse schrijver Willem Gustaaf (Willem G.) van Maanen werd geboren in Kampen op 30 september 1920. Zie ook alle tags voor Willem G. van Maanen op dit blog.

 

Uit: De bontjas

“Op haar doodsbed nog joeg mijn moeder me angst en schrik aan. Ze lag daar wel mooi met haar handen gevouwen en de ogen dicht, maar ik vertrouwde het niet. Ze kon ieder ogenblik opspringen en me, zoals haar gewoonte was, uitschelden om wat ik haar en de wereld had aangedaan, ook als ik me aan niets anders had schuldig gemaakt dan aan thuiszitten en lezen. Een boek was per definitie smeerlapperij, tenzij ze het zelf las, omdat ze de macht bezat het van alle vuil te zuiveren. Ze wantrouwde alles en iedereen, behalve haar eigen opvattingen en bedoelingen. Slecht en misdadig waren de anderen, maar op haar hadden ze geen vat, ze was onkwetsbaar. Het viel me tegen dat ze het van de dood had verloren, hem, waaks als ze was, de kans had gegeven haar in haar slaap te verrassen. Een hartaanval, volgens de dokter. Met zo’n hart van steen?

Ik boog me over haar heen, mijn angst overwinnend, en legde mijn hand op haar voorhoofd. Zo koud kende ik haar toch niet, mijn vingertoppen bevroren. Ik blies erop, tevergeefs, de kou was in mijn botten gedrongen. Dat de dood zo besmettelijk zou zijn had ik niet voor mogelijk gehouden. Ik overwoog een plek uit te zoeken waar het warmer kon zijn, haar hals bijvoorbeeld, haar oksel voor mijn part, maar ik zag ertegen op het dek te moeten terugslaan. Het bed waarop ze lag, een tweepersoons, alsof de ondernemer met alles rekening hield, was tegelijk degelijk en weelderig opgemaakt. Mijn moeders hoofd rustte op een met kant afgezet kussen, het bovenlaken was wit op wit met bloemslingers geborduurd, een met bladmotieven opengewerkte sprei hing in brede plooien tot op de grond, het enige wat ontbrak was een hemel van satijn. Ik had opgemerkt dat mijn moeder aan weerszijden buren had, weliswaar door een tussenwand van elkaar gescheiden, maar alledrie in een ruimte vertoevend die aan de voorzijde slechts was afgeschermd door een portière van blauw fluweel die geen deur verborg maar verving. Iedere bezoeker kon per ongeluk of, door nieuwsgierigheid gedreven, met opzet een rouwkamer betreden waarin een ander dan de gezochte betreurde lag opgebaard.”

 


Willem G. van Maanen (30 september 1920 – 17 augustus 2012)

Doorgaan met het lezen van “Willem G. van Maanen, Truman Capote, Hendrik Marsman, Zhang Ailing, Eli Wiesel, Roemi”

Herinnering aan Hella Haasse

Herinnering aan Hella Haasse

 

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse is vandaag precies een jaar gelden overleden. Hélène Serafia Haasse werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Hellas Haasse op dit blog .

 

Uit: De ingewijden

“Tussen akkers en een paar wijngaarden door, kwam hij in het dorp waar hij schoolging, een groep wltgekalkte huizen rondom een plein met een kerk, een kapheneion, een slachthal en een winkel waar levensmiddelen en huisraad werden verkocht. Er was daar ook een halte van de autobus die eenmaal per dag heen en weer reed van Iraklion naar Timbaki aan de baai. ’s Zomers, wanneer er in de kerk les gegeven werd, kon Niko door de openstaande deur aankomst en vertrek van de bus omstreeks het middaguur zien. Al geruime tijd van te voren verzamelden zich mensen die mee wilden rijden op het plein, met manden en zakken en bundels. Zodra de rammelende verveloze bus in een stofwolk door de dorpsstraat naderde, stoof alles naar de kant van de weg; uit het kapheneion werd de post aangedragen, passagiers stapten in en uit, zij die boodschappen mee te geven hadden verdrongen zich om de bestuurder. Niko zat tussen de andere kinderen in de kerk, op voor het begin van de lessen her en der in het dorp geleende stoelen, of bij gebrek aan voldoende zitplaatsen, op de grond, in de hoek die voor de school was vrijgemaakt, zo ver mogelijk van het ikonostasion verwijderd. De versierselen aan het hekwerk en de koperen en zilveren lampen aan lange kettingen, blonken in het halfdonker. Mensen, meest vrouwen, liepen in en uit, soms kwam de pappas even binnen door een zijdeur. De kinderen zaten dicht op elkaar, zij die geen tafeltje of bankje voor zich hadden, schreven op hun knieën of legden het papier vóór zich op de grond. Wie een stoel had kunnen bemachtigen keek neer op de geschoren ronde hoofden van de anderen, die op hun beurt uitzicht hadden op blote vuile voeten op de stoelsporten. De onderwijzeres, een verlegen meisje uit Athene, dat in het dorp met gemengde gevoelens werd beschouwd – kon men lesgeven eigenlijk met een gerust hart toevertrouwen aan een vrouw? – hield toezicht, verbeterde fouten, verdeelde de handvol leesboeken die de school bezat, zei urenlang geduldig regel voor regel de gedichten en prozastukken op die de kinderen uit het hoofd moesten leren. Het rook in de kerk naar wierook en takjes basilicum en naar langgedragen kleren”

.

Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter en vertaler Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Zie ook mijn blog van 29 september 2010 en eveneens alle tags voor Pé Hawinkels op dit blog.

 

Uit: Gemengde gevoelens

“Nijmegen, 16-12-’75

Beste Paul,

een aantal opmerkingen over je stuk ‘De twee auteurs van De Toverberg’, voor de prijzende adjektieven aan mijn adres waarin ik je gaarne dank zeg.

‘In 20 jaar lezen’ heb je ‘nog nooit, van niemand, de dringende aansporing gekregen toch vooral dit of dat meesterwerk van Mann te pakken te krijgen.’ Nu, dat ligt dan toch aan ‘the company you keep’: ik persoonlijk had vóór mijn vierentwintigste alle boeken van de grote Thomas gelezen, en mij heeft het daarbij geenszins ontbroken aan stimulans vanuit mijn culturele omgeving. Je vermoeden dat er met de Thomas Mannhausse iets ‘niet pluis’ is, is meer een diskwalificatie van bepaalde leesgewoontes dan van de herdenking in kwestie.

Dat ‘Mann ook allerminst een worstelaar met de taal’ is, ‘maar integendeel haar (al te) virtuoze meester’ is ook al zoiets. Ik weet wel, dat iedere vorm van virtuositeit iemand tegenwoordig kwalijk genomen wordt, dit waarschijnlijk in verband met de alles verziekende gelijkheidsmanie die momenteel allerwegen woekert zoals weleer de tering op de Toverberg, maar om te beginnen is meesterschap geen privilege van de ‘burgerlijke klasse’, wat jij impliciet beweert, en verder had ik, tijdens het vertalen van De Toverberg, nu net de indruk dat de enorme omslachtigheid, het verwoede streven naar volledigheid van uitdrukkingswijze dat Mann betracht, heel goed als een soort, zij het allerminst proletarisch of knullig, ‘worstelen met de taal’ aangemerkt zou kunnen worden: er spreekt namelijk mijns inziens een niet aflatend wantrouwen uit tegen de geldigheid van één formulering, één zegswijze of één beeld op zichzelf. Hiermee houdt ook de techniek van de Leitmotive verband: is deze in eerste instantie wellicht ‘muzikaal’, dient zij dus door middel van de min of meer letterlijke herhaling de identificatie, daar komt zeker bij dat de verwijzingen, herhalingen en Leitmotive elkaar en hun respektieve kontekst legitimeren, zoals de liefde van Hans Castorp voor Prisbislav Hippe zijn liefde voor Clawdia Chauchat legitimeert, en omgekeerd. Wie in deze ‘symfonische’ methodiek enkel en alleen een laatburgerlijk spelletje ziet, en niet de welbeschouwd democratische kunstgreep die het is, en die zich banaliter en onnauwkeurig zou laten omschrijven als ‘waar twee hetzelfde zeggen, is de waarheid in hun midden’, die raad ik persoonlijk aan toch nog eens goed te oefenen, voordat hij weer aan het kritiseren slaat.”

 

Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)

Heerlen, Geleenstraat, begin jaren vijftig

Doorgaan met het lezen van “Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes”

Ellis Peters, Ben Greenman, Prosper Mérimée, Thijs Zonneveld

De Engelse schrijfster Ellis Peters werd op 29 september 1913 als Edith Pargeter geboren in Horsehay. Zie ook ook mijn blog van 28 september 2010 en eveneens alle tags voor Ellis Peters op dit blog.

 

Uit: One Corpse Too Many

Cadfael: “All questions find their answers if you wait long enough. Is there something here I can help you to? Or are you just curious to learn about these simple herbs of mine?”
Beringar: “No, I can say that it was no simplicity I came to study. They say that you had a wide range in career before joining the cloister. You must find it unbearably dull with no battle or enemy left to fight”
Cadfael: “Well I’m not finding it at all dull these days. And as for enemies… the Devil finds his way into everywhere, even cloister and Church.”

(…)

Derek Jacobi als Cadfael

 

“But the east was also made up of men and women, and you a young crusader. I cannot but wonder,” said Beringar dreamily.
“So, wonder! I also wonder about you,” said Cadfael mildly … “A natural conspirator,” said Cadfael, thinking aloud; and that he could do so was proof of a strong, if inimical, bond between them. Beringar turned on him a face suddenly lit by a wild smile.” One knows another,” he said.
(…)

“And I have been commiserating with you,” gasped Beringar, wiping tears from his eyes with the back of his hand, like a child, ” all this time, while you had this in store for me! What a fool I was, to think I could out-trick you, when I almost had your measure even then.”
“Here, drink this down,” urged Cadfael, offering the beaker he had filled. “To your own better success- with all opponents but Cadfael!”

Ellis Peters (28 september 1913 – 14 oktober 1995)

Doorgaan met het lezen van “Ellis Peters, Ben Greenman, Prosper Mérimée, Thijs Zonneveld”

Philip Huff

De Nederlandse schrijver Philip Huff werd geboren op 28 september 1984 in Zwolle. Hij studeerde filosofie en geschiedenis in Amsterdam. Tijdens zijn studententijd reed hij Martin Bril rond door het land. Huff debuteerde in 2008 met een kort verhaal in het literaire tijdschrift De Gids.In 2009 publiceerde hij korte verhalen in Passionate Magazine, Hollands Maandblad en Hollands Diep, in dat laatste blad in een korte verhalenspecial met Sanneke van Hassel en Arnon Grunberg. In 2009 verscheen ook zijn debuutroman “Dagen van Gras”, over een achttienjarige jongen die met moeite herstelt van een psychose, bij uitgeverij De Bezige Bij. Het boek werd in 2011 verfilmd door Tomas Kaan voor de serie One Night Stand. Begin 2012 verscheen Huffs tweede roman, “Niemand in de stad”, over een vriendschap tussen drie leden van het studentencorps. Voor “Niemand in de stad” kreeg Huff de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs 2013. Sinds 2012 schrijft hij een wekelijkse column in Het Parool.

 

Uit: Dagen van Gras

 

“Ik heet Ben. Ik ben geboren op een dinsdagmorgen in het Sophia Ziekenhuis in Zwolle, deze zomer achttien jaar geleden. Ik woog zeven pond en was achtenveertig centimeter lang. Het Sophia Ziekenhuis bestaat nu niet meer: het is afgebroken. Net als mijn lagere school, die is ook gesloopt. En van mijn eerste middelbare school hebben ze een appartementencomplex gemaakt: alleen de gevel is blijven staan. Als ik mensen zou willen wijzen waar ik naar school ben geweest, heb ik foto’s nodig. Maar die heb ik niet. Die heeft niemand. Ik bedoel: van je beste vrienden uit je schooltijd een foto bewaren, dat begrijp ik wel. Maar wie heeft er foto’s van de school zelf. Ik kwam niet alleen uit de buik van mijn moeder, die dinsdagmorgen. Ik had een tweelingbroer die David heette. Maar David overleed drie dagen na zijn geboorte. Hij is nooit het ziekenhuis uit geweest. Van Davids leven bestaat geen enkel gebouw meer. Geen enkele foto.”

(…)

 

De weken na mijn slechte paddotrip, de weken voor de zomervakantie dus, waren anders dan de weken daarvoor. Ik kon het gevoel dat die trip met zich had meegebracht maar niet van me afzetten. Het was in mijn bloedbaan gekropen; het suisde in mijn oren als ik in bed lag en klopte in de toppen van mijn vingers als ik gitaar speelde. En als ik mijn ogen sloot, of de wind door de bomen waaide, dan zag ik dat monster weer voor me. Dus hield ik mijn ogen ’s avonds in bed net zolang open tot ze van vermoeidheid begonnen te branden en ik in één keer in slaap viel als ik ze dichtdeed. Overdag, op school, zag ik soms opeens een voorwerp van vorm of kleur veranderen: dan was et niet duidelijk of de gordijnen nu rood waren of oranje, en of ze stil hingen of niet. Andere keren zag ik opeens allerlei bewegende patronen op een kale, witte muur.”

 

 

 

Philip Huff (Zwolle, 28 september 1984)

Irvine Welsh, Kay Ryan, Ignace Schretlen, Josef Škvorecký, Esther Verhoef, Christian Schloyer

De Schotse schrijver Irvine Welsh werd geboren op 27 september 1958 in Leith, Edinburgh. Zie ook mijn blog van 27 september 2010 en eveneens alle tags voor Irvine Welsh op dit blog.

 

Uit: Glue

“Davie briskly shook his head. – Naw, take it while ye can get it. This is Scotland, mind, it’s no gaunny last. Taking in a deep breath, Davie picked up the table, recommencing his arduous struggle towards the kitchen. It was a tricky, bugger: a smart new Formica-topped job which seemed to constantly shift its weight and spill all over the place. Like wrestling wi a fuckin crocodile, he thought, and sure enough, the beast snapped at his fingers forcing him to withdraw them quickly and suck on them as the table clattered to the floor.

– Sh … sugar, Davie cursed. He never swore in front of women. Certain talk was awright for the pub, but no in front of a woman. He tiptoed over to the cot in the corner. The baby still slept soundly.

– Ah telt ye ah’d gie ye a hand wi that Davie, yir gaunny huv nae fingers and a broken table the wey things are gaun, Susan warned him. She shook her head slowly, looking over to the crib. – Surprised ye dinnae wake her.

Picking up her discomfort, Davie said, – Ye dinnae really like that table, dae ye?

Susan Galloway shook her head again. She looked past the new kitchen table, and saw the new three-piece suite, the new coffee table and new carpets which had mysteriously arrived the previous day when she’d been out at her work in the whisky bonds.

– What is it? Davie asked, waving his sore hand in the air. He felt her stare, open and baleful. Those big eyes of hers.

– Where did ye get this stuff, Davie?

He hated when she asked him things like that. It spoiled everything, drove a wedge between them. It was for all of them he did what he did; Susan, the baby, the wee fellay. – Ask no questions, ah’ll tell ye no lies, he smiled, but he couldn’t look at her, as unsatisfied himself with this retort as he knew she would be. Instead, he bent down and kissed his baby daughter on the cheek.

Looking up, he wondered aloud, – Where’s Andrew? He glanced at Susan briefly.

Susan turned away sourly. He was hiding again, hiding behind the bairns.”

 


Irvine Welsh (Edinburg, 27 september 1958)

Doorgaan met het lezen van “Irvine Welsh, Kay Ryan, Ignace Schretlen, Josef Škvorecký, Esther Verhoef, Christian Schloyer”

Thomas van Aalten, Christoph W. Bauer, T. S. Eliot

De Nederlandse schrijver Thomas van Aalten werd geboren in Huissen bij Arnhem op 26 september 1978. Zie ook mijn blog van 26 september 2010 en eveneens alle tags voor Thomas van Aalten op dit blog.

 

Uit: De schuldigen

“De motor van de bestelbus maakt een ratelend geluid. Je hoort hem al van ver komen. Als de bus aan het begin van de straat is, blijft hij stilstaan. De bestuurder draait zijn raampje open en kijkt verwilderd om zich heen. Hij claxonneert eenmaal en rijdt stapvoets verder. Mijn vader steekt zijn hand op, om aan te geven dat de man hier moet zijn. aquarama, onderhoud en reiniging van zwembad en spa staat er in blauwe letters op de zijkant van de bus.
De bestuurder heeft een rode, schilferige huid. Roosvlokken bedekken de schouders van zijn overall. Hij kreunt getergd als hij zijn apparatuur uit de bestelbus laadt. Het enige aan zijn lichaam dat niet lijkt getroffen door een ziekte of infectie is een zwart snorretje, dat als een strakke streep het centrum van zijn gezicht markeert. Ondanks de geïrriteerde huid en gewrichtspijn tijdens het tillen, heeft de man een vrolijk voorkomen. Hij stelt zich voor als Cornald. Mijn vader zegt dat Cornald zijn bus gewoon op de oprit kan zetten. ‘Daar is-ie voor gemaakt, niet waar.’

We nemen plaats op het terras. Cornald bladert door zijn multomap, die beplakt is met stickers. Behalve een sticker met het logo van Aquarama zie ik ook stickers met teksten als ‘Effe wachten… Pizza!’ en ‘I Love Natte Keek’ en afbeeldingen van cartooneske vrouwen in bikini.
‘Mijn collega was hier drie jaar geleden voor het laatst. In mei 2007, lees ik hier.’
Mijn vader knikt. ‘Toen heetten jullie nog anders.’
‘Dat klopt. Ik werkte er toen nog niet.’ Cornald concentreert zich op het handschrift van deze collega uit het verleden. ‘Ik zie dat hij hier twee keer per jaar kwam.’
‘Aan het einde en aan het begin van de zomer, ja.’
Ik kijk naar mijn vader en vraag me af of hij nog ooit in zijn leven gaat zwemmen.
‘Ik zal het zo eens even uitzoeken, maar het is gebruikelijk dat bij drie jaar slecht onderhoud de inlaatstraalbuizen en skimmers vervangen moeten worden.”

 

Thomas van Aalten (Huissen, 26 september 1978)

Doorgaan met het lezen van “Thomas van Aalten, Christoph W. Bauer, T. S. Eliot”

Bart Chabot, Luís Fernando Veríssimo

De Nederlandse dichter en schrijver Bart Chabot werd geboren in Den Haag op 26 september 1954. Zie ook mijn blog van 26 september 2010 en eveneens alle tags voor Bart Chabot op dit blog.

 

Uit: Broodje gezond

‘Dinsdag, 14 januari 1992
We zitten in een café. Eentje van ‘alle tijden’. Bruin, kleedjes op tafel, nieuwerwetse lampenkappen en een dor biljart. Zo hebben we in honderden cafés gezeten. We zijn niet de enigen, maar het is er ook niet druk. Amsterdammers. De bekkies staan niet stil. Het is vroeg in de ochtend. We hebben de nacht overgeslagen.
‘Wat ik me altijd heb afgevraagd, Herman,’ zeg ik. ‘Je vader en je moeder, je zussen, je broer?’
‘Voor mijn geboorte,’ antwoordt hij, ‘bestond er niets.’

Met hoge snelheid rijdt de taxi, als besmet door Broods gejaagdheid, via de trambaan de Overtoom af.
‘Ik heb een verrassing voor je,’ zegt Herman. Hij gebaart de chauffeur te stoppen op de hoek van een zijstraat. Brood springt uit de wagen en belt aan bij een deur waar met glimmende letters HUIZE RIA op staat.
Ik wil uitstappen, maar de taxichauffeur draait zich om en zegt met Amsterdamse tongval: ‘Ik heb Herman al heel wat keren in de wagen gehad. Ik vind ’t wel een aardige gozer, hoor. Ik mag ‘m ergens wel. Maar toch, ik weet het niet. Laatst had ik ‘m ook in mijn wagen, zat-ie achterin, ik kijk in mijn spiegel, had-ie een colbertjasje aan en een stropdas, met verder niks d’ronder. Moest ik hem ook naar een seksclub brengen. Hij lulde wel met me en hij gaf me ook een slokkie uit de fles die hij bij zich had, daar niet van, maar? Weet je wat ’t is? Je ken geen hoogte van hem krijgen.’

Als ik me bij Brood voeg, valt mijn oog op een klein goudkleurig bordje naast de deur met de tekst: Huize Ria. Discrete Ingang Om De Hoek.
‘Het mooie van het leven, vind ik,’ zegt Herman,’dat je, terwijl je midden in je zoektocht maar Jezus zit, toch nog goed terecht kunt komen.’
Daarop wijkt de deur.
Ria zelve doet ons open. Iggy, Broods hond, die vanmiddag meemag van zijn baas, is het eerste binnen. Terwijl madam Ria ons voorgaat de smalle gang in en ons uit onze jassen helpt, drukt Iggy met zijn snuit de tussendeur open en meldt zich bij de meisjes. Iggy is geen onbekende hier, Iggy weet de weg.
Ik tel acht meisjes, die op en om een halvemaanvormige bank zitten of hangen. We zijn de enige klanten.”


Bart Chabot (Den Haag, 26 september 1954)

DVD Cover van Herman Brood, Bart Chabot en Jules Deelder

Doorgaan met het lezen van “Bart Chabot, Luís Fernando Veríssimo”

Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Rebecca Gablé

De Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón werd geboren op 25 september 1964 in Barcelona. Zie ook mijn blog van 25 september 2010 en eveneens alle tags voor Carlos Ruiz Zafón op dit blog.

 

Uit: The Prisoner Of Heaven (Vertaald door Lucia Graves)

“That year at Christmas time, every morning dawned laced with frost under leaden skies. A bluish hue tinged the city and people walked by, wrapped up to their ears and drawing lines of vapour with their breath in the cold air. Very few stopped to gaze at the shop window of Sempere & Sons; fewer still ventured inside to ask for that lost book that had been waiting for them all their lives and whose sale, poetic fancies aside, would have contributed to shoring up the bookshop’s ailing finances.

‘I think today will be the day. Today our luck will change,’ I proclaimed on the wings of the first coffee of the day, pure optimism in a liquid state.

My father, who had been battling with the ledger since eight o’clock that morning, twiddling his pencil and rubber, looked up from the counter and eyed the procession of elusive clients disappearing down the street.

‘May heaven hear you, Daniel, because at this rate, if we don’t make up our losses over the Christmas season, we won’t even be able to pay the electricity bill in January. We’re going to have to do something.’

‘Fermín had an idea yesterday,’ I offered. ‘He thinks it’s a briljant plan that’ll save the bookshop from imminent bankruptcy.’

‘Lord help us.’

I quoted Fermín, word for word:

‘Perhaps if by chance I was seen arranging the shop window in my underpants, some lady in need of strong literary emotions would be drawn in and inspired to part with a bit of hard cash. According to expert opinion, the future of literature depends on women and as God is my witness the female is yet to be born who can resist the primal allure of this stupendous physique,’ I recited.

I heard my father’s pencil fall to the floor behind me and I turned round.

‘So saith Fermín,’ I added.”

 

Carlos Ruiz Zafón (Barcelona, 25 september 1964)

Doorgaan met het lezen van “Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Rebecca Gablé”

David Benioff

De Amerikaanse schrijver David Benioff (pseudoniem van David Friedman) werd geboren in New York City op 25 september 1970. Zie ook alle tags voor David Benioff op dit blog.

 

Uit: City of Thieves

 

“Off we go, then, on a tour into the haunted theme park of modern European history. It is January 1942, the first winter of what would become a 900-day siege, and David’s grandfather, Lev Beniov, at that time a skinny 17-year-old, is trying to survive on his own. Lev’s mother and sister left Leningrad before the Germans closed in; his father, a Jewish poet, had been arrested by the Soviet secret police four years earlier and was never heard from again. After looting the corpse of a German soldier, Lev himself is arrested and thrown into the city’s huge and silent prison, where he expects to be killed. His cellmate, Kolya, is an insouciant Cossack full of literary pretensions and braggadocio who is in jail for deserting his regiment.
To their infinite surprise, the two young men are sent on a mission instead of being executed. A local army colonel whose daughter is getting married surmises that Lev and Kolya are schooled enough in petty thievery to procure a dozen eggs for the wedding cake. No matter that eggs have not been seen anywhere in Leningrad in months. The lads are given five days, a curfew waiver, and 400 rubles and told that if they fail to deliver the goods, they will be shot.
Talk about your wild goose chase. There are no animals of any kind here; even the pigeons have long since been eaten. In the outdoor food stalls, what’s for sale are pricey glasses of dirt mixed with melted sugar and something called “library candy,” made by boiling the binding glue from books: “[T]here was protein in the glue, protein kept you alive, and the city’s books were disappearing like the pigeons.”

 

 

David Benioff (New York, 25 september 1970)