Dolce far niente (Nijmegen, Dennis Gaens)

Dolce far niente

Hoeveel steden deze stad is

I

Dan is er altijd nog de stad die ik via sluiproutes langs buitenwegen binnenkom.

Over de straten aan de rand fietsen meisjes met onhandige benen die snel vrouwen willen worden en tot die tijd kauwgom kauwen. Wat verder leunt een man op zijn rollator, wachtend op een bus die hij ook vandaag niet neemt.

Het is die stad met een plein dat een lakmoesproef is, waar de mannen van de welpen worden gescheiden en waaromheen jongens cirkelen op scooters waarvan het voorwiel niet altijd gebruikt wordt.

Dan is er de plek waar alle bussen, ongeacht hun bestemming, samenkomen voor vertrek – daar waar we elkaars richting van een display lezen.

 

Ooijpolder bij Nijmegen

 

II

Dan is er nog die stad waar fietsen op de stoep gestapeld staan, waar studentenkamers stof vangen. Aluminiumfolie, geplooid langs pitjes van gasfornuizen, kan niet voorkomen dat keukens waar meer dan zeven man koken, plakkerig worden. Ook de aardappels zijn hier al dente en alles smaakt een beetje naar de afwas van gisteren.

Er zijn lange straten vol huizen die naar oud hout ruiken. Een nieuwe vloerbedekking wordt zorgvuldig aan de vormen van een antieke trap aangepast. Er komt een laklaag op de leuning. Er staan daar watercoolers, espressomachines en in de koelkasten: enkel melk en broodbeleg. De gangen zijn breder en de plafonds hoger, daar waar we alleen op afspraak naar binnen gaan.

Dan zijn er nog de tuinen waar de partytenten bijna jaarrond achter de deur staan, al is het maar zodat de frietpan droog blijft. Er is een aparte koelkast voor het bier. Alleen op oudejaarsavond wordt de tent voor een week ingeklapt

 

Bussen bij Centraal Station Nijmegen

 

III

Dan is er nog de stad waar de Italiaan bij de Turk zijn inkopen doet. Waar goed volk elkaar gedag zegt. Waar de buurtwinkel nog bestaansrecht heeft.

Er staan hier genoeg bomen, alsof we ze verzamelen. De waarheid is: we vinden het leuk om naar dingen te kijken. Eén keer per jaar trekken we meubels naar buiten, al was het maar om elkaar te zien lachen en de bezoekers te begroeten.

 


Waalkade, Nijmegen

 

Waar ‘s zomers de kampvuren op het strand de boten de weg naar de kade wijzen.

Meer dan dat is het de stad die als een decor achter de Waal staat gestapeld. Waar we niet terugkomen naar de mensen, maar naar de verhalen die er wonen.

Het is de stad die ik elke dag dwars door het centrum verlaat en van een afstand welterusten wens.

 

Dennis Gaens (Susteren, 1982)

 

Zie voor de schrijvers van de 25e augustus ook mijn blog van 25 augustus 2012 deel 1 en eveneens deel 2.

Dolce far niente (Bergen, Adriaan Roland Holst)

Dolce far niente

Een Winteravondval

Gouden stille kusten en de zee nog blauw,

en de blijde vele golven, die er spelen,

en die witte vlucht van vooglen – o, de vele

meeuwen zwevend door de zuiverende kou,

zwermend als een bui, als een gevleugeld sneeuwen,

en hun kreten af en aan over mijn hoofd;

heb ik ooit wel in een ander lied geloofd

hier op aard dan de verloren kreet der meeuwen?

En zij zwenken en verdwijnen, en het is

nu weer stiller, en het gouden uur wordt later,

en ik loop verloren verder langs het water

van der eeuwen eenzame geheimenis.

En de kust wordt grijzer, en de schemeringen

komen nu, en ook de groote zee wordt grijs,

en de golven zingen – o, de vreemde wijs

van die andre wereld, die de golven zingen –

En zij zingen nader en mijn hart bevangt

een onmetelijk vervreemden uit dit leven,

en ik loop als in een bijna overzweven

naar dat rijk, waarheen ik altijd heb verlangd.

 

Bergen aan Zee, duinen

 

Spiegelende ligt het uit de zee verschenen

ver en in het westen en den dood voorbij –

die daar leven zingen, en zij roepen mij,

maar de zee, zij zingt en glinstert om hen henen.

Eeuwig eiland – o, der zaligen domein,

waarheen onder zeilen hunner laatste droomen

slechts de stervende vervoerden overkomen –

waar de menschen eenzamer en schooner zijn.

En ik weet niet, is het heimwee of verlangen,

een herinnering of al een voorgevoel?

Houdt het leven met een ongeweten doel

mij, bevlogene, hier hunkerend gevangen?

O, waarom dan die herinnering, waarom

geen geheel onterven en een niet meer weten?

Wat kan ik hier doen? Als ik niet kan vergeten

waar ik eenmaal leefde ga ik dolend om,

om, zonder een dak, zonder een doel, geboren

aan de droeve zijde van den vreemden dood,

en ik werp mij uit der menschen oude nood

altijd weer in mijnen droom terugverloren….

 

Bergen aan Zee, strand

 

Toen…. een antwoord toch?….neen, een voorbijgaand mensch

en zijn vluchtig avondgroeten langs mij henen;

‘k zag hem na tot hij in donker was verdwenen,

toch misschien zijn broeder aan der wereld grens?

’t Was een visscher uit het oude dorp, daarginter

waar de duinen lager worden, en hij ging

bukkend onder wrakhout door de schemering,

denkend aan de lange nooden van den winter.

En ik ga hem na, maar langzamer dan hij,

bukkend onder leed, dat ik had moeten lijden –

o, verzuimde smart – o, wroeging, waar de tijden

nu geen redding meer uit geven, en de zee

 

…de “lage herberg” Het Huis met de Pilaren in Bergen…

 

zingt, maar lokt niet meer, en ik blijf aangewezen

op dit klein bestek van weedom en berouw,

en de winteravond valt, en door de kou

wankel ik – en toch, ik voel, er is genezen

in rampzaligheid, en, huivrend, weet ik weer

hoe het heimwee, dat deze aarde houdt bevlogen,

mij – waarom dan ook – het zingende vermogen

schonk, en verder valt er niet te vragen, en ik keer

tot het oud gehucht, dat daar ligt weggedoken,

minder eenzaam toch, en zie, daar op het duin

in de lage herberg waar de visschers zijn

wordt de lamp nu voor den avond opgestoken.

 

Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 – 5 augustus 1976)

Standbeeld door Marie Andriesse in Bergen

 

Zie voor de schrijvers van de 24e augustus ook mijn blog van 24 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Dolce far niente (Amsterdam, J. C. Bloem)

Dolce far niente

 

De Dapperstraat

 

 

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

 

J. C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)

 

Zie voor de schrijvers van de 23e augustus ook mijn blog van 23 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Dolce far niente (Amsterdam, Theo Thijssen)

Dolce far niente

Uit: Jongensdagen

‘Juffrouw, m’n broertje kocht daarnet een pakje postzegels van drie cent, maar er zit zoowat niks in. Nou staat hij buiten te huilen, – Ko kreeg zelf tranen in z’n oogen van de gedachte – en of u het nou niet ruilen wil.’

‘Heeremenschen!’ riep de juffrouw verontwaardigd uit, en zij maakte zich gereed weer naar achter te gaan. ‘Heeremenschen, sta je dáárvoor volk te schreeuwen. Ruilen doen we niet, hoor.’

Ko bleef haar sprakeloos aankijken; de enveloppe hield hij haar voor.

‘Ga maar gauw m’n winkel uit, marsch!’ zei de juffrouw.

‘Maar voor drie centen is toch afzetterij!’ riep toen Ko ineens uit.

‘Heb ik van me leven!’ schreeuwde de juffrouw, en zij kwam achter haar toonbank vandaan geloopen, regelrecht op Ko af. Die holde weg, den winkel uit. Midden op straat bleef hij staan. ‘Afzetter!’ riep hij. Henk kwam naar hem toe; hij begreep alles. ‘Afzetter!’ schreeuwde hij mee.

De juffrouw keek niet eens meer, en ging weer naar haar kamer achter den winkel.

Een man bleef staan op straat. ‘Wat is er?’ vroeg hij nieuwsgierig.

Het was een meneer; een groote, deftige meneer. Misschien kon die helpen. Ko begon te vertellen; hij liet de enveloppe zien.

 


Zicht vanuit de Jordaan op de Westerkerk

 

Verschillende, en buitenlandsche staat er op!’ zei Henk.

‘En dàt zit er in!’ sprak Ko bitter; en hij liet den heer de postzegels zien.

‘’t Zijn toch mooie postzegels, voor drie centen,’ meende de heer. Hij lachte even en liep verder.

Stom van verbazing keken de broers elkaar aan. Dát mooie postzegels!

‘Laat dan nòg eens kijken,’ zei Henk.

En voor den derden keer keken ze de postzegels na. Er was geen enkele bijzondere bij. Ze wierpen woedende blikken naar het winkeltje.

‘Ga mee maar, Henk!’ zei toen Ko, ‘ga nou maar mee naar huis. Tegen zulke afzetterij kunnen wij niet op.’

En hij nam de mand weer aan z’n arm, en stapte voort.

Henk volgde met een bedrukt gezicht en sprak geen woord.

Zoo liepen ze stil door tot de Westermarkt.

‘Jammer, hè?’ vroeg Ko zacht.

‘Wat?’ kwam Henk onnoozel.

‘Van je drie centen,’ antwoordde Ko.

Henk zuchtte eens, en gaf geen antwoord. Het wàs hard.“

 


Theo Thijssen(16 juni 1879 – 23 december 1943)
Beeld van Theo Thijssen in de Amsterdamse Jordaan door Hans Bayens

 

Zie voor de schrijvers van de 22e augustus ook mijn blog van 22 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Gorch Fock

De Duitse schrijver Gorch Fock  (pseudoniem van Johann Wilhelm Kinau) werd geboren op 22 augustus 1880 in Finkenwerder. Daar ging hij naar school. Omdat hij ongeschikt was voor werk op zee vanwege zijn fysieke conditie begon hij  in 1895 een opleiding bij zijn oom in Geestemünde (nu onderdeel van Bremerhaven). 1897-1898, studeerde hij af aan de handelsschool in Bremerhaven. Vanaf 1899 werkte hij op als accountant en boekhouder in Meiningen. Bremen en Halle (Saale). In 1904 keerde hij terug naar Hamburg en in 1907 werd hij aangesteld als accountant voor de Hamburg-Amerika Lijn. Vanaf 1904 publiceerde hij 1904, meestal in zijn moedertaal, het Nederduits, schreef gedichten en verhalen onder de pseudoniemen Gorch Fock, Jakob Holst en Giorgio Focco, die in Hamburgse kranten verschenen. De voornaam Gorch is dus een lokaal typische variatie van Georg. In 1908 trouwde hij met Rosa Elizabeth Reich, met wie hij drie kinderen had. Zijn muze en soulmate was echter tijdens de jaren van zijn schrijverschap de actrice Aline Bussmann.
In 1913 verscheen zijn beroemdste werk „Seefahrt ist not!“ , waarin op een heroïserende manier het leven van de diepzeevissers van Finkenwerder wordt beschreven. In WO I diende Gorch Fock eerst als infanterist in Servië en Rusland, en later bij Verdun. In maart 1916 werd hij op eigen verzoek door het leger naar de marine overgeplaatst  en gestationeerd op de lichte kruiser SMS Wiesbaden. In de Slag bij Jutland ging hij samen met de kruiser ten onder. Zijn lichaam werd in augustus 1916 gevonden in de buurt van Fjällbacka  en begraven op het Zweedse eiland Stensholmen bij Kalvö samen met andere Duitse en Britse zeelieden. Gorch Focks broers Jakob en vooral Rudolf Kinau verwierven als Nederduitse (Heimat-) schrijvers bekendheid. Later zijn twee opleidingsschepen van de Duitse marine naar Gorch Fock genoemd.

 

Uit: Seefahrt ist not!

 

»Insonderheit aber bitten wir dich für die, die auf dem Wasser ihre Nahrung suchen. Segne, segne die Fischerei auf der See und im Fluß, behüte Mann und Schiff in allen Gefahren!«

Pastor Bodemann beugte den grauen Kopf tiefer als zuvor. Da hatte er laut und warm für seinen alten Kaiser gebetet, laut und warm, wie es ihm von Herzen kam, nicht leise und kalt wie sein Vorgänger, ein zäher Welfe, der nur der kirchlichen Vorschrift nachgekommen war:

»Laß deine Gnade groß werden über deinem Knecht Wilhelm, unserem Kaiser und Herrn, und über dem ganzen kaiserlichen Haus.«

Die gefurchte Stirn berührte fast das schwarze Tuch, mit dem die Kanzel vom Sonntag Reminiszere bis zum stillen Freitag bedeckt war. Es schien, als wenn die Stimme ihm versagte und er aufhören müßte. Und er hielt überwältigt inne und ließ die große Stille kommen. Totenstill wurde es in der Kirche auf Finkenwärder. Regungslos saß die Gemeinde. In die Augen kam eine Dunkelheit wie von aufsteigenden Tränen.

Denn die See nahm das Wort, die Nordsee, die Mordsee – mit ihren jagenden, zerrissenen Wolken, mit ihrem pfeifenden, brausenden Sturm, mit ihren haushohen, schäumenden, brüllenden Seen, mit Brand und Wetterleuchten, mit Dünung und Gewitter – mit geborstenen Segeln, gebrochenen Masten, blakenden Notfackeln, verlorenen Wracks und hilferufenden Fahrensleuten.

Und es war niemand da, der nicht ihre Stimme vernommen hätte.

Die hellhaarigen Jungen auf den Bänken neben dem Altar, die als große Schleefen [Schlingel] zu den gegenübersitzenden Konfirmandinnen hinübergelacht und ihnen zugenickt hatten, besannen sich, legten beschämt die Hände zusammen und sahen vor sich hin, weil ihnen in der heiligen Stille die Väter und Brüder in den Sinn kamen, die draußen waren, und weil sie daran dachten, daß sie nach Ostern selbst in die Fischerei hineinkamen.

Auch bei den rotbackigen Mädchen wurde es still. Alle falteten rasch die Hände, und manches Kinderherz bebte – vergessen war, daß sie abends am Deich einzuhüten hatten und daß die Jungen dort vor den Fenstern trommelten und pfiffen, bis sie hineingelassen wurden und Blindekuh oder Sechsundsechzig mitspielen durften.“

 

 

 

Gorch Fock (22 augustus 1880 – 31 mei 1916)

Dolce far niente (Haarlem, Sylvia Hubers, Bertus Aafjes)

Dolce far niente

 

Voor Haarlem

Ik droomde me een man als een kunstwerk
en ik moest naar Haarlem gaan

Ik droomde van Oude Meesters, op een vingerknip
beschikbaar, om de hoek van de straat
en ik moest naar Haarlem gaan

Ik droomde me kunstenaars in galeries
kunstenaars op terrassen, kunstenaars als vrienden
en ik moest in Haarlem zijn

 

Haarlem, Sint Bavo

 

Ik droomde vaten vol kunstig bier
door bierkunstenaars gebrouwen en ik moest
in Haarlem drinken

Ik droomde me een stad die niet bestaat
een stad als een kunstwerk, uitgevouwen
over de grond door vaardige creatoren

een stad waarin ik rond zou lopen
o en ah zou zuchten

ik droomde me een stad
die bestaat
van mooi

 

Sylvia Hubers (Sassenheim,28 mei 1965)

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente (Haarlem, Sylvia Hubers, Bertus Aafjes)”

Dolce far niente (Amsterdam, Gerard Reve)

Dolce far niente

 

Uit: De Avonden

 

“Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweentwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte. Hij keek op zijn lichtgevend horloge, dat aan een spijker hing. Kwart voor zes, mompelde hij, het is nog nacht. Hij wreef zich in het gezicht. Wat een ellendige droom, dacht hij. Waar ging het over? Langzaam kon hij zich de inhoud te binnen brengen. Hij had gedroomd, dat de huiskamer vol bezoek was. Het wordt dit weekeind goed weer, zei iemand. Op hetzelfde ogenblik kwam een man met een bolhoed binnen.


Op de hoek: Jozef Israëlskade (Schilderskade 66)

 

Niemand lette op hem en hij werd door niemand begroet, maar Frits bekeek hem scherp. Opeens viel de bezoeker met een zware bons op de grond.
Was dat alles? dacht hij. Wat gebeurde er verder? Niets, geloof ik. Hij sliep weer in. De droom ging voort, waar hij was opgehouden. De man lag, met de bolhoed over zijn gezicht gedrukt, in een zwarte doodskist, die in een hoek van de kamer op een lage tafel stond. Die tafel ken ik niet, dacht hij, zou die geleend zijn? Hij keek in de kist en zei luid: Daar zitten we in ieder geval morgen nog mee opgescheept. Dat hoeft niet, zei een man met een kaal hoofd, een rood gezicht en een bril, wedden dat ik de begrafenis nog op vanmiddag twee uur geregeld kan krijgen?
Hij werd opnieuw wakker. Het was twintig minuten over zes. Ik ben al uitgeslapen, zei hij bij zichzelf, daarom word ik zo vroeg wakker. Ik heb nog een flink uur.
Hij sluimerde langzaam in en trad voor de derde maal de huiskamer binnen. Er was niemand. Hij liep op de kist toe, keek erin en dacht: Hij is dood en begint te bederven.

(…)

 


In het midden: Jozef Israëlskade (Schilderskade 66)

 

“Een heerlijke verkwikkend ochtendwandeling’ mompelde hij. Bij het afdalen van de trap kefte een hond bij de benedenburen, toen hij hun deur passeerde. Hij trok de straatdeur zacht dicht en volgde de met ijs bedekte gracht tot de rivier. Die, uitgezonderd in het midden, met een donkere ijslaag was toegevoren.”

 

Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006)

 

Zie voor de schrijvers van de 20e augustus ook  mijn blog van 20 augustus 2011`deel 1 en eveneens deel 2 en eveneens deel 3.

» Reageer (0)