Dolce far niente (Bergen, Adriaan Roland Holst)

Dolce far niente

Een Winteravondval

Gouden stille kusten en de zee nog blauw,

en de blijde vele golven, die er spelen,

en die witte vlucht van vooglen – o, de vele

meeuwen zwevend door de zuiverende kou,

zwermend als een bui, als een gevleugeld sneeuwen,

en hun kreten af en aan over mijn hoofd;

heb ik ooit wel in een ander lied geloofd

hier op aard dan de verloren kreet der meeuwen?

En zij zwenken en verdwijnen, en het is

nu weer stiller, en het gouden uur wordt later,

en ik loop verloren verder langs het water

van der eeuwen eenzame geheimenis.

En de kust wordt grijzer, en de schemeringen

komen nu, en ook de groote zee wordt grijs,

en de golven zingen – o, de vreemde wijs

van die andre wereld, die de golven zingen –

En zij zingen nader en mijn hart bevangt

een onmetelijk vervreemden uit dit leven,

en ik loop als in een bijna overzweven

naar dat rijk, waarheen ik altijd heb verlangd.

 

Bergen aan Zee, duinen

 

Spiegelende ligt het uit de zee verschenen

ver en in het westen en den dood voorbij –

die daar leven zingen, en zij roepen mij,

maar de zee, zij zingt en glinstert om hen henen.

Eeuwig eiland – o, der zaligen domein,

waarheen onder zeilen hunner laatste droomen

slechts de stervende vervoerden overkomen –

waar de menschen eenzamer en schooner zijn.

En ik weet niet, is het heimwee of verlangen,

een herinnering of al een voorgevoel?

Houdt het leven met een ongeweten doel

mij, bevlogene, hier hunkerend gevangen?

O, waarom dan die herinnering, waarom

geen geheel onterven en een niet meer weten?

Wat kan ik hier doen? Als ik niet kan vergeten

waar ik eenmaal leefde ga ik dolend om,

om, zonder een dak, zonder een doel, geboren

aan de droeve zijde van den vreemden dood,

en ik werp mij uit der menschen oude nood

altijd weer in mijnen droom terugverloren….

 

Bergen aan Zee, strand

 

Toen…. een antwoord toch?….neen, een voorbijgaand mensch

en zijn vluchtig avondgroeten langs mij henen;

‘k zag hem na tot hij in donker was verdwenen,

toch misschien zijn broeder aan der wereld grens?

’t Was een visscher uit het oude dorp, daarginter

waar de duinen lager worden, en hij ging

bukkend onder wrakhout door de schemering,

denkend aan de lange nooden van den winter.

En ik ga hem na, maar langzamer dan hij,

bukkend onder leed, dat ik had moeten lijden –

o, verzuimde smart – o, wroeging, waar de tijden

nu geen redding meer uit geven, en de zee

 

…de “lage herberg” Het Huis met de Pilaren in Bergen…

 

zingt, maar lokt niet meer, en ik blijf aangewezen

op dit klein bestek van weedom en berouw,

en de winteravond valt, en door de kou

wankel ik – en toch, ik voel, er is genezen

in rampzaligheid, en, huivrend, weet ik weer

hoe het heimwee, dat deze aarde houdt bevlogen,

mij – waarom dan ook – het zingende vermogen

schonk, en verder valt er niet te vragen, en ik keer

tot het oud gehucht, dat daar ligt weggedoken,

minder eenzaam toch, en zie, daar op het duin

in de lage herberg waar de visschers zijn

wordt de lamp nu voor den avond opgestoken.

 

Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 – 5 augustus 1976)

Standbeeld door Marie Andriesse in Bergen

 

Zie voor de schrijvers van de 24e augustus ook mijn blog van 24 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.