Dolce far niente (Amsterdam, Theo Thijssen)

Dolce far niente

Uit: Jongensdagen

‘Juffrouw, m’n broertje kocht daarnet een pakje postzegels van drie cent, maar er zit zoowat niks in. Nou staat hij buiten te huilen, – Ko kreeg zelf tranen in z’n oogen van de gedachte – en of u het nou niet ruilen wil.’

‘Heeremenschen!’ riep de juffrouw verontwaardigd uit, en zij maakte zich gereed weer naar achter te gaan. ‘Heeremenschen, sta je dáárvoor volk te schreeuwen. Ruilen doen we niet, hoor.’

Ko bleef haar sprakeloos aankijken; de enveloppe hield hij haar voor.

‘Ga maar gauw m’n winkel uit, marsch!’ zei de juffrouw.

‘Maar voor drie centen is toch afzetterij!’ riep toen Ko ineens uit.

‘Heb ik van me leven!’ schreeuwde de juffrouw, en zij kwam achter haar toonbank vandaan geloopen, regelrecht op Ko af. Die holde weg, den winkel uit. Midden op straat bleef hij staan. ‘Afzetter!’ riep hij. Henk kwam naar hem toe; hij begreep alles. ‘Afzetter!’ schreeuwde hij mee.

De juffrouw keek niet eens meer, en ging weer naar haar kamer achter den winkel.

Een man bleef staan op straat. ‘Wat is er?’ vroeg hij nieuwsgierig.

Het was een meneer; een groote, deftige meneer. Misschien kon die helpen. Ko begon te vertellen; hij liet de enveloppe zien.

 


Zicht vanuit de Jordaan op de Westerkerk

 

Verschillende, en buitenlandsche staat er op!’ zei Henk.

‘En dàt zit er in!’ sprak Ko bitter; en hij liet den heer de postzegels zien.

‘’t Zijn toch mooie postzegels, voor drie centen,’ meende de heer. Hij lachte even en liep verder.

Stom van verbazing keken de broers elkaar aan. Dát mooie postzegels!

‘Laat dan nòg eens kijken,’ zei Henk.

En voor den derden keer keken ze de postzegels na. Er was geen enkele bijzondere bij. Ze wierpen woedende blikken naar het winkeltje.

‘Ga mee maar, Henk!’ zei toen Ko, ‘ga nou maar mee naar huis. Tegen zulke afzetterij kunnen wij niet op.’

En hij nam de mand weer aan z’n arm, en stapte voort.

Henk volgde met een bedrukt gezicht en sprak geen woord.

Zoo liepen ze stil door tot de Westermarkt.

‘Jammer, hè?’ vroeg Ko zacht.

‘Wat?’ kwam Henk onnoozel.

‘Van je drie centen,’ antwoordde Ko.

Henk zuchtte eens, en gaf geen antwoord. Het wàs hard.“

 


Theo Thijssen(16 juni 1879 – 23 december 1943)
Beeld van Theo Thijssen in de Amsterdamse Jordaan door Hans Bayens

 

Zie voor de schrijvers van de 22e augustus ook mijn blog van 22 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Gorch Fock

De Duitse schrijver Gorch Fock  (pseudoniem van Johann Wilhelm Kinau) werd geboren op 22 augustus 1880 in Finkenwerder. Daar ging hij naar school. Omdat hij ongeschikt was voor werk op zee vanwege zijn fysieke conditie begon hij  in 1895 een opleiding bij zijn oom in Geestemünde (nu onderdeel van Bremerhaven). 1897-1898, studeerde hij af aan de handelsschool in Bremerhaven. Vanaf 1899 werkte hij op als accountant en boekhouder in Meiningen. Bremen en Halle (Saale). In 1904 keerde hij terug naar Hamburg en in 1907 werd hij aangesteld als accountant voor de Hamburg-Amerika Lijn. Vanaf 1904 publiceerde hij 1904, meestal in zijn moedertaal, het Nederduits, schreef gedichten en verhalen onder de pseudoniemen Gorch Fock, Jakob Holst en Giorgio Focco, die in Hamburgse kranten verschenen. De voornaam Gorch is dus een lokaal typische variatie van Georg. In 1908 trouwde hij met Rosa Elizabeth Reich, met wie hij drie kinderen had. Zijn muze en soulmate was echter tijdens de jaren van zijn schrijverschap de actrice Aline Bussmann.
In 1913 verscheen zijn beroemdste werk „Seefahrt ist not!“ , waarin op een heroïserende manier het leven van de diepzeevissers van Finkenwerder wordt beschreven. In WO I diende Gorch Fock eerst als infanterist in Servië en Rusland, en later bij Verdun. In maart 1916 werd hij op eigen verzoek door het leger naar de marine overgeplaatst  en gestationeerd op de lichte kruiser SMS Wiesbaden. In de Slag bij Jutland ging hij samen met de kruiser ten onder. Zijn lichaam werd in augustus 1916 gevonden in de buurt van Fjällbacka  en begraven op het Zweedse eiland Stensholmen bij Kalvö samen met andere Duitse en Britse zeelieden. Gorch Focks broers Jakob en vooral Rudolf Kinau verwierven als Nederduitse (Heimat-) schrijvers bekendheid. Later zijn twee opleidingsschepen van de Duitse marine naar Gorch Fock genoemd.

 

Uit: Seefahrt ist not!

 

»Insonderheit aber bitten wir dich für die, die auf dem Wasser ihre Nahrung suchen. Segne, segne die Fischerei auf der See und im Fluß, behüte Mann und Schiff in allen Gefahren!«

Pastor Bodemann beugte den grauen Kopf tiefer als zuvor. Da hatte er laut und warm für seinen alten Kaiser gebetet, laut und warm, wie es ihm von Herzen kam, nicht leise und kalt wie sein Vorgänger, ein zäher Welfe, der nur der kirchlichen Vorschrift nachgekommen war:

»Laß deine Gnade groß werden über deinem Knecht Wilhelm, unserem Kaiser und Herrn, und über dem ganzen kaiserlichen Haus.«

Die gefurchte Stirn berührte fast das schwarze Tuch, mit dem die Kanzel vom Sonntag Reminiszere bis zum stillen Freitag bedeckt war. Es schien, als wenn die Stimme ihm versagte und er aufhören müßte. Und er hielt überwältigt inne und ließ die große Stille kommen. Totenstill wurde es in der Kirche auf Finkenwärder. Regungslos saß die Gemeinde. In die Augen kam eine Dunkelheit wie von aufsteigenden Tränen.

Denn die See nahm das Wort, die Nordsee, die Mordsee – mit ihren jagenden, zerrissenen Wolken, mit ihrem pfeifenden, brausenden Sturm, mit ihren haushohen, schäumenden, brüllenden Seen, mit Brand und Wetterleuchten, mit Dünung und Gewitter – mit geborstenen Segeln, gebrochenen Masten, blakenden Notfackeln, verlorenen Wracks und hilferufenden Fahrensleuten.

Und es war niemand da, der nicht ihre Stimme vernommen hätte.

Die hellhaarigen Jungen auf den Bänken neben dem Altar, die als große Schleefen [Schlingel] zu den gegenübersitzenden Konfirmandinnen hinübergelacht und ihnen zugenickt hatten, besannen sich, legten beschämt die Hände zusammen und sahen vor sich hin, weil ihnen in der heiligen Stille die Väter und Brüder in den Sinn kamen, die draußen waren, und weil sie daran dachten, daß sie nach Ostern selbst in die Fischerei hineinkamen.

Auch bei den rotbackigen Mädchen wurde es still. Alle falteten rasch die Hände, und manches Kinderherz bebte – vergessen war, daß sie abends am Deich einzuhüten hatten und daß die Jungen dort vor den Fenstern trommelten und pfiffen, bis sie hineingelassen wurden und Blindekuh oder Sechsundsechzig mitspielen durften.“

 

 

 

Gorch Fock (22 augustus 1880 – 31 mei 1916)