Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger

 

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

 

Uit: De dood van de sprookjesverteller

 

“Er was eens een sprookjesverteller en die ging dood. Hij had zijn hele leven lang over kabouters verteld en nu wilde hij, voor zijn dood, nog een kabouter zien, een werkelijke kabouter. Hij zocht in de provisiekast, in de ontbijttrommel, onder het buffet, maar er was nergens een kabouter te vinden. Nu begon de sprookjesverteller te wenen: ‘Ach, lieve God,’ sprak hij, ‘ze zijn op. Er is er geen eentje meer! Ik heb mijn hele leven vast geloofd dat er kabouters waren, maar nu zie je wat je er van denken moet. Hij heeft toch gelijk gehad, de kruidenier van hiernaast die mij altijd zo uitlachte. Nu heb ik niets meer van het leven te verwachten.’

En de sprookjesverteller kroop in bed, blies de kaars uit en wachtte op de dood.

Doch de dood kwam niet; hij was de verkeerde weg ingeslagen en liep nu te mopperen om het huis heen. ‘Woont hier de sprookjesverteller?’ riep hij door het raam. ‘Ja, Dood!’ antwoordde de sprookjesverteller van uit de bedstee, ‘kom er maar in! Maak het kort! Alle aar digheid is er toch voor mij af. Pas op voor de drempel, daar zit een plank los.’

‘Je bent een rare.’ hernam de Dood, zich over het bed buigend, ‘verlang je naar mij? De mensen zijn altijd bang als ik binnenkom. Vind je het prettig, dat ik er ben?’

Jawel,’ antwoordde de sprookjesverteller glimlachend, ‘ik vind het heel prettig, Dood, de kabouter wil niet komen en daarom ben ik blij dat jij komt. Of het een, of het ander.’

‘Wat zit je nu toch te praten van een kabouter?’ sprak de Dood verbaasd, ‘je bent toch een echte sprookjes verteller, waarlijk. Onderzoek liever je geweten, denk eens aan je zonden en aan de eeuwigheid. Dat zijn nuttige gedachten. Ik zal zo lang wat in de tuin rondlopen. Je roept wel als je klaar bent.’

 

 

 

Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)

Continue reading “Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger”

János Arany, Jevgeni Baratynski, Sholom Aleichem, Olivia Manning, Gerhard von Halem, Pascal Rannou

 

De Hongaarse dichter János Arany werd geboren op 2 maart 1817 in Nagyszalonta. Zie ook alle tags voor János Arany op dit blog.

 

 

Cosmopolitan poetry

 

I have no shame, no regret
That born Hungarian, I write
As one, that I can never let
My words beyond this soil take flight.
No ‘Wonder of two worlds,’ my song
If charm it has, is due to them,
My people; I am theirs, belong
To one land wholly, root and stem.

 

Let tongues of the mighty propagate
Their own language, sovereignty
Their god, a roaring flood in spate
That washes all, destructively.
But let the poet of a small nation
Placed in destruction’s very path,
Find at home his true station,
Death, else, the aftermath.

 

Or is our glory here so small
It needs must sink into the grave
Along with the nation? Do you call
Us inferior, that neighbours gave
No heed to us? Is there no test
Worthy of our strength at home,
Subject for song, no native quest?
Must we crave Albion’s loan?

 

Be a „world poet;” if you can,
Stir up the whole lazy west.
The cradle that rocked me Hungarian
Is one that I must still call blessed.
A thousand threads bind me – I deal
With motherland, with this one spot.
I sing of no abstract ideal,
Voice such, I’d rather not.

 

And what becomes of this sad mistake?
His race, his nationality
Have left a mark he cannot shake:
Will the great poet despise them, he?
I have scanned the pages of the best,
Contemporaries of mine as well;
All were mirrors, each confessed
People and land he alone could tell.

 

Pray do not think that a people stricken
Are extinguished, blotted out suddenly,
While poet and homeland in harmony quicken
With a national, endless melody.
And were you to picture some future danger,
Or should its semblance in fact appear,
Would you desert like any stranger
The holy flag, its peril near?

 

Oh, with a worthier lute to sing
As Homer did, a land reborn,
No longer a poet sorrowing
For a land of griefs now left forlorn.
But should its fate indeed be death,
Then let me be an Ossian dwelling
In a place that fades, no mongrel breath
Intoning, but a live song swelling.

 

 

Vertaald door Madeline Mason

 

János Arany (2 maart 1817 – 22 oktober 1882)

Portret door Miklós Barabás, 1894

Continue reading “János Arany, Jevgeni Baratynski, Sholom Aleichem, Olivia Manning, Gerhard von Halem, Pascal Rannou”