Ischa Meijer, Alexander Kluge, Piet Paaltjens, Robert Shea, Frederick Philip Grove

De Nederlandse journalist, toneelschrijver, filmacteur en televisiepresentator Ischa Meijer werd geboren in Amsterdam op 14 februari 1943. Zie ook alle tags voor Ischa Meijer op dit blog.

 

Uit: De interviewer en de schrijvers (Godfried Bomans)

„Achter grote ramen ligt de zandkleurige tuin, een kolossaal stuk duin beneemt het uitzicht op het bos daarachter. We drinken gescheiden een kopje thee. Bomans in de keuken, ik in de kamer. Dan staat hij plotseling naast me. Het is tien uur in de morgen. We kijken peinzend door de ruiten. Bomans belooft me een wandeling. Maar eerst de trap op, een nauwe gang door, naar zijn werkkamer.

Bomans: ‘Heb jij ooit gehoord van een jongen die op zijn achttiende sprookjes schreef? Dat is toch belachelijk, eigenlijk. We zochten allemaal ons klooster. Ik las maar, en ik las maar. Alles was beter dan dat huis… En toch, dat is zo vreemd… geen van de kinderen zal het ooit willen toegeven, ik zou het niet eens tegen ze durven zeggen. Twintig jaar ben ik ziek geweest, psychisch een wrak, ik heb twintig jaar in bed gelegen. Nu moet ik volwassen worden. Ik ben een nabloeier… ’t Kost tijd. Maar ik ga vooruit… Dat vind ik zo merkwaardig… Jij zit hier volkomen ontspannen tegenover me, je luistert naar me, stelt me een vraag. Maar dat zou ik indertijd nooit gedurfd hebben. Zomaar op bezoek bij een schrijver. Ik zou bloedrood en stuntelig op diezelfde bank hebben gezeten. Ik was zover nog niet… ik moest genezen.

Ik voel me benauwd, laten we een wandelingetje maken.’

Hij loopt voor me uit, een beetje gebogen, terwijl hij praat. Door de natte bladeren het heuveltje op. We kijken uit over het bos.

Bomans: ‘Maar ik ga vooruit. Wat ik gistermiddag op de televisie deed… zomaar in debat gaan over een actueel onderwerp… ’t Was niet goed, dat weet ik wel… maar ik deed het. Ik schrijf nu in de Volkskrant elke zaterdag een stukje, dat zou ik vijf jaar geleden niet gedurfd hebben. Over gewone alledaagse dingen zomaar je mening geven. ’t Gaat zo langzaam, weet je…’

We staan voor een gigantische, volkomen verlaten villa, gluren door de ruitjes, praten met de tuinman. Lopen daarna de weg op, het dorp Bloemendaal in.“

 

Ischa Meijer (14 februari 1943 – 14 februari 1995)

 

De Duitse schrijver en regisseur Alexander Kluge werd op 14 februari 1932 geboren in Halberstadt. Zie ook mijn blog van 14 februari 2010 en ook mijn blog van 14 februari 2011.

 

Uit: Paris, die Hauptstadt des 19. Jahrhunderts

Am 11. Juni 1940, einem Dienstag, lag die viele Kilometer sich im Umriß eines menschlichen Magens erstreckende Metropole Paris im Sonnenglast, eine Wüste aus grauem Stein. In den späten Nachmittagsstunden befand sie sich unter einem schwarzen Nebel. Die Sonne stach mit “gelblichen und roten Lanzen” in dieses Dunkel. Ein unregelmäßiger Niederschlag von Ruß, sozusagen in Wolken von großer Kleinteiligkeit. Sie färbten den Oberarm, ließen die Hand frei, sie berußten das Gesicht, schonten die Schuhe. In der Erinnerung der Bewohner war dies der Tag des Untergangs, im Gegensatz zum 14. Juni, einem Freitag, an dem von Norden die deutschen Truppen in Paris einmarschierten.

(…)

Am 11. Juni aber war es schwer, die Verdunkelung des Himmelslichts zu deuten. Major Benôit-Guyod von der Militärkommandantur hielt das Phänomen für einen künstlich verbreiteten Nebel, wie ihn die Marine verwendet. Dann wäre dies eine Maßnahme gewesen, um feindliche Bomber zu desorientieren. Wenn ich mich schneuze, ist mein Taschentuch schwarz, notierte Benôit-Guyod.¹

 

Alexander Kluge (Halberstadt, 14 februari 1932)

 

De Nederlandse dichter en predikant Piet Paaltjens werd geboren in Leeuwarden op 14 februari 1835. Zie ook alle tags voor Piet Paaltjes op dit blog.

 

Immortelle XXXIII

Mijn hart was toegevroren,

Mijn tranen vloeiden niet meer.

Toen trof mij haar gloeiende blikstraal,

En de wateren ruischten weer.

O ware ik toch verdronken

In den bitterzilten vloed!

In brakke liefdetranen

Te smoren is honingzoet.

 

Immortelle LX

Toen Knaap mij de laatste maal knipte,

Was hij aangedaan onder zijn werk.

‘Wat wordt u al grijs!’ sprak hij somber,

‘Ik vrees, u studeert te sterk.’

En Jongmans, toen hij mij gisteren

De maat voor een pantalon nam,

Keek van mijn magerheid zóó op,

Dat ik dacht dat hem iets overkwam.

Vater Muller ontzei me zijn tafel.

Ze verliep anders heelemaal.

Mijn holle kaak deed de lui denken,

Het eten was bij hem zoo schraal.

En mijn oppasser heeft zelfs den ploert al

Een goed woord voor een draagplaats verzocht,

Als soms mijnheers begraafnis

Te Leiden plaats hebben mocht.

Maar wie er ook zien en beweenen,

Dat ik zoo jong moet vergaan,

Niet hare grijsblauwe oogjes,

En die hebben ’t mij juist gedaan.

 

Adam en Eva

Adam en Eva,
Die aten samen gort.
Adam had een broekje aan
En Eva droeg een schort.
Als ik mij niet zéér vergis,
Is dat lang geleden,
Maar het ging (of ‘k heb het mis!)
Toen al net als heden.
Eva’s die de broek aanhebben,
Zijn de rechte Eva’s niet,
En een Adam met een schort voor
Noemde men een keukenpiet.
Wat de kroon is voor een koning,
Voor de huisvrouw is haar schort.
Draag de uwe steeds met ere
En ’t ontbreek’t u nooit aan – gort.

 

Piet Paaltjens (14 februari 1835 – 19 januari 1894)

Geboortehuis in Leeuwarden, Voorstreek 80

 

De Amerikaanse schrijver Robert Shea werd geboren op 14 februari 1933 in New York. Zie ook alle tags voor Robert Shea op dit blog.

 

Uit: All Things Are Lights

„Roland and the young man-at-arms clung to the wooden wall, saving themselves from falling twenty feet to the yard below. Right beside them was the gaping hole in the palisade left by the stone.

Roland knew more stones would soon follow, and wanted desperately to jump for the ladder. But he forced himself to stand still long enough to see what was happening at the Cathar fortress. He watched the wide main gateway swing open. A blaze of red torchlight gleamed on helmets and spear-points — fighting men were pouring out on the run. He waited a moment, counting. A hundred or more.

His breathing quickened and his heart pounded. Here was the diversion he needed.

He shouted down into the darkness, adding his cry to the shouts of men waking up within the crusader fort. “To arms!

To arms! The Cathars are attacking!”

Pushing the man-at-arms before him, he hurried down the ladder. The young Breton was blubbering.

“Alain. The damned Bougres got Alain.”

“Mourn him later,” Roland advised. “Just try to keep yourself alive. “

Roland hesitated at the foot of the steps. The stone had knocked the logs apart, leaving an opening at the base of the wall wide enough for a man to step through.

“I am going out there to get a better look at them,” Roland said, sliding the two-handed sword, almost as long as his leg, out of its scabbard. “You report to the commander.”

“God go with you, Sire Orlando,” the man-at-arms said to him.

Roland hurried out into the darkness, alone with his excitement and fear.“

 

Robert Shea (14 februari 1933 – 10 maart 1994)

New York City

 

De Canadees-Duitse schrijver en vertaler Frederick Philip Grove werd geboren als Felix Paul Greve op 14 februari 1879 in Radomno, Westpruisen. Zie ook alle tags voor Frederick Philip Grove op dit blog.

 

Uit:Fruits of the Earth

„On the trail from the yard a dust cloud was trailing along. It took Abe a second or so to make out, at the apex of the fan-shaped cloud, a man on horseback tearing along at a terrific speed. He was riding a draught-horse, which fact was betrayed by the lumbering though furious gallop. He had just crossed the pasture.
“He leapt the gate,” Victor said from behind Abe’s back.
Abe did not answer. Who could it be? Whence did he come? A dull and ever-increasing disquietude took hold of him.
Suddenly he recognized the rider. It was Bill Crane. He should have been back by this time. The horse he was riding was clearly doing its utmost; yet Bill was wildly lashing it with a long line.
Everybody in the whole field was aware of the rider’s approach; all work had slowed down.
Then, at a distance of a quarter of a mile, the horse stumbled in full career and fell, throwing the rider who rolled over two or three times, to leap up and to fall again, fighting for breath and reeling.
Abe veered on Lafontaine. “For God’s sake, shut that engine off!”
Victor jumped; the hum subsided into silence.
Bill had stopped, struggling for his voice. “Charlie!” he yelled. “Charlie’s got hurt.” Abe’s knees gave under him.
“Where? How?” he shouted.
“Hilmer’s bridge. Load went over him!” Bill was still staggering forward; apparently he had been hurt by his fall.
“Hurt?” Abe asked as if groping for a clue.
“Load went right over him.”
For a moment it looked as if Abe were going to ask more questions. Then he turned and ran for the lead team of his grain tank. Feverishly he unhooked one of the horses, a Percheron colt, and, gathering the long line into loops, vaulted on his back. Lashing the heavy horse into a gallop, he shot past the engine out on the trail.“

 

Frederick Philip Grove (14 februari 1879 – 19 augustus 1948)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e februari ook mijn vorige blog van vandaag.