Oudjaar (J. H. Leopold, Theodor Fontane, John Milton)

Alle bezoekers en mede-bloggers een aangename jaarwisseling en een gelukkig Nieuwjaar!

 

Barend Cornelis Koekoek (1803 – 1862), Winterlandschap

 

Nu dat het jaar is oud en wit

Nu dat het jaar is oud en wit
En elk in zijn behuizing zit
Over het vuur gebogen,
Nu zal een wakkre zang opgaan
En dreunend aan de zolder slaan
Rumoerend in den hoge.

Hoe zit de huisman breed en goed
Op zijnen stoel en welgemoed
Keert hij de rug naar buiten
En tegen kou en overlast
Noodt hij de vrolijkheid te gast
Met neuriën en fluiten.

En dan op een gegeven woord
Zet in hij en onverstoord
Een bas met zware gangen,
Terwijl de vrienden honderd uit
Met tierelierend keelgeluid
Opvolgen en vervangen.

Tuinkoningen in wintertijd
Die al de strenge vorst ten spijt
Hun helder liedje zingen;
Wat ook voor leed heeft aangerand
Of dreigen mag, houd stand, houd stand,
Kloek hart zal ’t al bedwingen.


J. H. Leopold (11 mei 1865 – 21 juni 1925)

Doorgaan met het lezen van “Oudjaar (J. H. Leopold, Theodor Fontane, John Milton)”

Ida Gerhardt, Rainer Maria Rilke, Friedrich von Schiller, T.S. Eliot

Wegens omstandigheden, zoals dat heet, even iets anders:

 

Lof van het onkruid

Godlof dat onkruid niet vergaat.
Het nestelt zich in spleet en steen,
breekt door beton en asfalt heen,
bevolkt de voegen van de straat.

Achter de stoomwals valt weer zaad:
de bereklauw grijpt om zich heen.
En waar een bom zijn trechter slaat
is straks de distel algemeen.

Als hebzucht alles heeft geslecht
straalt het klein hoefblad op de vaalt
en wordt door brandnetels vertaald:

‘gij die miljoenen hebt ontrecht:
zij kòmen – uw berekening faalt.’
Het onkruid wint het laatst gevecht.

Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)

Doorgaan met het lezen van “Ida Gerhardt, Rainer Maria Rilke, Friedrich von Schiller, T.S. Eliot”

Peter Buwalda

De Nederlandse schrijver, journalis en redacteur Peter Buwalda werd geboren in Blerick op 30 december 1971. Hij was medeoprichter van het tijdschrift WAH WAH. Daarnaast schreef hij essays en verhalen voor tijdschriften als Bunker Hill, De Gids, Hollands Maandblad en Vrij Nederland. In september 2010 debuteerde hij met de roman Bonita Avenue, uitgegeven door De Bezige Bij. Het boek kreeg een nominatie voor de Libris Literatuur Prijs 2011. Ook is hij in de race om de Gouden Strop. Op 22 september 2011 werd bekend dat hij de Academica Debutantenprijs heeft gewonnen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2011.

Uit: Bonita Avenue

“Joni, Joni’s zusje Janis, zijn vrouw Tineke, iedereen in de grote herenkamer wist welke foto Sigerius bedoelde. Het ging om de foto die ongeveer een jaar eerder op groot formaat was afgedrukt in het blad van Tubantia University, de kleine campusuniversiteit in de bossen tussen Hengelo en Enschede waarvan Sigerius rector magnificus was. Hij stond erop aan de oever van het Amsterdam- Rijnkanaal, zonder kleren op een stropdas na, wijdbeens met zijn blote voeten in modderig, platgetreden gras, met onder zijn voorzichtig bollende vijftigersbuik duidelijk zichtbaar zijn geslachtsdelen. De foto werd de dagen erna overgenomen door vrijwel alle landelijke dagbladen, van NRC tot De Telegraaf , en uiteindelijk zelfs door Bild en een dagblad in Griekenland.
‘Ik heb een vermoeden,’ gaf Aaron toe, zich afvragend of Joni haar vader had bijgepraat of dat Sigerius hem gewoon herkende: de lange kale fotograaf van Tubantia Weekly die tijdens zijn publieke optredens als een paardenvlieg met een spiegelreflex om de rector heen zoemde. De laatste mogelijkheid vond hij vleiender, zoals iedereen het op de campus vleiend zou vinden opgemerkt te worden door de charismatische man die nu zijn hand stond fijn te knijpen.
Siem Sigerius was sinds zijn aantreden in 1993 het blakende middelpunt van Tubantia University, een hete zon waaromheen achtduizend studenten en hardwerkende academici hun kalme ellipsjes draaiden, verbaasd maar dankbaar dat hij juist hun campus verwarmde, en niet het Binnenhof waar hij een staatssecretarisschap had laten lopen, of een van de grote Amerikaanse universiteiten die naar zijn gunsten dongen. De eerste keer dat hij Joni’s vader zag was op de televisie, ettelijke jaren eerder, hij woonde nog bij zijn ouders in Venlo. De augustus na zijn eindexamen voer er iets in hem en zijn broer dat hen tot fanatieke Zomergasten-kijkers maakte, en tijdens een van die enerverende, studieuze zondagavonden zat er een wiskundige judoka tegenover Peter van Ingen, of misschien een judoënde wiskundige, een man in elk geval die fragmenten van Wim Ruska, rusteloze jazz, Tokio 1964 en André van Duin afwisselde met documentaires over priemgetallen en de laatste stelling van Fermat.”

Peter Buwalda (Blerick, 30 december 1971)

Job Degenaar, James L. Dickey, Max Dauthendey, Evelyn Scott

Wegens omstandigheden, zoals dat heet, even iets anders:

 

Vaders nipte terugkeer

Moment waarop hij z’n ogen
opslaat en ziet ‘het is
er nog, ik ben er nog’

en weer wegvalt als
een zwakke zender

De machinerie van toe- en
afvoerslangen ruist, zoemt,
flitst codes van onmacht

maar stuurt hem in
z’n zachte landing bij

Buiten de kliniek hangt
behaagziek voorjaar


Job Degenaar (Dubbeldam, 1 november 1952)

Doorgaan met het lezen van “Job Degenaar, James L. Dickey, Max Dauthendey, Evelyn Scott”

Liu Xiaobo, Burkhard Spinnen, Shen Congwen, Engelbert Obernosterer, Conrad Busken Huet

De Chinese dichter en mensenrechtenactivist Liu Xiaobo werd geboren in Changchun op 28 december 1955. Zie ook mijn blog van 28 december 2010.

Uit: Ich habe keine Feinde, ich kenne keinen Hass (Vertaald door Katrin Betz en Hans Peter Hoffmann)

Leben und in Würde leben
Über die chinesische Lebenseinstellung

Unter der autokratischen Macht einer Partei dreht sich die politische Existenz und der politische Betrieb einzig und allein um die Macht, es gibt kein weiteres Motiv; die Existenz des Staates oder des Volkes ist nur ein Vorwand für die Machtausübung, es gibt keinen anderen Wert. Die Menschen unter einem autokratischen System leben einzig und allein um zu leben, es gibt keine anderen Werte, die eingefordert würden.
Wer so lebt, früher vom kommunistischen Fanatismus für dumm verkauft, heute bestochen vom Versprechen auf Wohlstand, lebt damals wie heute in einer menschlichen Wüste.
Die Chinesen als Menschen lebten damals ohne die geringste Würde, sie waren nichts als ein Werkzeug der Terrorordnung und hatten keine grundlegenden Werte mehr!
Mao Zedong hat unseren Landsleuten beigebracht: »Seid eine Schraube im revolutionären Getriebe!«
Ganz gleich, oh man sich wie in der Mao-Ära der Revolution widmete oder unter Deng Xiaoping die Revolution mied, unsere Landsleute hatten nur eine Wahl: eine Schraube zu sein in der Maschinerie der Despoten.

Wer lebte, lebte als Opportunist, hingegeben an ein Leben ohne Wahl nach der «dicken dunklen Theorie«.
Wer lebte, lebte in Heuchelei, eine zynische Strategie, versessen darauf, den Charakter zu spalten.
Wer lebte, lebte gleichgültig und abgestumpft, gewohnt an eine egoistische Zuschauerrolle.
Wer lebte, lebte auf den Knien, zufrieden mit dem Brot der Almosen.
Wer lebte, lebte leichthin und trivial; moralisches Schamgefühl und unauslöschliches Gewissen starben im Schweigen.
Wer lebte, lebte nur mit gebeugten Knien und gesenktem Kopf, eine moralische Ohnmacht, die längst nicht mehr an die Kraft des Gewissens und der Gerechtigkeit glaubte.
Wer lebte, lebte nur so, eine moralische Hilflosigkeit, in der der Opportunismus das Gewissen verschlang.
Wer lebte, lebte klug und aalglatt, verkaufte zunächst sein Gewissen, dann seine Helden, die ein Gewissen hatten, und schließlich das Schamgefühl, das für seine Sünden die Verantwortung übernimmt. Ein Mensch und ein Volk, das kein Schamgefühl hat, kann sehr glücklich leben.“

 

Liu Xiaobo (Changchun, 28 december 1955)

Doorgaan met het lezen van “Liu Xiaobo, Burkhard Spinnen, Shen Congwen, Engelbert Obernosterer, Conrad Busken Huet”

Öyvind Fahlström, Manuel Puig, Antoine Bodar, Morris Rosenfeld, Erich Köhler, Guy Debord, Alfred Wolfenstein, Édouard d’Anglemont, Antoine Furetière

De Zweedse kunstenaar, dichter en schrijver Öyvind Axel Christian Fahlström werd geboren op 28 december 1928 in São Paulo. Zie ook mijn blog van 28 december 2010.

 

Uit: The Invisible Painting, 1960

„Very generally:
The future of art, if it is to have any future, must be based on a synthesis. I regard most modern art as an experimental field for separate discoveries and solutions, the unity of composition and form, color composition, illusions of time and space, poetic content, automatism and gesture, experimentation with material. A growing number of artists end up in a technical idiocy of style, cultivating a particular halfway solution.

The future: an attempt to create complete works of art. Fewer — bigger — more important — more worked through. That it’s natural for an artist to make a few such works, in the same way a composer or writer does. Natural to plan and “think through” a work to a greater extent and, if possible, to use technology and science, as has been done most significantly in music. See, for example, Schöffer’s cybernetic mobiles.

 

Öyvind Fahlström, Column no. 2 (Picasso 90), 1973

 

Less generally:
In one particular respect I think that collaboration with technology is imminent.

Painting is lagging behind the other art forms because of its limited opportunities to reach its audience. By “reach” I mean to “own” a work of art, to possess it, to take it out when you want to, have it on display or not — like a book or a record — so that as many people as possible can experience an original, as they can with film and theater. By this I mean that the fetishism connected to handmade and signed originals would never exist; instead there would be a multitude of equally valuable copies. When art is bought today, it happens, as we know, only partly for the same reasons that books or records are purchased — and it is bought by an extremely limited group of people. Those to whom works of art mean the most have the least means to acquire them. This is an incredibly warped situation, to which many artists are oddly resigned.“

 

Öyvind Fahlström (28 december 1928 – 9 november 1976)

Doorgaan met het lezen van “Öyvind Fahlström, Manuel Puig, Antoine Bodar, Morris Rosenfeld, Erich Köhler, Guy Debord, Alfred Wolfenstein, Édouard d’Anglemont, Antoine Furetière”

Hildegard Knef

De Duitse actrice, schrijfster en zangeres Hildegard Knef werd gebpren in Ulm op 28 december 1925. Ze volgde tijdens de oorlogsjaren een opleiding aan de filmschool in Babelsberg bij Berlijn. Daar deed ze haar eerste vriend op, een chef bij het filmbedrijf, met wie ze voor de Russen uit moest vluchten. Na toch te zijn opgepakt bleek de vriend tot haar grote schrik een beschermeling van Joseph Goebbels te zijn, een nazi uit de hogere kringen derhalve. Deze ongewilde nazi-connectie heeft een glanzende carrière van Knef in de VS verhinderd, hoewel ze er met haar rol in de Broadwaymusical Silk Stockings van Cole Porter wel succes had. Knefs carrière begon in 1946 met Die Mörder sind unter uns, de eerste naoorlogse Duitse film. In 1951 veroorzaakte de voorstelling van zelfmoord en euthanasie in de film Die Sünderin een schandaal. Een grote internationale filmcarrière was voor Hildegard Kneff, of ‘Neff’, zoals ze zich in de Verenigde Staten liet noemen, niet weggelegd, hoewel ze er wel veel moeite voor heeft gedaan. Ze ontpopte zich in de jaren 60 met haar zwaar doorrookte stem vooral als chanteuse; veel van haar liedteksten schreef ze zelf. Later gebruikte ze haar schrijftalent voor een tweetal boeken: het autobiografische Der geschenkte Gaul (1970), dat een veelgeprezen bestseller werd, en Das Urteil (1975). In dat laatste boek schrijft ze over kanker. Knef heeft meer dan 20 jaar de kanker in haar eigen lichaam bestreden, werd 50 keer geopereerd, raakte verslaafd aan pijnstillende drugs en medicijnen, lag in 2001 drie weken in coma, raakte door alle behandelingen steeds vatbaarder en overleed uiteindelijk aan een longontsteking. Tussen alle behandelingen door probeerde ze haar werk voort te zetten. In 1998 nog nam ze een CD op met jazz- en rocknummers en in 1990 verscheen een CD met de titel 17 Millimeter. Hildegard Knef overleed op vrijdag 1 februari 2002 op de leeftijd van 76 jaar.

 

Uit: Der geschenkte Gaul

“Er hieß Hans Theodor, war groß, war wild, war rastlos, war rothaarig – durcheilte Leben, durcheilte Berufe wie Schnellzüge Stationen – gewann Wettschwimmen gegen die Rheinströmung, gewann Fußballpokale, gewann Amateurboxkämpfe.
War verzweifelt.
Ich hätte ihn gern kennen gelernt.
Mit 17 bekam er sein EK II – mit 17½ sein EK I. Er hatte sich freiwillig gemeldet, war an der Somme, war in Verdun und war einmal im Bordell. Und als der Krieg vorbei war, rissen sie ihm am Anhalter Bahnhof in Berlin die Schulterstücke runter und die Orden ab – was ihm blieb, war die Krankheit. »Geheilt«, sagte der Arzt nach einem Jahr – »ham Se noch mal Glück jehabbt.«
Er konnte sich nicht mehr zurechtfinden in dem nach Kohlrüben riechenden Deutschland. Suchte Kriege, suchte Streit – bis er seine Frieda Auguste traf. Sie heirateten. Packten ein, packten aus, zogen hin, zogen her, führten eine Umzugsehe. manchmal verdiente er, hatte Auto samt Chauffeur, verlor beides, landete in Ulm. Da kam die nächste große, einmalige, alles bisher Dagewesene in den Schatten stellende Chance: Türkei, eigene Fabrik, Unabhängigkeit. Die vermasselte ich. Mein Auftritt fand im Dezember statt. Mein Vater raste durch die Wohnung, schrie: »Ist ihr Blut in Ordnung, Doktor, ist das Blut auch in Ordnung?« Es war.
Einen Monat später fand Mutter die Spritze. Im Flur war ein Hängeboden, auf dem Hängeboden ein Karton, im Karton die Spritze. Sie fragte ihn: Was soll die Spritze?
Sie ist wiedergekommen, die Krankheit von damals. Ich bin in Behandlung, mache mir die Spritzen, sie sagen, es ginge wieder vorbei.
Es ging nicht. Er bekam Fieber, bekam Angina. Ob das eine mit dem anderen zusammenhing, wussten sie nicht, die Ärzte. Er kam ins Krankenhaus. Mutter auch. Sie hatte eine Blinddarmentzündung. Er lag im zweiten, sie im ersten Stock.”

 

Hildegard Knef (28 december 1925 – 1 februari 2002)

Cover