Mario Petrucci, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook mijn blog van 29 november 2008 en ook mijn blog van 29 november 2009 en ook mijn blog van 29 november 2010.



It puffed up our brains –

a bicycle-pump pressure down rubbery cords.

One hundred and eighty-six thousand

miles per second.

Dolphin has no such constancy,

hears like soup.Its grey-blue steel

jerks into air, makes children gasp.

Dolphin hoops the water – each leap

equal to its aether.

On the west coast I dug

for potatoes.Light there took its time

to gather, took time to roll in

its hard-earned pillows of dark.

Our Enlightenment boys

ply the radioactive, black-goggled

in the bomb-burst.They squint past embers

at the rim of the universe, urgent

for the one dark thing.

Already they catch it, condense it,

flourish it across the benchtop

like a royal flush.Bounce it off the cheek

of the moon.Make it check itself –

snitch on the slightest anomaly.Back

and forth, the caged exactitude.

It’s the one constant, they said.

Let us build all space, all time, all

knowledge around it.

But the dolphin.The filed

white teeth, its white life.

It has missed the tide.

The fish-mammal is beached, flesh

desiccating in iridescent decay.

Its shrill scrimshaws to the marrow.

The children think it is smiling.


everyone begins as fish &

ends so – spiralling after
egg (that other half of our
chains) & setting gills

in gristled knot that buds
legs as tadpoles do & blow-
hole ears halfway down

the back & low-set eye
alien as featherless chick –
ah we have peered into

that shared ovum whose
blasto-flesh runs its gauntlet
of fowl & fish so fused at

the tail nothing can be told
apart – is this why when i am
late i find in upstairs dark

you – on placenta duvet &
hunched round self as wom-
bed ones are? – as though

i had just returned from
all eternity to catch you
naked out sleepwalking

space without even
navel-twisted purpled
rope to hold you


Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)

Doorgaan met het lezen van “Mario Petrucci, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis”

Louisa May Alcott, Wilhelm Hauff, Franz Stelzhamer

De Amerikaanse schrijfster Louisa May Alcott werd geboren op 29 november 1832 in Germantown, Pennylvania. Zie ook alle tags voor Louisa May Alcott op dit blog.


Fairy Song

The moonlight fades from flower and tree,

And the stars dim one by one;

The tale is told, the song is sung,

And the Fairy feast is done.

The night-wind rocks the sleeping flowers,

And sings to them, soft and low.

The early birds erelong will wake:

‘Tis time for the Elves to go.

O’er the sleeping earth we silently pass,

Unseen by mortal eye,

And send sweet dreams, as we lightly float

Through the quiet moonlit sky;–

For the stars’ soft eyes alone may see,

And the flowers alone may know,

The feasts we hold, the tales we tell:

So ‘tis time for the Elves to go.

From bird, and blossom, and bee,

We learn the lessons they teach;

And seek, by kindly deeds, to win

A loving friend in each.

And though unseen on earth we dwell,

Sweet voices whisper low,

And gentle hearts most joyously greet

The Elves where’er they go.

When next we meet in the Fairy dell,

May the silver moon’s soft light

Shine then on faces gay as now,

And Elfin hearts as light.

Now spread each wing, for the eastern sky

With sunlight soon will glow.

The morning star shall light us home:

Farewell! for the Elves must go.


Louisa May Alcott (29 november 1832 – 6 maart 1888)

Doorgaan met het lezen van “Louisa May Alcott, Wilhelm Hauff, Franz Stelzhamer”

Antanas Škėma, Madeleine L’Engle, Ludwig Anzengruber, Andrés Bello, Maurice Genevoix, Silvio Rodríguez

De Litouwse dichter en schrijver Antanas Škėma werd op 29 november 1910 geboren in Lodz in Polen. Zie ook mijn blog van 29 november 2008 en ook mijn blog van 29 november 2009en ook mijn blog van 29 november 2010.


Uit: Steps And Stairs (Vertaald door Kęstutis Girnius)

„Our apartment house does not have a full-time janitor, so the garbage no longer fits into the cans. Wax paper, egg shells, a cracked cup, milk cartons He on the side walk. Across the street—a boy’s school. During recess four boys run to the area between two doors and play cards. Coins flash on the linoleum. The kids swear like old troopers sitting on bar stools in taverns. A carriage with an infant rests in the sun. He is dozing, the milk bottle and its slimy nipple slip out of his toothless mouth. His mother, a corpulent Ukrainian, is talking with a neighbor on the other side of the street. About money earned, about money saved, about money which floats above New York in thousands but settles as single dollar bills on Driggs Avenue.

I climb to the fourth floor. My steps splatter sound which sticks to the dusty walls. My steps rumple the high notes of an Italian song (a radio is playing on the second floor). Piles of accurately carved out steps accumulate on the stairs. I climb to the fourth floor, to the fourth, to the fourth, to the fourth. My steps are a mechanical saw slicing off the ends of planks. I climb among invisible plank ends flying in an enclosed space, surrounded by greenness I ascend toward the sun. On the top floor, not unlike an artist’s atelier, a skylight in the roof, the sun’s rays drill their yellow screws toward which the blind man thrusts out the viscous whites of his eyes.

Our neighbor is the corpulent Ukrainian and her large family. Husband, son, the son’s wife, the son’s son (the infant in the carriage), a sister, and the half-blind old man who now stands, head bent back, grasping the handrail, who thrusts out his eyes toward the sun’s yellow screws. He grasps the rails as a ship’s captain the spokes of the wheel when a thick fog is all around and murky white icebergs are ahead. He stands like this for whole hours, straight and immovable, an old and experienced wolf in this ocean of shimmering light.

Evening comes. The constant boring kindles the yellow screws, they redden, and the glowing light exhales a remembrance of a fire-site; and when the mechanic stops the saw, the screws revolve no longer, but cool and disappear in the approaching night. Below the ceiling a little electric lamp lights up. Covered with spider webs, the remnants of last year’s flies, the lamp announces that you have changed course, experienced captain.“


Antanas Škėma (29 november 1910 – 11 augustus 1961)

Doorgaan met het lezen van “Antanas Škėma, Madeleine L’Engle, Ludwig Anzengruber, Andrés Bello, Maurice Genevoix, Silvio Rodríguez”

Constantijn Huygens-prijs 2011 voor A. F. Th. van der Heijden


Constantijn Huygens-prijs 2011 voor A. F. Th. van der Heijden

De Nederlandse schrijver A.F.Th. van der Heijden heeftde Constantijn Huygens-prijs 2011 gewonnen. Dat heeft de Jan Campert Stichting gisteren bekendgemaakt. De Huygens-prijs is een oeuvreprijs die sinds 1947 jaarlijks wordt uitgereikt. Volgens de jury is Van der Heijden “er in 33 jaar schrijverschap als geen ander in geslaagd om de wereld met een literaire blik te bezien. In zijn romans kan alles literatuur worden.” Aan de prijs, die eind januari wordt uitgereikt, is een bedrag van 10.000 euro verbonden. A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober. Zie ook alle tags voor A. F. Th. van der Heijden op dit blog.


Uit: Tonio. Een requiemroman

„Soms wil ik hem heel dicht tegen me aan houden. De gedachte doet zich meestal voor als ik in bed lig te lezen, en zomaar opeens mijn boek ter zijde leg. Kom maar, zeg ik dan geluidloos. Kom maar, Tonio, onder het dek. Ik zal je warm houden.
Zijn lichaam is willoos, slap, maar niet koud. Het is de Tonio die na de aanrijding op het plaveisel heeft gelegen, een half etmaal voor zijn dood. De inzittenden van de rode Suzuki Swift staan buiten de auto, en durven niet naar het verderop neergekwakte lijf te kijken. De sirenes van politie en ambulance zijn nog niet hoorbaar. Het blauwe geflakker van de zwaailichten moet nog komen. Het is dan dat ik hem opraap en naar mijn bed draag, waarvan ik het dek opensla.
Kom maar. Dicht tegen me aan. Dat zal je warm houden. Ze komen zo om je beter te maken.“


A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

F. Bordewijk-prijs en Jan Campert-prijs 2011


F. Bordewijk-prijs 2011 voor Gustaaf Peek

Aan aan de Nederlandse schrijver Gustaaf Peek is de F. Bordewijk-prijs voor verhalend proza toegekend, voor zijn roman ‘Ik was Amerika’. Gustaaf Peek werd geboren in Haarlem in 1975. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2011.


Uit: Dover


„We hebben het niet gehaald. […] We droomden dat we trouwden en kinderen kregen, zoveel als we wilden. Om het nog een keer te proberen. Aankomen. Nooit meer weggaan. Een laatste droom. De witte wereld. Liefde. Er zijn velen zoals wij hier.


Bernard hield een hand op de wond. Zijn vingers weekten in de warmte, hij durfde niet te kijken. Ze hadden hem achter het stuur gelaten, de deuren waren op slot. Bomen hadden de wagen ingesloten, het moest een parkeerplaats in een bos zijn. Het was nacht. Er zouden geen families meer langskomen voor een mooie wandeling. Hij had het koud.“



Gustaaf Peek (Haarlem, 1975)






De Jan Campert-prijs 2011 voor Erik Spinoy


De Jan Campert-prijs, voor de beste dichtbundel, gaat naar Erik Spinoy voor zijn bundel ‘Dode Kamer’. De Vlaamse dichter en schrijver Erik Spinoy werd geboren op 22 mei 1960 in Sint-Niklaas. Zie ook alle tags voor Erik Spinoy op dit blog.



De wind, de eindeloze wind


De wind, de eindeloze wind
waait waar hij wil

danst op een esdoornblad
smijt schepen heen en weer
vermaakt zich met een zwaluw
legt zich doodmoe neer

Wat hij, zijn waaien
te betekenen heeft?
Verkeerd, aan dit adres!




Erik Spinoy (Sint-Niklaas, 22 mei 1960)