Maarten ’t Hart, Connie Palmen, Alexis Wright, Arturo Pérez-Reverte, Ba Jin

De Nederlandse schrijver Maarten ’t Hart werd geboren op 25 november 1944 in Maassluis. Zie ook alle tags voor Maarten ’t Hart op dit blog.

 

Uit: Een vlucht regenwulpen

„Ik lig in bed en kan niet slapen. De angst is gekomen. Soms is het zo erg dat ik het klappertanden kan horen als een ratelend geluid. Ik transpireer zo hevig dat het lijkt alsof ik heb gezwommen. Telkens val ik opnieuw omlaag uit de schoorsteen, ik zie mijzelf neerstorten, ik ben ook op andere toppen dan de top van de Oberberghorn en val in de onmetelijke ruimte omlaag in de richting van de Brienzersee. Het zijn beklemmende koortsvisioenen die bijna niet van de werkelijkheid te onderscheiden zijn en toch slaap ik niet, toch ben ik helder wakker maar ik onderga die broedende beelden zeer angstig. Ik zie mezelf bloedend liggen op de rotsen, telkens opnieuw in de diepte storten langs groene hellingen in de richting van naaldbomen die mij zullen spietsen of in de richting van scherpe, puntige rotsen waarop ik zal hangen tot ik sterf van honger en dorst. En altijd opnieuw is er dat verschrikkelijke vallen en ik probeer die beelden te verdrijven met andere beelden, rietlanden in zomerzonlicht, een vlucht regenwulpen, baltsende futen en gedurende een ogenblik kan dat opluchting geven maar het volgende moment val ik, val ik onophoudelijk.

Ik voeg heel bewust een fantasie toe aan de beangstigende droombeelden. Ik stel mij voor dat ik vleugels heb als een engel. Een korte tijd kan dat helpen, val ik niet omlaag maar zweef ik omlaag. Maar als ik zo zweef in brandend scherp zonlicht slaap ik in en onmiddellijk begint het echte vallen en ik schrik wakker uit mijn korte slaap, voel mijn bonzende hoofd waar zich achter het gedeelte boven mijn ogen een helse pijn ophoudt en ik probeer die beelden van het vallen te ontkrachten door mijn ogen wijd open te sperren in de zwarte duisternis maar zodra ik ze sluit begint het neerstorten weer. Ik kan geen adem halen omdat de lucht zo snel langs me schiet, ik hijg in het warme bed, de lakens zijn doornat van zweet en plakken aan mijn lichaam. Ik probeer mij voor te stellen dat ik aan een parachute hang als ik val en dat lukt maar zorgt ook dadelijk voor een dommel met een droom van een pijlsnel naderbij komende Brienzersee.“

 

Maarten ’t Hart (Maassluis, 25 november 1944)

 

De Nederlandse schrijfster Connie Palmen werd op 25 november 1955 geboren in Sint Odiliënberg. Zie ook alle tags voor Connie Palmen op dit blog.

Uit: Die Gesetze (Vertaald door Barbara Heller)


An einem Sonntagnachmittag im März 1983 läute ich bei Clemens Brandt. Die Mappe mit meinen Unterlagen drücke ich fest an mich. Es ist zu spät, um mir noch eine Variante zum abgedroschenen Begrüßungssatz auszudenken, den ich im Geist ständig wiederhole. Ich kann ihm ja schlecht sagen, daß die Welt für mich auf elegante Art in Ordnung ist, weil heute Sonntag ist und er ein Priester und beides zusammengehört, und daß ich, einmal hier gelandet, mir keinen besseren Tag für ein Treffen hätte aussuchen können. Nachdem ich die Klingel gedrückt habe, wische ich mir die rechte Hand an meinem Rock ab und versuche, sie so lange wie möglich trocken zu halten.

Brandt ist berühmt. Daß er vor Jahren auch noch zum Priester geweiht wurde, entdecke ich erst, als ich mich schon mit ihm verabredet hatte und mir aus der Bibliothek eilig das einzige Buch von ihm auslieh, das ich noch nicht gelesen hatte. Es war sein erstes Buch, die Veröffentlichung seiner Dissertation. In seinen späteren Büchern wurde im biographischen Hinweis nie erwähnt, daß er Priester war.
Schriftsteller und Priester paßte für mich nicht zusammen. Seit Jahren war ich keinem Priester mehr begegnet, und mein Bild war einzig und allein vom Pfarrer meines Heimatdorfes geprägt.
Priester haben eine Berufung, eine Haushälterin und wachsbleiche Hände. Morgens predigen sie in der Kirche, sie taufen, trauen, nehmen die Beichte ab und gehen nur zu Menschen nach Hause, wenn Kinder geboren werden sollen oder jemand im Sterben liegt. Meist schweigen sie. Sie lesen und beten. Sie lesen immer dasselbe Buch und kennen es mit der Zeit in- und auswendig. Sie sind anders als unsere Väter. Es sind keine normalen Männer.

Ein Gespräch mit einem Autor zu führen war unheimlich, aber nicht unmöglich. Ein Gespräch mit einem Priester zu führen war unmöglich. Was war Clemens Brandt? Man kann nicht Schriftsteller und Priester zugleich sein, das eine ist in gewisser Weise die Deformation des anderen. Clemens Brandt war entweder ein unnormaler Priester oder ein unnormaler Schriftsteller.“

 


Connie Palmen (Sint Odiliënberg, 25 november 1955)

 


De Australische (Aboriginal) schrijfster
Alexis Wright werd geboren op 25 November 1950 in de Gulf of Carpentaria. Zie ook mijn blog van 25 november 2008 en ook mijn blog van 25 november 2009 en ook mijn blog van 25 november 2010.

 

Uit : Carpentaria

„In this otherwise quietly living population of about three hundred people, no living soul remembered what the port had looked like before. No picture could be put on display in a showcase at the museum of scarce memorabilia, because no one at the time of the heyday thought it was worthwhile to take a photo. But everybody knew that this was Normal’s river.
One day, someone in town, whose name is not worth a mention, was languishing around in a laconic stupor following the months of heatwave in the Wet season build-up, waiting for the rain to come. Lying flat out like a corpse on the bare linoleum floor in the hallway of a house exactly like the one next door. Capturing in a long sigh of appreciation the northern sea breezes that came waltzing straight over twenty-five kilometres of mudflats, whistling their arrival through the front door while, on the way out, slamming the back door open and shut. All of a sudden this someone of no consequence thought of changing the name of the river to Normal. And, in a town where change never came easy, it came to be.
There was a celebration by the local Shire Council. The occasion was the anniversary of the port’s first one hundred years. It coincided with a spate of unusual happenings during a short-lived era of Aboriginal domination of the Council. Harmless coercing of the natives, the social planners hummed, anxious to make deals happen for the impending mining boom. Meaningful coexistence could now accommodate almost any request whatsoever, including changing a river’s name to Normal. During this honeymoon period, those Aboriginal people who took the plunge to be councillors wisely used their time in public office to pursue scraps of personal gain for their own families living amidst the muck of third-world poverty.
All this was part and parcel of the excitement of Desperance when the first multinational mining company came into the region. Numerous short-lived profiteering schemes were concocted for the locals, in order to serve the big company’s own interests as they set about pillaging the region’s treasure trove: the publicly touted curve of an underground range embedded with minerals.“

 

Alexis Wright (Gulf of Carpentaria, 25 November 1950)

 


De Spaanse schrijver Arturo Pérez-Reverte werd geboren op 25 november 1951 in Cartagena. Zie ook mijn blog van 25 november 2008 en ook mijn blog van 25 november 2009 en ook mijn blog van 25 november 2010.

 

Uit:The Queen of the South (Vertaald door Andrew Hurley)

“I always thought that those narcocorridos about Mexican drug runners were just songs, and that The Count of Monte Cristo was just a novel. I mentioned this to Teresa Mendoza that last day, when (surrounded by bodyguards and police) she agreed to meet me in the house she was staying in at the time, in Colonia Chapultepec, in the town of Culiacan, state of Sinaloa, Mexico. I mentioned Edmond Dantès, asking if she’d read the novel, and she gave me a look so long and so silent that I feared our conversation would end right there. Then she turned toward the rain that was pittering against the windows, and I don’t know whether it was something in the gray light from outside or an absentminded smile, but whatever it was, it left a strange, cruel shadow on her lips.

“I don’t read books,” she said.

I knew she was lying, as no doubt she’d lied countless times over the last twelve years. But I didn’t want to insist, so I changed the subject. I’d tracked her across three continents for the last eight months, and her long journey out and back again was much more interesting to me than the books she’d read.

To say I was disappointed would not be quite accurate-reality often pales in comparison with legends. So in my profession the word “disappointment” is always relative-reality and legend are just the raw materials of my work. The problem is that it’s impossible to live for weeks and months obsessed with someone without creating for yourself a definite, and invariably inaccurate, idea of the subject in question-an idea that sets up housekeeping in your head with such strength and verisimilitude that after a while it’s hard, maybe even unnecessary, to change its basic outline. We writers are privileged: readers take on our point of view with surprising ease. Which was why that rainy morning in Culiacan, I knew that the woman sitting before me would never be the real Teresa Mendoza, but another woman who was taking her place, and who was, at least in part, created by me. This was a woman whose history I had reconstructed piece by piece, incomplete and contradictory, from people who’d known her, hated her, and loved her.”

 

Arturo Pérez-Reverte (Cartagena, 25 november 1951)

 

De Chinese schrijver Ba Jin werd op 25 november 1904 geboren in Chengdu. Zie ook alle tags voor Ba Jin op dit blog.

 

Uit: When the Snow Melted (Vertaald door Tang Sheng)

„I had not known the couple very long but living abroad, and in the country made us fairly close friends. I knew little of their past, only that his father was a not too high-ranking official and that both were college students. They had fallen in love and married three years ago but were as yet childless.

It seemed to me there was no real barrier between them. They ought to be getting on very well together. They cared for each other and were comfortably off. Both were studying: he education and she literature, but this was no reason for a clash.

I had never discovered the reason for their quarrels. This time too I found not a clue. She kept her lips shut but the grim lines around them faded. By the time we reached my door, she had calmed down.

“What’s the matter? Had a row again?” I asked casually as I took her in and hung up our coats. Nodding, she dropped despondently into a chair and stared dully at the painting on the wall, one hand absently smoothing her hair.

I sat down opposite her. “What about?” I asked, seeing that she remained silent. I kept my eyes on her face giving her no chance to evade the issue.

“What about?” she smiled, obviously trying to hide the pain in her heart. Her eyes rested on me for a second before returning dreamily to the painting on the wall. Leaning back, her head cushioned in her hands, she said half to herself, “To be honest it wasn’t about anything in particular. I don’t know what to do. I’m afraid we can’t go on this way … Perhaps we ought to separate.”

“Separate!” I stole a startled look at her. She was in earnest with sadness in her voice but no anger. Those words could hardly have been spoken at random. She must have thought about separating for some time.“

 

Ba Jin (25 november 1904 – 17 oktober 2005)

 


Zie voor nog meer schrijvers van de 25e november ook mijn vorige blog van vandaag.