Eugenio Montejo, Jaap Meijer, Margaret Atwood, William Gilbert, Hans Reimann, Mireille Cottenjé

De Venezolaanse dichter en schrijver Eugenio Montejo werd geboren in Caracas op 18 november 1938. Zie ook mijn blog van 18 november 2008 en ook mijn blog van 18 november 2009 en ook mijn blog van 18 november 2010.



To be here a few years on earth
with the clouds that arrive, with the birds
dangling from fragile hours.
On the edge, almost adrift,
closer to Saturn, more distant,
while the sun revolves and drags us with it
and the blood circles once more through the depths of its universe
more sacred than the stars.

To be here on earth; no more distant than a tree,
no more inexplicable;
thin in autumn, laden in summer,
with what we are and are not, with shadow,
memory, longing, until the end
(if there is one) voice to voice,
from house to house,
whoever it may be who carries the earth, if they carry it,
or whoever hopes for it, if they keep watch,
each time dividing our common bread
in two, in three, in four,
without forgetting the share for the ant
who is still travelling from remote stars
to be here on time at our table
even though the crumbs are bitter.


Vertaald door Peter Boyle


Eugenio Montejo (18 november 1938 – 5 juni 2008)


De dichter (pseudoniem Saul van Messel) en historicus Jakob (Jaap) Meijer werd geboren in Winschoten op 18 november 1912. Zie ook mijn blog van 18 november 2008 en ook mijn blog van 18 november 2010.



Onwereg blad
woar komstoe heer
boom dij doe zöchst
staait hier nait meer

Zègt blad: is jou
din nait bekind
hou lös ik leef
aan waai’n wind


juli 1945

herkregen vrijheid

maar op zicht

ik wil terug

mijn kamp is dicht


salzburgerf festspiele

een felle vrouw

kijkt mij aan

instinctief voel ik

of mijn jodenster

wel goed zit


Jaap Meijer (18 november 1912 – 9 juli 1993)


De Canadese schrijfster Margaret Atwood werd geboren in Ottawa op 18 november 1939. Zie ook mijn blog van 18 november 2008 en ook mijn blog van 18 november 2010.


Uit: Alias Grace

„About this time I began to notice a change in Mary. She was often late coming to bed; and when she did come, she no longer wanted to talk. She did not hear what I said to her, but appeared to be listening to something else; and she was constantly looking out through doorways, or windows, or over my shoulder. One night when she thought I was asleep, I saw her hiding something away in a handkerchief, under the floorboard where she kept her candle-ends and matches; and when I looked the next day, she being out of the room, I found that it was a gold ring. My first thought was that she had stolen it, which would be more than she’d ever stolen before, and very bad for her if she was caught; though there was no talk in the house of a missing ring.

But she did not laugh and fun as before, nor did she attend to her work in her usual brisk manner; and I became worried. But when I questioned her, and asked if there was some trouble, she would laugh, and say she did not know where I was getting such ideas. But her smell had changed, from nutmegs to salt fish.

The snow and ice began to melt, and a few birds returned, and they began to sing and call; so I knew it would soon be spring. And one day in late March, as we were carrying the clean wash up the back stairs in baskets, to hang it in the drying room, Mary said she was ill; and she ran downstairs and out into the back yard, behind the outbuildings. I set down my basket and followed her, just as I was, without my shawl; and I found her on her knees in the wet snow near the privy, which she had not had time to reach, as she had been overcome by a violent sickness.

I helped her up, and her forehead was damp and clammy, and I said she should be put to bed; but at that she became angry, and said it was something she’d eaten, it must have been yesterday’s mutton stew, and now she was rid of it. But I’d eaten the very same thing myself, and felt perfectly well. She made me promise not to speak of it, and I said I would not. But when the same thing happened a few days later, and then again the next morning, I was truly alarmed; for I had seen my own mother in that condition very often, and I knew the milky smell of it; and I was well aware of what was wrong with Mary.“


Margaret Atwood (Ottawa, 18 november 1939)


De Engelse toneelschrijver, librettist en illustrator Sir William Schwenck Gilbert werd geboren in Londen op 18 november 1836. Zie ook mijn blog van 18 november 2008 en ook mijn blog van 18 november 2010.

A Manager’s Perplexities

Were I a king in very truth,

And had a son – a guileless youth –

In probable succession;

To teach him patience, teach him tact,

How promptly in a fix to act,

He should adopt, in point of fact,

A manager’s profession.

To that condition he should stoop

(Despite a too fond mother),

With eight or ten “stars” in his troupe,

All jealous of each other!

Oh, the man who can rule a theatrical crew,

Each member a genius (and some of them two),

And manage to humour them, little and great,

Can govern a tuppenny-ha’penny State!

Both A and B rehearsal slight –

They say they’ll be “all right at night”

(They’ve both to go to school yet);

C in each act MUST change her dress,

D WILL attempt to “square the press”;

E won’t play Romeo unless

His grandmother plays Juliet;

F claims all hoydens as her rights

(She’s played them thirty seasons);

And G must show herself in tights

For two convincing reasons –

Two very well-shaped reasons!

Oh, the man who can drive a theatrical team,

With wheelers and leaders in order supreme,

Can govern and rule, with a wave of his fin,

All Europe and Asia – with Ireland thrown in!


William S. Gilbert (18 november 1836 – 29 mei 1911)


De Duitse schrijver en satircus Albert Johannes (Hans) Reimann werd geboren op 18 november 1889 in Leipzig. Zie ook mijn blog van 18 november 2010.


Uit: Die sächsische Lorelei. Sächsische Miniaturen

“In einem Gymnasiom gibt där Härr Konräktor in Onterprima Litäratorgäschichte. »Nathan där Weise« wird gäläsen, kommäntiert, teilweise gälärnt ond von dän Prämanern in Aufsätzen wieder ärbrochen. Ond das sächs Wochen lang. Ändlich ist där Härr Konräktor färtig, ond zosammenfassänd fragt är einen Schölär:

»Möller, wälchen Eindrock hat ›Nathan där Weise‹ auf Sie gämacht?« –

»Einen tiefen!« – »Falsch! Sätzen Sie sich! Wär mössen sagen: Einen sähr tiefen!«

– Öberschrift: »Der Lährer«.


Hans Reimann (18 november 1889 – 13 juni 1969)


De Belgische schrijfsterMireille Cottenjé werd geboren in Moeskroen op 18 november 1933. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 18 november 2008.


Uit: Vijf jaar geleden overleed Mireille Cottenjé (Interview door Ronny de Schepper en Johan de Belie voor De Rode Vaan)


– een TV-toestel houdt u buiten de deur vanwege de kinderen, maar u kent waarschijnlijk wel Jan Lenferink, die heeft een programma over kunst, cultuur, seks en wetenschap. Waarmee zouden we dit interview beginnen?

Mireille Cottenjé: Ik ga elimineren, hé. Dus alleszins geen wetenschap, geen kunst, geen cultuur. (Gelach)

– U wordt nogal eens verweten dat er teveel seks in uw boeken zit. Nu is dat bij heel veel mannelijke auteurs het geval, maar dat wordt blijkbaar zonder meer geaccepteerd. Waarom ligt dat voor een vrouw anders?

M.C.: Ik denk dat dit cultuurhistorisch te verklaren is. Nog tot voor twintig, dertig jaar was een vrouw een a-seksueel wezen. Voor Kinsey was men er zich absoluut niet van bewust dat er ook zoiets als vrouwelijke seksualiteit bestond. Mensen die met hun tijd zijn meegegaan weten nu heel goed dat een vrouw net zo goed een seksbeest is als een man. Maar een heleboel mensen zijn blijkbaar nog in die 19-de eeuwse mentaliteit blijven zitten van “seks, dat is uitsluitend voor mannen”. En dat verklaart dan wel sommige reacties.

– Heeft u het gevoel dat u als vrouwelijke auteur in Vlaanderen een speciale positie inneemt? Speciaal ook tegenover de mannen?

M.C.: Ik ervaar dat niet zozeer, ik zal zeker nooit beweren dat ik discriminerend behandeld word. Wel vind ik dat ik vaak het slachtoffer word van erg persoonlijke aanvallen in verband met bepaalde passages uit mijn boeken, maar misschien is dat ook het geval met mannelijke auteurs die in verband met seks ook geen blad voor hun mond nemen. Hoe dan ook, die aanvallen komen niet alleen van oudere mensen die nog helemaal in die Victoriaanse mentaliteit vastgeroest zitten, maar ook van jongeren. Ik heb net een lezing gegeven in de hoogste klassen van een technische school en de allereerste vraag daarna was: waarom gebruikt u in uw boeken zoveel vuile woorden. Nu, bij zo’n vraag val ik omver. Ik zeg: “Vuile woorden, ge moet me eerst eens goed uitleggen wat een vuil woord is, want ik weet dat niet. Wat ik wel weet is dat er vuile dingen bestaan in de wereld. Stront bijvoorbeeld, da’s vuil, dat stinkt en dat is vies, maar het woord stront, daar wil ik aan rieken, dat wil ik eventueel zelfs opvreten, dat doet mij niets.”


Mireille Cottenjé (18 november 1933 – 9 januari 2006)