Auberon Waugh, Dahlia Ravikovitch, Rebecca Walker

De Britse schrijver journalist en polemist Auberon Alexander Waugh werd geboren op 17 november 1939 in Dulverton, Somerset. Zie ook mijn blog van 17 november 2010.

 

Uit: Auberon Waugh’s hilarious memories of the family mansion now for sale

“Returning to my home in Wiltshire after lunch with friends on Easter Day 1966, I found a policeman waiting outside the door with a long face.

Was I Auberon Alexander Waugh of this address?

For a terrible moment, I thought that something had happened to the children, left behind with our help Lolita who spoke no English.

It came as a relief when he said that my father, then 62, had died suddenly at Combe Florey House, the Waugh family home in Somerset.

It transpired that after a Latin mass in the parish church at nearby Wiveliscombe, he had failed to turn up at lunch and been found dead of a heart attack in the downstairs lavatory.

When I arrived at Combe Florey towards midnight, the house still smelled strongly of paraldehyde, the foul substance he took as a sleeping draught. In the heightened awareness of the moment, that familiar, revolting smell seemed to have the odour of sanctity.

That night there was a fire in the house. Somebody had left a door of the Aga in the kitchen open and it became hot, setting various things alight.

Firemen tramped through Combe Florey, squirting things, before being given glasses of Guinness and sent away. My mother Laura, the widow Waugh as she became from that moment, remained in her bedroom and did not emerge through all the night’s alarms and excursions.

In the days that followed, my father’s body lay in the library, boxed up in a coffin to await burial and attended in shifts by members of the family.

My feeling of relief on hearing of his death remained an ingredient in the mixture of emotions.

In his last year at Combe Florey, he had many of his teeth drawn, choosing to have it done without anaesthetic, for some impenetrable reason of his own (the vulgar new school of literary biographer attributed it to some strain of sexual masochism, but I am not persuaded by this).

In the event, his teeth seem to have been drawn not only physically but also metaphorically. Where before he had been gloomy, bad tempered and on occasions aggressive, he became benign and affectionate, but still his death lifted a great brooding awareness not only from Combe Florey but from the whole of existence.”

 

Auberon Waugh (17 november 1939 -16 januari 2001)

Doorgaan met het lezen van “Auberon Waugh, Dahlia Ravikovitch, Rebecca Walker”

Joost van den Vondel, Christopher Paolini, Max Barthel, Pierre Véry

De Nederlandse dichter en schrijver Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 in Keulen. Zie ook Zie ook alle tags voor Joost van den Vondel op dit blog.

 
Opp Amstelredam

Het IJ en d’Amstel voeren de hoofdstad van Europe,
Gekroond tot Keizerin, des nabuurs steun en hope,
Amstelredam, die ’t hoofd verheft aan ’s hemels as,
En schiet, op Pluto’s borst, haar wortels door ’t moeras.
Wat waatren worden niet beschaduwd van haar zeilen?
Op welke markten gaat zij niet haar waren weilen?
Wat volken ziet ze niet beschijnen van de maan,
Zij die zelf wetten stelt de ganse Oceaan?
Zij breidt haar vleugels uit, door aanwas veler zielen,
En sleept de wereld in, met overladen kielen.
De welvaart stut haar Staat, zo lang d’aanzienlijkheid
Des Raads gewetens dwang zijn boze wil ontzeit.

 

 

Zomermaand

Bedaagde Zomermaand, men laat geen schaap verlegen;
Indien het gaat vermast, zo neem het op uw schoot:
Maar scheert gij ’t om de wol, zo scheer het niet te bloot,
En was het wit als sneeuw, dat u de Hemel zegen’.
Drijf, vroeg en spa, de kudde in ’t veld, en naar het hok:
Zij loont u met haar melk, en spier, en ruige lok.

 

 

Klachten des Poëets

Wat ramp, wat ongeluk plaagt nog mijn grijze haren!
Wat schande moet mij nog, eilacy! wedervaren!
Wat droefheid, wat verdriet, wat leed komt mij nog aan,
In dees mijn wintertijd, die haast zou zijn gedaan!
Wanneer ik overdenk èn ’tgeen ik was vóór dezen,
En wat ik, tot mijn smaad, moet tegenwoordig wezen;
Wanneer ik mij bezie in dees mijn hoogste nood,

Mijn lijden is te zwaar, mijn ongeluk te groot.
Maar doch, indien mij ’t leed, indien de hoge stromen
Van zo veel lijdens mij zal moeten overkomen,
Ik lijd ze, zo ik kan, ik wacht ze met geduld,
Ik voeg mij na de tijd, hoe ’t ongeval ook brult.
Maar gij, Mary! en gij, o rei der Heil’ge Maagden!
Die ’t al, èn lijf èn goed, ook voor de Godsdienst waagden,
Ai, ziet mij gunstig aan, hebt achting op mijn druk
Hebt meelij met mijn lot, en dit mijn ongeluk!
U heb ik toevertrouwd, U heb ik, al mijn dagen,
Nadat ik ben verlicht, mijn liefde toegedragen;
’k Heb U mij toegewijd, en U ik mij nog geef
Ai, maakt weer (want gij kunt), dat ’k eeuwig met U leef!

 


Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)
Borstbeeld door Lucas Hoek

Doorgaan met het lezen van “Joost van den Vondel, Christopher Paolini, Max Barthel, Pierre Véry”