Fjodor Dostojevski, Friedhelm Rathjen, Ezra Pound, Paul Valéry

De Russische schrijver Fjodor Michajlovitsj Dostojevski werd geboren ergens tussen 30 oktober en 11 november 1821 in Sint Petersburg. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Fjodor Dostojevski op dit blog.

 

Uit: Witte nachten (Vertaald door Marko Fondse)

„Neem hem eens van terzijde op, Nastjenka, en u zult meteen zien dat dit vreugdevolle gevoel reeds een gunstige uitwerking heeft gehad op zijn zwakke zenuwgestel en zijn ziekelijk overspannen fantasie. Kijk, zijn denken is reeds helemaal in de ban van een of ander… Wat denkt u, vertoeft hij in gedachten bij zijn avondmaal, bij de vrije avond die voor hem ligt? Wáár kijkt hij toch naar? Soms naar die deftig uitziende hier die zo’n schilderachtige buiging maakt voor die dame die in een schitterende, met snelvoetige rossen bespannen koets langs hem heen ijlt? Welnee, Nastjenka, wat kunnen dergelijke kleinigheden hem op dat moment eigenlijk schelen! Neen, momenteel is hij rijk omdat hij zijn eigen bijzondere leven leidt; hij heeft als het ware plotseling fortuin gemaakt en de laatste straal waarmee de uitdovende zon afscheid neemt heeft niet tevergeefs zo vrolijk voor hem gefonkeld en uit zijn warmgelopen hart een hele zwerm impressies te voorschijn geroepen. Op dat moment ziet hij amper de weg waarop hij loopt, hoewel er voordien op die weg niet het minste kon voorvallen, of het trof hem. Thans heeft ‘de godin fantasie’ (misschien heeft u Zjoekovski ook gelezen, Nastjenka) reeds met haar grillige hand haar gouden schering gegeven en is zij reeds doende voor zijn ogen de siermotieven van een sprookjesachtig, nog nooit geleefd bestaan aan te brengen – en wie weet, misschien heeft haar in luimen bedreven hand hem reeds opgeheven van het prachtig aangelegde granieten trottoir waarover hij huiswaarts wandelt, naar de kristallijnen zevende hemel. Probeert u hem nu maar eens staande te houden en hem opeens te vragen waar hij zich momenteel bevindt en welke straten hij is doorgekomen – dan zal zeker blijken dat hij daar niets meer van afweet, noch van waar hij geweest is, noch van waar hij momenteel is en blozend van ergernis zal hij een fatsoensleugentje verzinnen om de situatie te redden. Vandaar ook dat hij zo schrikachtig reageerde en bijna een kreet geslaakt had en ontzet om zich heenblikte, toen een allerbraafst oud vrouwtje hem op het trottoir staande hield om hem de weg te vragen. Met een frons van ergernis op zijn gezicht stapt hij verder, nauwelijks merkend dat meer dan één voorbijganger om hem moest glimlachen en hem nakijkt en dat een klein meisje, dat schuchter voor hem op zij gaat, met grote ogen staart naar de brede, contemplatieve glimlach en zijn gesticulerende handen en dat dan in lachen uitbarst.“

 


Fjodor Dostojevski (30 oktober 1821 – 9 februari 1881)

Standbeeld voor de Nationale Bibliotheek in Moskou

 

De Duitse schrijver, vertaler en literauurwetenschapper Friedhelm Rathjen werd geboren op 30 oktober 1958 in Westerholz. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2008 en ook mijn blog van 30 oktober 2009 enook mijn blog van 30 oktober 2010

Uit: Quadratur des Kreises: wie Finnegans Wake übersetzen?

„Solange wir nicht wissen, worum es in Finnegans Wake eigentlich geht (falls es darin überhaupt um etwas geht und das Buch nicht einfach selbst ein Etwas ist), solange können wir auch nie sicher sein, ob nicht etwas verlorengeht, wenn wir irgend etwas im Text verändern. Deswegen sollte der Übersetzer so wenig verändern wie irgend möglich: also nicht frei übersetzen, wenn es eine Möglichkeit gibt, pedantischer zu übersetzen; sich nicht verpflichtet fühlen, in der Übersetzung einen guten deutschen Stil zu pflegen, wo schlechter deutscher Stil der Satzstruktur im Original näherkommt (dies ist übrigens auch der Grund dafür, daß ich glaube, ein guter Übersetzer und ein guter Wake-Übersetzer seien zwei ganz und gar unterschiedliche Paar Schuh); schließlich sollte man meines Erachtens versuchen, jeden Joyceschen Kalauer, jede Doppeldeutigkeit, jede Anspielung, jeden Klangeffekt oder was auch immer im Text vorkommt zu reproduzieren, und zwar möglichst genau an jener Stelle, wo es auch im Original auftritt (vielleicht ist die Stelle bedeutsam – wissen kann der Übersetzer das natürlich nicht, weil er nichts versteht.)
Meine Art und Weise, Finnegans Wake zu übersetzen, besteht also daraus, daß ich erstens alle Informationsschichten, die ich im Original vorfinde, identifiziere und voneinander ablöse, zweitens alle Informationsbrocken ins Deutsche übertrage und drittens soviel wie möglich von diesen übersetzten Informationsbrocken wieder miteinander vermenge. Dieser Ablauf klingt womöglich simpel (was er nur theoretisch ist), und er klingt folgerichtig, doch man sollte zur Kenntnis nehmen, daß manche Leute gänzlich andere Methoden bevorzugen. Manche Leute ziehen es vor, nur die offensichtlichste Sinnschicht des Textes herauszugreifen und alles andere wegzulassen; dies scheint die Methode des französischen Übersetzers Philippe Lavergne zu sein.“

 


Friedhelm Rathjen (Westerholz, 30 oktober 1958)

 

De Amerikaanse dichter Ezra Pound werd geboren in Hailey, Idaho op 30 oktober 1885. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Ezra Pound op dit blog.

 

Uit: Canto II

The ship landed in Scios,

men wanting spring-water,

And by the rock-pool a young boy loggy with vine-must,

“To Naxos? Yes, we’ll take you to Naxos,

Cum’ along lad.” “Not that way!”

“Aye, that way is Naxos.”

And I said: “It’s a straight ship.”

And an ex-convict out of Italy

knocked me into the fore-stays,

(He was wanted for manslaughter in Tuscany)

And the whole twenty against me,

Mad for a little slave money.

And they took her out of Scios

And off her course…

And the boy came to, again, with the racket,

And looked out over the bows,

and to eastward, and to the Naxos passage.

God-sleight then, god-sleight:

Ship stock fast in sea-swirl,

Ivy upon the oars, King Pentheus,

grapes with no seed but sea-foam,

Ivy in scupper-hole.

Aye, I, Acœtes, stood there,

and the god stood by me,

Water cutting under the keel,

Sea-break from stern forrards,

wake running off from the bow,

And where was gunwale, there now was vine-trunk,

And tenthril where cordage had been,

grape-leaves on the rowlocks,

Heavy vine on the oarshafts,

And, out of nothing, a breathing,

hot breath on my ankles,

Beasts like shadows in glass,

a furred tail upon nothingness.

Lynx-purr, and heathery smell of beasts,

where tar smell had been,

Sniff and pad-foot of beasts,

eye-glitter out of black air.

The sky overshot, dry, with no tempest,

Sniff and pad-foot of beasts,

fur brushing my knee-skin,

Rustle of airy sheaths,

dry forms in the æther.

And the ship like a keel in ship-yard,

slung like an ox in smith’s sling,

Ribs stuck fast in the ways,

grape-cluster over pin-rack,

void air taking pelt.

Lifeless air become sinewed,

feline leisure of panthers,

Leopards sniffing the grape shoots by scupper-hole,

Crouched panthers by fore-hatch,

And the sea blue-deep about us,

green-ruddy in shadows,

And Lyæus: “From now, Acœtes, my altars,

Fearing no bondage,

fearing no cat of the wood,

Safe with my lynxes,

feeding grapes to my leopards,

Olibanum is my incense,

the vines grow in my homage.”

The back-swell now smooth in the rudder-chains,

Black snout of a porpoise

where Lycabs had been,

Fish-scales on the oarsmen.

And I worship.

I have seen what I have seen.

When they brought the boy I said:

“He has a god in him,

though I do not know which god.”

And they kicked me into the fore-stays.

I have seen what I have seen:

Medon’s face like the face of a dory,

Arms shrunk into fins. And you, Pentheus,

Had as well listen to Tiresias, and to Cadmus,

or your luck will go out of you.

Fish-scales over groin muscles,

lynx-purr amid sea…

And of a later year,

pale in the wine-red algæ,

If you will lean over the rock,

the coral face under wave-tinge,

Rose-paleness under water-shift,

Ileuthyeria, fair Dafne of sea-bords,

The swimmer’s arms turned to branches,

Who will say in what year,

fleeing what band of tritons,

The smooth brows, seen, and half seen,

now ivory stillness.

 

Ezra Pound (30 oktober 1885 – 1 november 1972)

 

De Franse dichter en schrijver Paul Valéry werd geboren op 30 oktober 1871 in Sète Zie ook mijn blog van 30 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Paul Valéry op dit blog.

 

Poésie

Par la surprise saisie,

Une bouche qui buvait

Au sein de la Poésie

En sépare son duvet:

-Ô ma mère Intelligence,

De qui la douceur coulait

Quelle est cette négligence

Qui laisse tarir son lait?

À peine sur ta poitrine,

Accablé de blancs liens,

Me berçait l’onde marine

De ton coeur chargé de biens;

À peine, dans ton ciel sombre,

Abattu sur ta beauté,

Je sentais, à boire l’ombre,

M’envahir une clarté!

Dieu perdu dans son essence,

Et délicieusement

Docile à la connaissance

Du suprême apaisement,

Je touchais à la nuit pure,

Je ne savais plus mourir,

Car un fleuve sans coupure

Me semblait me parcourir…

Dis, par quelle crainte vaine,

Par quelle ombre de dépit,

Cette merveilleuse veine

À mes lèvres se rompit?

Ô rigueur, tu m’es un signe

Qu’à mon âme je déplus!

Le silence au vol de cygne

Entre nous ne règne plus!

Immortelle, ta paupière

Me refuse mes trésors,

Et la chair s’est faite pierre

Qui fut tendre sous mon corps!

Des cieux même tu me sèvres,

Par quel injuste retour?

Que seras-tu sans mes lèvres?

Que serai-je sans amour?

Mais la Source suspendue

Lui répond sans dureté:

-Si fort vous m’avez mordue

Que mon coeur s’est arrêté!

 

Paul Valéry (30 oktober 1871 – 20 juli 1945)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.