Marja Pruis

 

De Nederlandse schrijfster en journaliste Marja Pruis werd geboren in Amsterdam op 26 oktober 1959. Marja Pruis studeerde Nederlands en Algemene Taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Daarna ging zij aan de slag als literatuurredactrice bij De Groene Amsterdammer, waar zij sinds 2006 deel uitmaakt van de redactie. Sinds 1999 schrijft zij romans. Haar eerste roman, Bloem (2002), was een experimentele, impressionistische novelle over lust en seks, en over de afstand tussen twee mensen in een liefdesrelatie. In 2005 verscheen haar tweede roman De Vertrouweling. Deze leverde Pruis nominaties op voor de AKO Literatuurprijs en de Anna Bijns Prijs. De meest recente roman van Pruis, Atoomgeheimen, verscheen in 2008. Atoomgeheimen kwam op de longlist van de AKO Literatuurprijs. In 2011 heeft Pruis het literatuurkritische werk Kus me, straf me uitgegeven. Kus me, straf me haalde de shortlist van AKO Literatuurprijs.

 

Uit: Bloem

 

Seks, seks, seks.
Eigenlijk denkt Bloem wat anders, maar dit staat wel zo netjes. Ze kon het spel niet anders spelen dan door zich klein te maken, dan door te denken aan het meisje dat ze eens op televisie had gezien, dat met een zwaar Gronings accent zei dat ze dat ook welns wilde probeern, vastbindn en zo. Ze liet hem met een sigaret langzaam langs de binnenkant van haar dijen omhooggaan tot ze het voelde schroeien. Ze liet zich bekijken, om en om rollen. Als ze bij de bakker stond leek alles ervoor gemaakt om bij haar naar binnen te proppen, van harde puntjes tot kaasstengels, een handjevol graag. Ze ging naar de dokter omdat ze pijn in haar buik had en was bang dat de dokter iets zou uitroepen als hij tussen haar benen zou kijken, maar die vertrok geen spier en schreef alleen het recept voor een zalfje uit dat het schrijnen minder moest maken, en een antibioticum tegen blaasontsteking. Ze voelde zich een wandelende trechter. Het was alsof een gulzig zuigende slang zich van mond tot mond in haar had genesteld en voortdurend meer wilde. Meer, meer, meer. Ze kreeg ook meer, meer, meer, waardoor ze soms met verbazing op straat, in de trein, in de supermarkt, op het schoolplein, om zich heen keek en zich afvroeg in welke dorheid die mensen zich staande moesten zien te houden. Ze wist niet hoe gauw ze zich thuis op bed moest laten vallen, op haar buik, met haar hand tussen haar benen, met haar telefoon tussen haar benen, met de hele groentela tussen haar benen, en het kratje bier niet te vergeten. Ze was vol, maar het kon altijd nog voller. De splinters zaten in haar handpalmen, opgedroogd sperma in haar hals, maar het kon nog meer.“

 

 

 


Marja Pruis (Amsterdam, 26 oktober 1959)

Jan Wolkers, Andrew Motion, Stephen L. Carter, Karin Boye

De Nederlandse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers werd geboren in Oegstgeest op 26 oktober 1925. Zie ook mijn blog van 26 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Jan Wolkers op dit blog.

 

Uit: Langpootmuggen

„Gek van het licht zeilen ze door het open raam naar binnen. Hun achterpoten slierten slap achter hun lichamen aan, willoos laten ze zich meevoeren. Maar hun voorpoten zwemmen begerig door de ruimte, omarmen schokkend het licht. Dan tuimelen ze verblind omlaag en blijven trillend op de grond zitten tot ze weer omhoog kunnen vliegen om in een laatste waanzin het gloeiende glas van de lamp te omhelzen. Met verbrande poten en vleugels vallen ze als een dor reepje boombast naar beneden.

– Ik moet het raam sluiten, mompelt hij.

Hij loopt naar het raam en sluit het.

Het zijn schepselen Gods, denkt hij. Ik mag ze niet willens en wetens door het executiepeloton van 150 Watt laten ombrengen. Jeltsma, ja, die vuilak. Die stak, op de verjaardag van Mies nog wel, de stekker van het elektrisch straalkacheltje in het stopkontakt. En maar op zijn dronken poten door de kamer waggelen. In de ene hand het brandende kacheltje en in de andere een stoel. En overal waar er een zat ging hij op de stoel staan en drukte het gloeiende deksel tegen het plafond. Het leek wel of er menselijk geluid uit die hete kabine kwam. Een deernis-wekkend gefluister dat overging in gesis van pijn. Ik moest ineens kotsen. Met samengeklemde kaken rende ik naar de W.C., maar terwijl ik de bril omhoog klapte zag ik dat er een motvisje in de pot liep. Ik kon niet op dat beestje kotsen en het met mijn bedorven eten doortrekken. Ik kotste naast de W.C. en met het maagzuur druipend van mijn kin zei ik tegen dat diertje:

– Ben jij zo laat nog aan de wandel, klein druppeltje kwik, voortschuivend traantje. Je kan hier niet meer uit, hè. Ik zal je helpen. Voordat die goorling komt en je boven op je kop schijt.

En ik pakte een W.C.-papiertje en liet hem er op lopen en zette hem

[p. 42]

op de grond.

– Ga maar gauw naar je moeder toe, zei ik.

Maar toen kwam Mies en die zei:

– Hoe heb ik het nou met je Johan, je zit naast de W.C. te kotsen. Je ziet alles dubbel.

Er was maar één motvisje, zei ik.

Ach, jij, je bent hartstikke teut, zei ze.

Ze trok me overeind en veegde in de keuken mijn gezicht af met een natte punt van de handdoek.

Toen ik de kamer weer binnenkwam had Jeltsma een krant op de tafel uitgespreid en daarboven keerde hij het straalkacheltje om. De krant lag vol afgebrande lucifers, kromgetrokken door de hitte.

– Willem Jeltsma, zei ik langzaam en nadrukkelijk, dat had je niet mogen doen. Je kan zelf nog geen spijker in de muur slaan, laat staan een langpootmug maken. God is duizenden jaren bezig geweest met die beesten. Ontwerpen… ontwerpen en nog eens helemaal opnieuw beginnen. Tot hij zag dat het goed was. Je kan het zien aan de vleugeltjes. Ze zijn van allemaal kleine stukjes aan elkaar gezet. Tot ze groot genoeg waren om te vliegen. En toen zei God:

Gaat heen en vermenigvuldigt u!

Maar die Jeltsma begint me straal in mijn gezicht uit te lachen.“

 

Jan Wolkers (26 oktober 1925 – 19 oktober 2007)

Doorgaan met het lezen van “Jan Wolkers, Andrew Motion, Stephen L. Carter, Karin Boye”

Trevor Joyce, Pat Conroy, Ulrich Plenzdorf, Sorley MacLean, Andrej Bely

De Ierse dichter Trevor Joyce werd geboren op 26 oktober 1947 in Dublin. Zie ook mijn blog van 26 oktober 2008 en ook mijn blog van 26 oktober 2009 en ook mijn blog van 26 oktober 2010

Fast Rivers

for Michael Smith

right at the very

instant of delivery

the messengers

begin to fail

and are already

exhausted

when we see the moment so

instantaneously

spent

reckoning surely we regard

time not yet come

extinct

let not the fool delude himself

that which he foresees

will last

no longer than the bygone show

and all things thus

shall pass

our lives are fast rivers soon

delivered to the sea

of death

whereto go all dominions down

exhausted and

are quenched

there must find the slightest rill

with tributary stream

and flood

all then levelled utterly

daylabourer

and lord

this world is but a road to one

wherein is no abiding

grief

he needs due bearing who would not

from that true path

fall off

the setting out is at our birth

we travel as we live

dying

at last complete the course

and in that death

lie down

 

Trevor Joyce (Dublin, 26 oktober 1947)

Doorgaan met het lezen van “Trevor Joyce, Pat Conroy, Ulrich Plenzdorf, Sorley MacLean, Andrej Bely”