Miguel Ángel Asturias, Leigh Hunt, Adam Lindsay Gordon, Nardo Aluman

De Guatemalteekse schrijver Miguel Ángel Asturias werd geboren op 19 oktober 1899 in Guatemala-Stad. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Miguel Ángel Asturias op dit blog.

 

Navels of Sun and Precious Copals

The little bones of the echo
on the tongue of the Forgetful Emissary.

On the tongue of the Forgetful Emissary,
the message of the Goldthinking-star-gods.

“May the mist rise early,
fragrant with tamarind, poplar, suquinay ,
may it spread its cloths over the words
and may the Four Magicians of the Sky be created
with navels of sun and precious copals.

“May they be of black maize,
maize coiled with sexes and snakes,
their hair, their pupils and their dreams.

“May they be of white maize,
maize coiled with sperm and the moon,
their teeth, the quicklime of their corneas,
their bones and their nails.

“And may their flesh be of yellow maize,
moistened in water sweet
with the night of the star
and skinned with quicklime
in blind boil,
the lime of the eyes
of the Twohanded Tattooer,
the one who was destroyed
along with his raisers of worlds of dream
by the man of mud
who in his turn was annihilated
by fire, the laughter of the stones.”

And so was created
the Man-of-Four-Magics,
the one who wears bluegreen feathers
of quetzals and flowers covered with dew,
who illuminates and burns like resinous pine,
who sets things alight
in my country forged of honey.

All was visible, except for the moment
of healing the navels
with webs of tobacco smoke
and placing in their folds,
along with the copals of splendor
and dust of worn-out words,
the magic of the three halves.

By the magic of the three halves,
the half which holds things within
becomes magnetized by the sole presence
of the Man-of-the-Four-Magics,
issues from things and penetrates
the interior of that which completes it,
before restoring it, with an unknown half.

By the magic of the three halves,
there is a half that remains in things,
another that leaves and returns to things
and the unknown half, the one that magic adds.

 

Vertaald door Robert W. Lebling


Miguel Ángel Asturias (19 oktober 1899 – 9 juni 1974)

 

De Engelse dichter, schrijver en essayist James Leigh Hunt werd geboren op 19 oktober 1784 in Southgate, Middlesex. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Leigh Hunt op dit blog.

A Thought of the Nile

It flows through old hushed Egypt and its sands,

Like some grave mighty thought threading a dream,
And times and things, as in that vision, seem

Keeping along it their eternal stands,–

Caves, pillars, pyramids, the shepherd bands

That roamed through the young world, the glory extreme

Of high Sesostris, and that southern beam,

The laughing queen that caught the world’s great hands.

Then comes a mightier silence, stern and strong,

As of a world left empty of its throng,

And the void weighs on us; and then we wake,

And hear the fruitful stream lapsing along

Twixt villages, and think how we shall take

Our own calm journey on for human sake.

Abou Ben Adhem

Abou Ben Adhem (may his tribe increase!)

Awoke one night from a deep dream of peace,

And saw, within the moonlight in his room,

Making it rich, and like a lily in bloom,

An angel writing in a book of gold:—

Exceeding peace had made Ben Adhem bold,

And to the Presence in the room he said

“What writest thou?”—The vision raised its head,

And with a look made of all sweet accord,

Answered “The names of those who love the Lord.”

“And is mine one?” said Abou. “Nay, not so,”

Replied the angel. Abou spoke more low,

But cheerly still, and said “I pray thee, then,

Write me as one that loves his fellow men.”

The angel wrote, and vanished. The next night

It came again with a great wakening light,

And showed the names whom love of God had blessed,

And lo! Ben Adhem’s name led all the rest.

 

Leigh Hunt (19 oktober 1784 – 28 augustus 1859)

Portret door Robert Haydon, National Portrait Gallery, Londen

 

De Australische dichter Adam Lindsay Gordon werd geboren op 19 oktober 1833 op de Azoren. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2008 en ook mijn blog van 18 oktober 2009 en ook mijn blog van 19 oktober 2010


Ars Longa

Our hopes are wild imaginings,

Our schemes are airy castles,

Yet these, on earth, are lords and kings,

And we their slaves and vassals ;

Yon dream, forsooth, of buoyant youth,

Most ready to deceive is,

But age will own the bitter truth,

‘Ars longa, vita brevis.’

The hill of life with eager feet

We climbed in merry morning,

But on the downward track we meet

The shades of twilight warning ;

The shadows gaunt they fall aslant ;

And those who scaled Ben Nevis,

Against the mole-hills toil and pant,

‘Ars longa, vita brevis.’

The obstacles that barr’d our path

We seldom quail’d to dash on

In youth , for youth one motto hath,

‘The will, the way must fashion.’

Those words, I wot, blood thick and hot,

Too ready to believe is,

But thin and cold our blood hath got,

‘Ars longa, vita brevis.’

And ‘art is long’, and ‘life is short’,

And man is slow at learning ;

And yet by divers dealings taught,

For divers follies yearning,

He owns at last, with grief downcast

(For man disposed to grieve is)—

One adage old stands true and fast,

‘Ars longa, vita brevis.’

We journey, manhood, youth, and age,

The matron, and the maiden,

Like pilgrims on a pilgrimage,

Loins girded, heavy laden :—

Each pilgrim strong, who joins our throng,

Most eager to achieve is,

Foredoom’d ere long to swell the song,

‘Ars longa, vita brevis.’

At morn, with staff and sandal-shoon,

We travel brisk and cheery,

But some have laid them down ere noon,

And all at eve are weary ;

The noontide glows with no repose,

And bitter chill the eve is,

The grasshopper a burden grows,

‘Ars longa, vita brevis.’

The staff is snapp’d, the sandal fray’d,

The flint-stone galls and blisters,

Our brother’s steps we cannot aid,

Ah me ! nor aid our sister’s :

The pit prepares its hidden snares,

The rock prepared to cleave is,

We cry, in falling unawares,

‘Ars longa, vita brevis.’

Oh ! Wisdom, which we sought to win !

Oh ! Strength in which we trusted !

Oh ! Glory, which we gloried in !

Oh ! puppets we adjusted !

On barren land our seed is sand,

And torn the web we weave is,

The bruised reed hath pierced the hand,

‘Ars longa, vita brevis.’

We, too, ‘Job’s comforters’ have met,

With steps, like ours, unsteady,

They could not help themselves, and yet

To judge us they were ready ;

Life’s path is trod at last, and God

More ready to reprieve is,

They know,who rest beneath the sod,

‘Mors grata, vita brevis.’

 

Adam Lindsay Gordon (19 oktober 1833 – 24 juni 1870)

Beeld in Melbourne

 

De Surinaamse schrijver Nardo Aluman (eig. Ronald Renardo Aloema) werd geboren in Christiaankondre op 19 oktober 1946. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2008 en ook mijn blog van 18 oktober 2009 en ook mijn blog van 19 oktober 2010

 

Uit: Julawai / De strijd tussen goed en kwaad

„Op een dag gingen Julawai, zijn vrouw en hun kinderen voor een paar dagen naar familie en vrienden verder de rivier op. Volgens zeggen woonden Julawai en zijn gezin even voorbij het dorp Bigiston aan de Marowijnerivier.

Vroeger was het de gewoonte dat men van zulke tochten gebruik maakte om voedsel te vergaren voor de komende tijd. Julawai nam dus zijn pijl en boog en hengelstokken mee.

In een opgewekte stemming voeren zij in hun korjaal de rivier op. Toen ze bij een kreek aankwamen, besloot Julawai daar een paar dagen te blijven om te vissen en te jagen. Twee dagen waren genoeg om een mutete (draagmand) vol vlees en vis te hebben.

Hierna werd de tocht voortgezet. Rustig pagaaiend bezong Julawai zijn successen bij het jagen en vissen. Zijn mooie gezang weerkaatste tegen het gordijn van het oerwoud en het wateroppervlak. Hij zong dat de successen van het leven afhangen van de wil van de natuur. Zijn vrouw en kinderen waren net als hij blij en gelukkig.

Het dorp waar ze naar toe gingen heette Tolenga. Het was een bekend dorpje van goudzoekers en balatableeders (rubbertappers). Het was ook bekend door de bijzondere gaven van enkele oudere bewoners. Naar men zegt, waren de mensen van Tolenga afkomstig uit Brazilië en hadden de ouderen hun kennis vandaar meegenomen.

Een van hen, een vrouwelijke pyjai (geestelijk leider), was beroemd als vroedvrouw. Een ongeboren kind dat moeilijk lag, kon door deze vrouw in de baarmoeder elastisch gemaakt worden, door middel van medicinale kruiden.

Een andere pyjai, een oude man die Byjai (leermeester) werd genoemd, kon urenlang onder water wandelingen maken. Als hij naar een ander dorp wilde reizen, deed hij dit onder water. Hij zei altijd tegen zijn vrouw en kinderen dat hij veel vrienden had in het water, in de rivier, die hem met raad en daad bijstonden. Van heinde en ver kwamen zieke mensen voor genezing bij hem. In moeilijke gevallen zei hij tegen zijn patiënten dat ze een paar dagen bij hem thuis moesten wachten om hem de tijd te geven zijn vrienden van de rivier te raadplegen. Als hij terugkwam, was de patiënt meestal al genezen, wat zijn vrienden van de rivier hadden bewerkstelligd.“

 

Nardo Aluman (Christiaankondre, 19 oktober 1946)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.