Dimitri Verhulst, Graham Greene, Wallace Stevens, Andreas Gryphius

De Vlaamse dichter en schrijver Dimitri Verhulst werd op 2 oktober 1972 geboren in Aalst. Zie ook mijn blog van 2 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Dimitri Verhulst op dit blog.

 

Uit: Godverdomse dagen op een godverdomse bol

„’t Kan vruchtenplukken en in zijn neus peuteren zonder daarvoor zijn stap te moeten onderbreken. Hoekoddig.
Honderd en twintig centimeter groot is ’t daarmee, genoeg om over de grassen der savannen te kijken.
In zijn halvelings kokende kop schuilt, behalve hier en daar wat snot, een 650 kubiekecentimeter metende drek: hersenen, beveelheren van het neuken en het vreten. 650 kubieke centimeter pure levensvreugd, dat volume zou, jawel, zelfs nog wat grotermogen worden.
Gaat dat?
Maar er is niks om te bikken en de teven zitten vol of hebben kleintjes aan hun spenenhangen, hetgeen hen lusteloos en onvruchtbaar maakt. Als de melkproductie van de wijfjes niet wordt afgebroken laten ze zich niet bespringen, zo simpel zit het. En dus zit ermaar één ding op: de kleintjes de kop in slaan. Infanticide!
Zie de uitgelatenheid waarmee het paar dagen oude, nog onder de baarmoederslijmenzittende schepsel bij de achterpoten wordt gepakt en met zijn hoofd tegen de stenen gesmakt. Het bloed gutst alle kanten op, de stront pruttelt eruit bij wijze van overlijdensact.

Kindje dood. Eindelijk kan ’t zijn achtentwintig kilogrammen op de moeder smijten, zijn putlucht in haar tronie hijgen naast het lijk waar zij maar blíjft naar kijken.
Maar, als dat een troost mag zijn, lang hoeft de teef niet op haar tanden te bijten: ’t kreeg reeds een stijve van het moorden en ’t bezit geen woorden om zijn smeerlapperijen eerst nog wat te verpakken in hofmakerij.
Erin en eruit en gedaan. Dat is vooral veel tijd bespaard. Veel tijd, en veel gezeik.En dan nu: eten! Maar wat? Er is niks te rapen in deze gore droogte en de honger is tegroot om geduldig wat te scharten in de aarde naar een wortel. Het gras is rost en wordtmeteen weer uitgekotst. ’t Heeft daar de maag niet voor. Ziet ’t er soms uit als een herkauwer, misschien? Vlees moet ’t hebben, er is geen andere keus! En ’t staart naar de lucht, zijn ogen doen er zeer van, en ziet de gieren schietvizieren cirkelen in het blauw dat zij beheersen. Dáár zou ’t moeten zijn.
Maar ’t komt te laat. De karkassen zijn verwerkt, de vetten van de dode reeds door de vogels in vlieguren omgezet, en ’t moet zich tevreden stellen met het afval dat in de borstkas overblijft. Vuiligheid. ’t Grabbelt een stuk maag uit het karkas van wat daarnet nog een gnoe was, en zuigt het leeg. Het is vunzig maar het smaakt, als vele vunzigheden, naar meer.”

Dimitri Verhulst (Aalst, 2 oktober 1972)

Doorgaan met het lezen van “Dimitri Verhulst, Graham Greene, Wallace Stevens, Andreas Gryphius”

Göran Sonnevi, Waltraud Anna Mitgutsch, Jan Morris

De Zweedse dichter en vertaler Göran Sonnevi werd geboren in Lund op 2 oktober 1939. Zie ook mijn blog van 2 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Göran Sonnevi op dit blog.

 

Uit: Mozart’s Third Brain (Vertaald door Rika Lesser)

 

LXIV

another bird, that flew upward, in the Forum Romanum
up toward the Rostra Maybe a serin, but
I don’t know Flowers were in bloom, flowers I don’t recognize
What may have been acanthus, growing like lupins
And a red flower, close to the ground White butterflies
At the house of the Vestals roses bloomed Up above
the palace and the ruins of villas a falcon flew
Sudden silence of birds At what sort of rostrum do what sorts
of speakers appear I listen to the voices of Europe
I feel no confidence; not even in my own distrust
STEER! We all carry the sparkling diamond oar
Hard; like the gates of Hades Shadows full of unrest
The Curia, restored in the ’30s, in the face of new imperial power
Which senate meets there; which tribunes of the people, if they would now
have audience, even in Hades We move through the centuries
Faced with destitution’s images The blood of the martyrs is clasped, cradled
As if Agave were clutching the head of Pentheus; the blood runs
down into a bowl; a grail The Etruscan votive sculptures
are thin as sticks; are by Giacometti What do the dead
see? What do they see that even the dying do not see? What
Hesperian fruits, shining Pomegranates; golden fruits?
By the Baths of Diocletian are orange trees Hidden
inside there, Michelangelo’s basilica, is full
of power, stone-dead, of the living Small flames burn for believers
Policemen stand in groups, some with bulletproof vests, submachine guns
The door to a bordello stands open Private health clubs
with sauna, massage At Stazione Termini are all kinds of people;
from all over the planet Everything stands wide open, glowing poverty
A beggar woman, emaciated, a shawl over her head, a half-
grown child in her arms, also sleeping, does not wake when you give
her money Which ones listen Which hear the invisible voice The one
with no platform, no altar, who is not even heard at the sacrificial spring in the under-
world, welling up from the rock; clear green water You want
to touch the water, but I stop you Maybe it is also
polluted? We go to the Colosseum, sit there together
on a marble bench, the fragment of one, behold the endless stream
of tourists Shadows in the planetary Hades; we among them
On the Palatine there’s a wedding; we talk to the cats a while Look at
more flowers, butterflies One wholly ordinary sparrow, but a little different
In our hotel room afterwards we make love; fiercely, with great intensity.


Göran Sonnevi (Lund, 2 oktober 1939)

Doorgaan met het lezen van “Göran Sonnevi, Waltraud Anna Mitgutsch, Jan Morris”