Donald Hall, Javier Marías, Joseph Breitbach, Adolf Endler, Henry Arthur Jones

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Donald Hall werd geboren in Hamden, New Haven County, Connecticut op 20 september 1928. Zie ook mijn blog van 20 september 2009 en ook mijn blog van 20 september 2010.

 

 

A Poet at Twenty

 

Images leap with him from branch to branch. His eyes

brighten, his head cocks, he pauses under a green bough,

alert.

And when I see him I want to hide him somewhere.

The other wood is past the hill. But he will enter it, and find the particular maple. He will walk through the door of the maple, and his arms will pull out of their sockets, and the blood will bubble from his mouth, his ears, his penis, and his nostrils. His body will rot. His body will dry in ropey tatters. Maybe he will grow his body again, three years later. Maybe he won’t.

There is nothing to do, to keep this from happening.

It occurs to me that the greatest gentleness would put a bullet into his bright eye. And when I look in his eye, it is not his eye that I see.

 

 

 

Villanelle

 

Katie could put her feet behind her head

Or do a grand plié, position two,

Her suppleness magnificent in bed.

 

I strained my lower back, and Katie bled,

Only a little, doing what we could do

When Katie tucked her feet behind her head.

 

Her torso was a C-cup’d figurehead,

Wearing below its navel a tattoo

That writhed in suppleness upon the bed.

 

As love led on to love, love’s goddess said,

“No lovers ever fucked as fucked these two!

Katie could put her feet behind her head!”

 

When Katie came she never stopped. Instead,

She came, cried “God!,” and came, this dancer who

Brought ballerina suppleness to bed.

 

She curled her legs around my neck, which led

To depths unplumbed by lovers hitherto.

Katie could tuck her feet behind her head

And by her suppleness unmake the bed.

 

Donald Hall (Hamden, 20 september 1928)

Continue reading “Donald Hall, Javier Marías, Joseph Breitbach, Adolf Endler, Henry Arthur Jones”

Cyriel Buysse, Stevie Smith, Upton Sinclair, Hanns Cibulka

 

De Vlaamse schrijver Cyriel Buysse werd geboren op 20 september 1859 in Nevele. Zie ook mijn blog van 20 september 2007. Zie ook mijn blog van 20 september 2007en ook mijn blog van 20 september 2008 en ook mijn blog van 20 september 2009 en ook mijn blog van 20 september 2010.

 

Uit: Broeder en zuster

 

„Zij keek, half over het portier gebogen, door het open venstertje, als de trein in het station aankwam. Hij stond haar af te wachten; doch eerst herkende hij haar schier niet meer. Het was zoolang geleden dat zij elkaar[1] gezien hadden. Hij nam haar vriendelijk bij beide handen, terwijl zij blozend en glimlachend van den spoorbaanwagen stapte, en kuste haar bewogen op beide hare wangen. Zij zag er zoo goed uit, sprak hij. Hij droeg haar pakje in de hand en leidde haar tot aan zijn rijtuig, dat naar hen stond te wachten. Zij namen plaats nevens elkander. Dáár zaten zij nu nog bijeen, de broeder en de zuster, na zulke lange scheiding. Eenige grijze haren doorkruisten reeds als zilverdraadjes zijne zwarte lokken; zij kwam slechts in den bloei des levens. Zij was ook lang en slank van gestalte zooals hij, doch iets kleiner; zij had ook donkerbruin haar, bruine oogen, en op haar aangezicht iets zachts en liefelijks, dat thans onder den indruk van hare gevoelens in een weemoedvollen glimlach scheen te versmelten. Van het verledene werd niet gesproken; hij vroeg haar niet, waarom zij sinds tien jaren niet eens bij hem gekomen was, niet eenmaal had geschreven; hij zei haar enkel, dat hij zoo gelukkig was haar terug te zien en zij zoo verschoond en zoo veranderd was, dat hij haar nimmermeer erkend zou hebben. Hij sprak haar ook van Tante, die gestorven was, en vroeg of deze gedurende hare ziekte veel had geleden. Een stille traan schoot langzaam in haar oog.

“O! zooveel!” zuchtte zij. Zij bleven beiden eene wijle stilzwijgend en lieten hunnen blik langs wederskanten van den weg over het landschap drijven, terwijl het open rijtuig hen door de zachte avondschemering naar hunne woning voerde. Zij dacht aan Tante, die zij zoo bemind had en die voor haar steeds zoo goed was geweest; aan Tante, die zij wellicht nooit zou verlaten hebben, hadde deze nog mogen leven. En hij dacht ook aan zijne eenzame en treurige levenswijze, en of zijne zuster het bij hem wel gewoon zou kunnen worden. Zij kwamen met de duisternis te M… aan, het dorp waar René woonde. Sinds den dood van vader was zij tehuis niet meer geweest. Hij leidde haar op de kamer, die hij voor haar had doen bereiden, en wees haar de kast en de commodes aan, waarin zij hare kleederen kon leggen. “Hier was het steeds uw vertrek,” sprak hij, “als gij kind waart.” Zij glimlachte bewogen en stak een binnendeurken open, en terwijl een traan van zachte ontroering haar oog schielijk verduisterde: “En hier was het de kamer van Moeder,” antwoordde zij. Zij zagen elkander met aandoening aan. Hij leidde haar door al de plaatsen van het huis en zegde, dat zij alles volgens haren zin zou mogen schikken. En zij bedankte hem erkentelijk en dacht, dat hij toch goed was voor haar.“

 

 

Cyriel Buysse (20 september 1859 – 25 juli 1932)

Continue reading “Cyriel Buysse, Stevie Smith, Upton Sinclair, Hanns Cibulka”