C. O. Jellema, Edward Upward, Cesare Pavese, Hana Androníková

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor C. O. Jellema op dit blog.

 

November

Geen mens gezien vandaag, wel
waren de novemberluchten hier weer
spectaculair, plakkaatverfwolken
zwart met kieren felle zon als
laserstralen de vuilwollen schapen
wittend op he hardgroen gras,
de Kunst der Fuge opgezet, Tatjana
Nikolajeva op de coverfoto net een
oude pianojuf die voorspeelt hoe,
aan grootmoeder, stokdoof, ze hield
de hoorn aan haar oor, stak mij
de toeter toe, vertel me wat, het kind
dat -ik- haar kamer binnenkwam
en niets opeens had te vertellen,
daar doet ze me aan denken, had,
als je was langsgekomen, ik
zoiets verteld of zouden wij
de diepte in gedoken zijn, essenties
in het gesprek al formulerend hebben
blootgelegd, omvangt denk ik wel eens
hetgeen uit zicht verdween, al wat
ooit heeft geleefd, een eindeloos
en telescopisch onbespied geheugen
als ruimte waarin het heelal uitdijt,
de megabytes van wie we noemen God,
dat jij zo denkt zit in je genen
zeg je misschien, is niet dood,
voor dove oren zwijgt een kind en denkt
aan stekelbaarsjes in de gracht,
gedachten lijken ook toch op muziek,
zo’n fuga van gemis met contrapunt
van toen je niet besefte hoe je leefde, wel
die kleine kunst verstond en in
kon slapen met de visjes ademhappend
in een weckfles naast je bed, de band
raakt zo wel vol vrees ik, toch goed
dat je je antwoordapparaat hebt
aangezet, haast of je me nu hoort,
ik was nog wakker, zie je, met die storm
om huis, ik houd niet van november, niet
van nachten op

 

Muggen

Vragen gelieven zich af: voegt onze liefde
iets toe aan de liefde? – zo houdt

de vrucht van een schoot het danige
doodgaan in stand –

Iets verdroomt zich in ons,
iets wil het lukraak, iets
overleeft het, zoals

boven vannacht gevallen, nu
in de middagzon smeltende sneeuw

die wolk
dansende muggen,

een beeld maar, lichter
dan lichaam kan zijn.

C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)

Portret door Jacqueline Kasemier, 1993

Doorgaan met het lezen van “C. O. Jellema, Edward Upward, Cesare Pavese, Hana Androníková”

Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez

De Russische schrijver Leo Tolstojwerd geboren op 9 september 1828 op het landgoed Jasnaja Poljana, in de buurt van Toela. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor Leo Tolstoj op dit blog.

 

Uit: Oorlog en vrede (Vertaald door H.R. de Vries)

Karatajew had geen bijzondere banden, geen grote liefde of vriendschap in zijn leven, zo begreep Pierre, maar hij leefde en had lief in en met alle dingen en mensen om zich heen. Hij had niet één mens boven alle anderen lief, neen, hij onderging het leven op zijn eigen wijze in de mensen die zijn weg kruisten. Hij hield van zijn straathond, van zijn makkers, van de Fransen en van zijn slapie, Pierre, maar Pierre voelde dat Karatajew hem, ook al zouden ze scheiden, geen ogenblijk zou betreuren. En evenzo ontwikkelden zich Pierre’s gevoelens voor Platon.
De andere gevangenen beschouwden Karatajew als een gewoon soldaat; ze staken op goedhartige wijze de draak met hem en lieten hem boodschappen lopen. Maar Pierre bleef hem zien zoals hij hem de eerste avond had leren kennen: als een eeuwig stralende, ondoorgrondelijke belichaming van eenvoud en waarachtigheid.
Platon Karatajew had niets van buiten geleerd of het moesten dan zijn gebeden zijn. Als hij praatte leek het of hij niet wist wat hij straks ging zeggen.
Soms vroeg Pierre, getroffen door de diepzinnigheid van een zegswijze, die te herhalen. Maar Platon wist nooit meer wat hij het moment daarvoor had gezegd. Hij slaagde er evenmin in voor Pierre de woorden van zijn lievelingslied goed op te zeggen – hij wisselde vele malen van gedaante en ofschoon er een vast aantal woorden in voorkwamen – zoals ‘geboorte’ en berkeboompje’ en ‘mijn hart heeft heimwee’ – kreeg het lied pas zin als hij het zong. Want de gesproken woorden begreep hij er zelf niet van – het was een lied en moest gezongen worden. Alles wat hij zei en deed was een uiting van een diep innerlijk leven dat hij zelf niet kende. Zijn eigen leven, zoals hij erover sprak, scheen hem van nul en gener waarde te zijn – het was een deeltje van het grote leven, waarvan hij zich meer bewust was. Zijn woorden en daden welden steeds even spontaan en gelijkmatig uit hem op als honinggeur die een bloem ontstijgt. De waarde en betekenis van een afzonderlijk woord, een afzonderlijke daad, ontgingen hem ten ene male.”

 

Leo Tolstoj (9 september 1828 – 20 november 1910)

Doorgaan met het lezen van “Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez”