Helga Ruebsamen, Antonin Artaud, Mary Renault, Richard Wright, René de Chateaubriand, Constantijn Huygens

 

De Nederlandse schrijfster Helga Ruebsamen is op 4 september 1934 geboren in Batavia, in Nederlands lndië. Zie ook mijn blog van 4 september 2006 en ook mijn blog van 4 september 2008 en ook mijn blog van 4 september 2009 en ook mijn blog van 4 september 2010.

 

Uit:Billy Holiday (Column)

 

Plotseling zag ik haar weer, na jaren. ’t Was laat op de avond en laat in de zomer en daar was ze, op teevee, Billie Holiday. Zo vaak gebeurt dat gelukkig niet.

’t Kwam hard aan, deze onverwachte confrontatie met mijn idool.

Het sneed door mijn ziel, zoals alle keren gebeurde dat ik het aandurfde haar met open oren te beluisteren en met open ogen te bekijken, haar elegante verschijning, haar hulpeloos schijnende gebaartjes, maar vooral haar stem. En ik had me niet kunnen wapenen, want ze kwam binnen gevaren als een verstekeling in het programma Zomergasten, daar in gesmokkeld door Henk van Os. Wat moet die kunstprofessor met mijn Billie, dacht ik pissig, laat-ie zich bij zijn Madonna’s houden. In plaats van blij te zijn dat zo’n geachte medebewonderaar de zangeres eventjes uit de vergetelheid tilde, voelde ik me alsof hij haar uit mijn wagentje had gekidnapt. Hey man, wat doe jij met mijn baby? Het vervulde mij met afschuw dat ik mijn liefde voor Billie ineens moest delen met honderdduizenden mensen die ik niet kende, dat deze Jan en Alleman onverschillig naar haar keken en naar haar luisterden alsof ze een Imca Marina was, of een Corrie van de Rekels, wisten al die mensen veel. Ze praatten er misschien lustig doorheen of zaten zelfs smakkend te vreten of nog erger, ze stonden almaar op om tussendoor naar de keuken te gaan en nog meer bier en kaas te halen.

Iedereen mag jazz-zangeressen laten opdraven bij de vleet, Billie’s voorgangsters bijvoorbeeld, Bessie Smith en Ma Rainey, nog liever Ella Fitzgerald wat mij betreft, een lust voor oor en oog, in haar heerlijke poffertjestentjurken en een en al stemacrobatiek, wat een geweldige dames, allemaal, ik hoor ze graag en durf best met ze mee te neuriën ook. Pompompomperdepom.

Maar Billie Holiday is hors concours. Iedereen moet van haar afblijven.

Bij mijn eerste kennismaking met haar, wel een jaar of veertig geleden, op een 78 toeren-plaat, kon en wilde ik niet geloven wat ik hoorde. Die stem, de voordracht, het effect, onbeschrijflijk, met niets te vergelijken. Als Billie zingt klinkt het niet alleen maar, zoals wel eens is geschreven, als het gekerm van een gevallen engel en evenmin koert en kreunt zij als een gekwelde duivelin, want dit mag dan allemaal waar zijn, het is toch meer en nog mooier.

 

 

Helga Ruebsamen (Batavia, 4 september 1934)

 

 

 

 

De Franse schrijver Antonin Artaud werd geboren op 4 september 1896 in Marseille. Zie ook mijn blog van 4 september 2006 en ook mijn blog van 4 september 2008 en ook mijn blog van 4 september 2009 en ook mijn blog van 4 september 2010.

 

 

La rue

 

La rue sexuelle s’anime
le long de faces mal venues,
les cafés pepiant de crimes
deracinent les avenues.

 

Des mains de sexe brûlent les poches
et les ventres bouent par-dessous;
toutes les pensees s’entrechoquent,
et les tetes moins que les trous.

 

 

 

Le Navire Mystique

 

Il se sera perdu le navire archaïque
Aux mers où baigneront mes rêves éperdus ;
Et ses immenses mâts se seront confondus
Dans les brouillards d’un ciel de bible et de cantiques.

 

Un air jouera, mais non d’antique bucolique,
Mystérieusement parmi les arbres nus ;
Et le navire saint n’aura jamais vendu
La très rare denrée aux pays exotiques.

 

Il ne sait pas les feux des havres de la terre.
Il ne connaît que Dieu, et sans fin, solitaire
Il sépare les flots glorieux de l’infini.

 

Le bout de son beaupré plonge dans le mystère.
Aux pointes de ses mâts tremble toutes les nuits
L’argent mystique et pur de l’étoile polaire.

 

 

 

Antonin Artaud (4 september 1896 – 4 maart 1948)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijfster Mary Renault werd op 4 september 1905 geboren als Mary Challans in Forest Gate in Essex. Zie ook mijn blog van 4 september 2006 en ook mijn blog van 4 september 2008 en ook mijn blog van 4 september 2009 en ook mijn blog van 4 september 2010.

 

Uit: The Praise Singer

 

“Then came the wedding from which my life was born.

The bridegroom was Laertes, our neighbor Milon’s eldest son. He was a sea-captain, his rich father having bought him a ship when he came of age. He had grown rich in his turn, by boldness, shrewdness and luck, trading about lonia and as far as Egypt, and had stayed unmarried till thirty, mostly for lack of time. There was always a stir when he put in with his foreign goods, his outlandish men and his tales. Theas, who was taken to call with our father, used to save the tales for me.

I had never thought they would take me to the wedding. Any treats I had as a child came always from Theasides. This time they could hardly leave me behind, because my five-year-old sister was going. She was pretty, though, with hair as soft as cobweb and red as fire. Once she had asked me gravely how I came to be so ugly, not believing such a thing could happen without a reason her elders would understand. I told her I had been cursed by a raven from whom I had taken a lamb, which left her satisfied. Hearing her crying as her hair was combed, I wondered they should be troubled with either of us at a feast, forgetting that weddings beget weddings and are times for looking ahead.

At all events, my best tunic came out of the chest; a castoff of Theasides’s though there were five years between us; quite good, but I was outgrowing it in my turn. I looked dismayed at my lean thighs with their dark pelt of hair. But I would have to show enough to frighten the women, before I would get a new one. Keos is stern.

Before the house of the bride was a gently sloping meadow, where the bridesmaids stood with their garlands, waiting to sing. The thrones of the bride and groom were decked with flowers. My parents greeted their hosts, and sought out their friends among the guests, taking Theasides with them. He was plainly dressed (there are laws in Keos against extravagance), but the cloth was fine, and if he had been in rags his beauty would have graced them. I, knowing what my parents would have wished of me, lost myself in the crowd. There was more in this than filial duty. I had marked down the slab of rock where the bard would stand to sing, and the clump of brush near by where I could listen undisturbed. I meant not to miss a word.”

 

 

Mary Renault (4 september 1905 – 13 december 1983)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Richard Nathaniel Wright werd geboren in Roxie, Mississippi op 4 september 1908. Zie ook mijn blog van 4 september 2007 en ook mijn blog van 4 september 2008 en ook mijn blog van 4 september 2009 en ook mijn blog van 4 september 2010.

 

Uit: The Ethics of Living Jim Crow: An Autobiographical Sketch (Uncle Tom’s Children)

 

I sat brooding on my front steps, nursing my wound and waiting for my mother to come from work. I felt that a grave injustice had been done me. It was all right to throw cinders. The greatest harm a cinder could do was leave a bruise. But broken bottles were dangerous; they left you cut, bleeding, and helpless.

When night fell, my mother came from the white folks’ kitchen. I raced down the street to meet her. I could just feel in my bones that she would understand. I knew she would tell me exactly what to do next time. I grabbed her hand and babbled out the whole story. She examined my wound, then slapped me.

“How come yuh didn’t hide?” she asked me. “How come yuh awways fightin’?”

I was outraged, and bawled. Between sobs I told her that I didn’t have any trees or hedges to hide behind. There wasn’t a thing I could have used as a trench. And you couldn’t throw very far when you were hiding behind the brick pillars of a house. She grabbed a barrel stave, dragged me home, stripped me naked, and beat me till I had a fever of one hundred and two. She would smack my rump with the stave, and, while the skin was still smarting, impart to me gems of Jim Crow wisdom. I was never to throw cinders any more. I was never to fight any more wars. I was never, never, under any conditions, to fight white folks again. And they were absolutely right in clouting me with the broken milk bottle. Didn’t I know she was working hard every day in the hot kitchens of the white folks to make money to take care of me? When was I ever going to learn to be a good boy? She couldn’t be bothered with my fights. She finished by telling me that I ought to be thankful to God as long as I lived that they didn’t kill me.

All that night I was delirious and could not sleep. Each time I closed my eyes I saw monstrous white faces suspended from the ceiling, leering at me.

 

 

Richard Wright (4 september 1908 – 28 november 1960)

 

 

 

 

De Franse schrijver François René de Chateaubriand werd geboren op 4 september 1768 in Saint Malo. Zie ook mijn blog van 4 september 2006 en ook mijn blog van 4 september 2008 en ook mijn blog van 4 september 2009 en ook mijn blog van 4 september 2010.

 

Uit: Le Génie du christianisme

 

„Le coeur ému par ces conversations pieuses, je portais souvent mes pas vers un monastère voisin de mon nouveau séjour ; un moment même j’eus la tentation d’y cacher ma vie. Heureux ceux qui ont fini leur voyage sans avoir quitté le port, et qui n’ont point, comme moi, traîné d’inutiles jours sur la terre !
Les Européens, incessamment agités, sont obligés de se bâtir des solitudes. Plus notre coeur est tumultueux et bruyant, plus le calme et le silence nous attirent. Ces hospices de mon pays, ouverts aux malheureux et aux faibles, sont souvent cachés dans des vallons qui portent au coeur le vague sentiment de l’infortune et l’espérance d’un abri ; quelquefois aussi on les découvre sur de hauts sites où l’âme religieuse, comme une plante des montagnes, semble s’élever vers le ciel pour lui offrir ses parfums.
Je vois encore le mélange majestueux des eaux et des bois de cette antique abbaye où je pensai dérober ma vie au caprice du sort ; j’erre encore au déclin du jour dans ces cloîtres retentissants et solitaires. Lorsque la lune éclairait à demi les piliers des arcades et dessinait leur ombre sur le mur opposé, je m’arrêtais à contempler la croix qui marquait le champ de la mort et les longues herbes qui croissaient entre les pierres des tombes. Ô hommes qui, ayant vécu loin du monde, avez passé du silence de la vie au silence de la mort, de quel dégoût de la terre vos tombeaux ne remplissaient-ils pas mon coeur !
Soit inconstance naturelle, soit préjugé contre la vie monastique, je changeai mes desseins, je me résolus à voyager. Je dis adieu à ma soeur ; elle me serra dans ses bras avec un mouvement qui ressemblait à de la joie, comme si elle eût été heureuse de me quitter ; je ne pus me défendre d’une réflexion amère sur l’inconséquence des amitiés humaines.“

 



René de Chateaubriand (4 september 1768 – 4 juli 1848)

Portret door Henri Félix Emmanuel Philippoteaux

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Constantijn Huygens werd geboren op 4 september 1596 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 4 september 2006 en ook mijn blog van 4 september 2008 en ook mijn blog van 4 september 2009 en ook mijn blog van 4 september 2010.

 

Haerlem

 

Al heb ick t’mijner tijd der Vorsten Hof gevoedt,

’t Is mijn geringste roem, mijn hooghste staet in ’t bloed,

Der Goddeloosen bloed; van doen mijn’ Staele kielen

Haer Ys’ren Haven-touw aenvaerdden te vernielen.

 

t’Huys heb ick oock voor God, voor goed en vryigheit

Mijn’ Borgeren gewaeght, en Spagnen noyt gevleidt.

Zijn ’t koele wonderen, en hoorens’ and’re meer toe;

Van ’t allerwonderste komt my alleen de eer toe,

 

Geen ongesiener naem, geen aengenamer stuck;

‘k Heb konst en konstenaers geholpen in den Druck.

 

 

 

Edam

 

De Dam die ’t Zuyderdiep het binnen Y onthiel

Gaf my d’Ydammer naem; dien ick niet langer hiel

Dan tot het vett gerucht van mijn’ gewilde Kaesen

De wereld had gevult, en naer mijn aes doen raesen:

 

Sints noemden sy ’t Eet-dam daer soo veel etens groeyt.

Maer dat men mijner melt soo verr het ebt en vloeyt,

Is elders op gevest: hoort, Hollander, de wielen

Van uw’ Victori-koets zijn uw’ bezeilde kielen;

 

Dat zijn de mijne meest: Behoort niet meest de danck

Den Raden-maker toe van ’s wagens gladden ganck?

 

 

 

Constantijn Huygens (4 september 1596 — 28 maart 1687)
Edam