Johannes Immerzeel, Ota Pavel, Alekos Panagoulis, C. C. Bergius, Arend Fokke Simonsz

De Nederlandse dichter en schrijver Johannes Immerzeel werd geboren in Dordrecht op 2 juli 1776. Zie ook mijn blog van 2 juli 2007 en ook mijn blog van 2 juli 2010.

Hoe bedachtzaam!

Ik min mijn geld, en ‘k wil het sparen,
Mijn rust, en ‘k zal ze als goud bewaren:
Want zocht ik vrienden of een vrouw
Ik had voorzeker ras berouw.
Hoe ik de zaken ook beschouw.
In ’t huwelijk vind ik zelden trouw;
En waar de trouw zelfs wordt gevonden,
Waant ieder eeuwig haar geschonden;
En waar men toch elkaar verdenkt, –
Waartoe er doekjes om gewonden? –
Daar is het huwlijksheil gekrenkt.
Neen! als de pijl, die ’t hart mij griefde,
Door langzaam werkend minvenijn
Vernielend voor mijn rust moet zijn,
Dan blaas ik wat in heel de Liefde.
En Vrienden? ja, wist ik vooruit,

Wie altijd zou gelukkig wezen,
En dat ik dus geen klaaggeluid,
Geen hulpgebeden had te vrezen,
En veilig in mijn wijngaard zat,
Dan ging ik heen en zocht er wat;
Maar thans? wel! ‘k zou in ieders wezen
Vooruit een jermiade lezen:
Neen! ‘k hou mij van die strikken vrij:
Geen Vriendschap zonder beedlarij!
Geen Liefde zonder jaloezij.

Johannes Immerzeel (2 juli 1776 – 9 juni 1841)
Houtsnede naar een geschilderd origineel van N. Pieneman.

 

De Tsjechische schrijver en (sport)journalist Ota Pavel (eig. Ota Popper) werd geboren op 2 juli 1930 in Praag. Zie ook mijn blog van 2 juli 2007 en ook mijn blog van 2 juli 2010

Uit: Wie ich den Fischen begegnete (Vertaald door Elisabeth Borchardt)

Nun machte der Gänsekiel hopsa und verschwand. Aber ich konnte sehen, daß er unter der Oberfläche zu den Wasserlilien hinsauste. Ich haute an. Die Angelrute bog sich, und ich spürte zum ersten mal im Leben das wonnige Ziehen des Fisches. Nach einem mächtigen gegenseitigen Ringen erschien ein struppiges Maul. Es war ein Barsch, und er war so groß wie eine karierte rote Mütze, zudem noch olivgrün mit dunklen Streifen. Er trug seine roten Flossen wie ein Kampfbanner, und sein Rücken glich dem eines Stiers. Statt Augen hatte er goldene, lebendige Geldstücke, und aus seinem Rücken ragte ein struppiger Speer. Das war kein Fisch, das war ein Drache, ein gepanzerter Ritter mit einer roten Feder am Helm.”

Ota Pavel (2 juli 1930 – 31 maart 1973)
Ota (links) met zijn broer Hugo

 

De Griekse dichter en verzetstrijder Alekos Panagoulis werd geboren op 2 juli 1939 in Glyfada. Zie ook mijn blog van 2 juli 2007 en ook mijn blog van 2 juli 2010

Mon adresse

Boîte d’allumette comme crayon
Sang au plancher versé pour encre
L’emballage oublié de la gaze comme papier
Qu’écrie-je?
Mon adresse seulement arrive-je
C’est étrange l’encre et devient solide
D’une prison je vous écris
En Grèce

Alekos Panagoulis (2 juli 1939 – 1 mei 1976)
Na zijn arrestatie in 1968

 

De Duitse schrijver C. C. Bergius (eig. Egon-Maria Zimmer) werd geboren op 2 juli 1910 in Buer. Zie ook mijn blog van 2 juli 2007 en ook mijn blog van 2 juli 2010

Uit: Heisser Sand

“Zermürbende Hitze brütet über der Nordküste Australiens, und aus dem Dschungel des Hinterlandes weht ein atemberaubender Fieberwind, als der von einem jungen Australier gesteuerte Wagen des Engländers Clyborough den Hafen von Darwin verläßt.”

(…)

“Er bückte sich und nahm eine Handvoll Sand – heißen Sand, den er langsam durch die Finger rieseln ließ. Dann hob er den nächst besten Stein auf, betrachtete ihn kopfschüttelnd und ließ in wieder fallen. “Gehen wir!” sagte er zu dem Koala. “Drüben wartet ein Mensch!”‘

C. C. Bergius (2 juli 1910 – 23 maart 1996)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Arend Fokke Simonsz werd geboren in Amsterdam op 2 juli 1755. Zie ook mijn blog van 2 juli 2007 en ook mijn blog van 2 juli 2010

Uit: De moderne Helicon

ô, Mijn goede vriend! sprak hij eindelijk, naa een poos stilzwijgen, wie zijt gij en van waar komt gij? Ik heb in zeer langen tijd die taal hier niet gehoord; zij doet mij nog aan mijn’ ouden blinden vriend Homerus gedenken, en, wilt ge wel gelooven, dat mij dit waarlijk treft; maar dat ik in de daad lagchen moet om het zeldzaam contrast, dat deze uwe aanspraak men mijn tegenwoordige omstandigheid maakt; Neen, Vriend! Ik mag wel, met Virgilius, roemrijker gedachtenis, uitroepen:

Fuit Ilium!

Troje is ‘er geweest!

Wel ja, ik zie ‘er thands wel kragtig heerschende uit; Man! daar is sedert dien tijd, waarvan gij spreekt, zo veel water ten dale geloopen, dat ik ’t u in geen’ geheelen dag alles zou kunnen vertellen; maar toch, om de zeldzaamheid van de ontmoeting, en om dat het schijnt dat ge ‘er nog niets van weet, en zeekerlijk alleen met het oogmerk komt om iets van mij te verneemen, gelijk ik reeds veele zulke oude kunstvrienden bij mij gehadhebbe, zo doe mij het plaisier van mij een weinig gezelschap te houden, en wat met mij te keuvelen; zet u hier, als ’t u gelieft, wij zullen eens een pijpjen stoppen, en dan zult ge wonderen hooren. Hij kreeg werkelijk pijpen, tabak en een morgendrankjen, uit een Bufet dat nevens hem stondt, en, naa hij gescheld hadt, kwam ‘er een zeer eenvouwdig Zusjen, netjes in ’t hair gekapt, binnen, en bragt een comfoir met vuur. Hoe, zeide ik, rookt gy, ô groote Apollo! ook even als wij menschen! Wel ja, was zijn antwoord, daar heeft onze klugtige Focquenbroch(*) my nog aangebragt, ge kent immers zijn aartige rijmpjens wel. – Nu kan ik het waarlijk bezwaarlijk laaten; want snuiven dat is me toch wat te onzindelijk. Ben ik niet vrij wat ontgod sedert dien ouden tijd, waarvan gij zo even spraakt? – Hij stak voords werkelijk met mij op, en dampte uit den treuren. Ik dagt bij mij zelven, dat schijnt al een heel gemeenzaame God geworden te zijn.”

Arend Fokke Simonsz (2 juli 1755 – 15 november 1812)