Giovanni Boccaccio, Jean d’Ormesson, Anna Wimschneider, John Cleveland, Frans Roumen

De Italiaanse dichter en schrijver Giovanni Boccaccio werd geboren in Florence of Certaldoi in juni of juli 1313. Zie ook mijn blog van 16 juni 2007 en ook mijn blog van 16 juni 2008 en ook mijn blog van 16 juni 2009 en ook mijn blog van 16 juni 2010

Uit: Decamerone

„Lisabetta werd wakker en huilde naar aanleiding van deze droom bittere tranen, want zij geloofde heilig in de waarheid ervan. ’s Morgens stond zij op en zonder iets aan haar broers te durven vertellen besloot zij op de aangegeven plek te gaan kijken of dat wat zij in haar slaap had gezien waar was. Ze kreeg verlof voor een klein uitstapje buiten de stad, en in gezelschap van een vrouw, die wel eens vaker met Lorenzo en haar was meegegaan en die van heel hun doen en laten op de hoogte was, begaf zij zich zo spoedig rnogelijk naar de bewuste plaats. Ze haalde de dorre bladeren weg die daar lagen, en begon op een punt waar de grond haar minder hard leek te graven. En het duurde niet lang of zij stuitte daarbij op het lichaam van haar ongelukkige minnaar, dat nog volledig gaaf en ongeschonden was. En daaruit kon ze duidelijk afleiden dat het droomgezicht waar was geweest. Ofschoon zij bedroefder was dan wie ook, begreep zij dat het daar niet de juiste plaats was voor tranen. En hoewel ze, als dat mogelijk was geweest, graag heel het lichaam had meegenomen om het op een meer passende manier te begraven, zag ze wel in dat dat niet kon. Ze sneed daarom zo goed en zo kwaad als het ging met een mes het hoofd van de romp en wikkelde het in een doek, waarna zij het aan haar gedienstige overhandigde. Nadat zij de rest van het lichaam weer had begraven, ging zij vervolgens, zonder dat zij door iemand was opgemerkt, van die plaats weg en keerde naar huis terug.“

 

Giovanni Boccaccio ( juni of juli 1313 – 21 december 1375)

Italiaanse school, Portretgalerij,Schloss Ambras, Innsbruck

Bewaren

De Franse schrijver en essayist Jean d’Ormesson (eig. Jean Lefèvre, comte d’Ormesson) werd geboren op 16 juni 1925 in Parijs. Zie ook mijn blog van 16 juni 2009 en ook mijn blog van 16 juni 2010

 

Uit: Presque rien sur presque tout

Elle est bleue, verte ou noire, ou parfois turquoise ou moirée, ou tout à fait transparente et déjà presque absente. Elle est chaude ou froide, à la température du corps, ou bouillante jusqu’à s’évaporer, ou déjà sur le point de geler et de se changer en glace. Tantôt vous l’avalez et l’eau est dans votre corps; et tantôt vous vous plongez en elle et c’est votre corps qui est dans l’eau. Elle dort, elle bouge, elle change, elle court avec les ruisseaux, elle gronde dans les torrents, elle s’étale dans les lacs ou dans les océans et des vagues la font frémir, la tempête la bouleverse, des courants la parcourent, elle rugit et se calme. Elle est à l’image des sentiments et des passions de l’âme.

Ce serait une erreur que de prêter à l’eau, à cause de sa finesse et de sa transparence, une fragilité dont elle est loin. Rien de plus résistant que cette eau si docile et toujours si prête à s’évanouir. Là où les outils les plus puissants ne parviennent pas à atteindre, elle pénètre sans difficulté. Elle use les roches les plus dures. Elle creuse les vallées, elle isole les pierres témoins, elle transforme en îles des châteaux et des régions entières.“

 

Jean d’Ormesson (Parijs, 16 juni 1925)

 

De Duitse schrijfster en boerin Anna Wimschneider werd geboren op 16 juni 1919 in Pfarrkirchen. . Zie ook mijn blog van 16 juni 2009 en ook mijn blog van 16 juni 2010

 

Uit: Herbstmilch

„Einmal spielten wir auch so schön und lustig und liefen alle rund ums Haus. Da kam bei der Haustüre die Fanny heraus mit unserem Badwandl und schüttete nahe beim Haus viel Blut aus. Wir blieben alle ringsherum stehen und sagten, heh, heh, was haben wir denn geschlachtet? Sie sagte, das ist von der Mutter. Haben wir denn die Mutter geschlachtet? Wir wollten zur Mutter hinein. Sie sagte, bleibt noch da stehen, ich sag es euch schon, wenn ihr reingehen dürft.
Wir warteten. Dann zogen wir die Stiege hinauf in die obere Stube. Es begegneten uns zwei Männer in weißen Kitteln. Zwei Nachbarinnen standen da, und der Vater und alle weinten. Die Mutter lag im Bett, sie hatte den Mund offen und ihre Brust hob und senkte sich in einem Röcheln. Im Bettstadl lag ein kleines Kind und schrie, was nur rausging. Wir Kinder durften zur Mutter ans Bett gehen und jedes einen Finger ihrer Hand nehmen. Später wurden wir wieder zum Spielen hinausgeschickt.
Am Abend kamen die Nachbarn und viele Leute zum Rosenkranzbeten. Die Mutter lag im Vorhaus, in der Fletz aufgebahrt. Ihre schönen rötlichen Haare waren in Locken gekämmt, wie sie dies immer vor dem Spiegel getan hatte. Sie hatte ein schwarzes Kleid an, und Schuhe hatte sie auch an. Wir Kinder fragten, warum hat die Mutter Schuhe an? Die Nachbarin sagte, daß das ein alter Brauch ist, denn eine Wöchnerin muß auf Dornen in den Himmel gehen. Die Nachbarn beteten einen Rosenkranz, dann bekamen sie Brot und ein Trunk wurde gereicht. Dann wurde noch ein Rosenkranz gebetet. Das war zwei Abende so.“

 


Anna Wimschneider (16 juni 1919 – 1 januari 1993)

 

De Engelse dichter John Clevelandwerd geboren op 16 juni 1613 in Loughborough. Zie ook mijn blog van 16 juni 2009 en ook mijn blog van 16 juni 2010

The Rebel Scot (Fragment)

How, Providence? and yet a Scottish crew?

Then Madam Nature wears black patches too!

What, shall our nation be in bondage thus

Unto a land that truckles under us?

Ring the bells backward! I am all on fire.

Not all the buckets in a country quire

Shall quench my rage. A poet should be feared

When angry, like a comet’s flaming beard.

And where’s the stoic can his wrath appease,

To see his country sick of Pym’s disease?

By Scotch invasion to be made a prey

To such pigwidgeon myrmidons as they?

But that there’s charm in verse, I would not quote

The name of Scot without an antidote;
Unless my head were red, that I might brew

Invention there that might be poison too.

Were I a drowsy judge whose dismal note

Disgorgeth halters as a juggler’s throat

Doth ribbons; could I in Sir Empiric’s tone

Speak pills in phrase and quack destruction;

Or roar like Marshall, that Geneva bull,

Hell and damnation a pulpit full;

Yet to express a Scot, to play that prize,

Not all those mouth-grenadoes can suffice.

 


John Cleveland (16 juni 1613 – 29 april 1658)

Loughborough, Town Hall, rond 1900

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

Bart, café de Plak I

Er hangen torso’s aan de keldermuren
van jonge goden van het witte doek.
Bart wacht en tekent aan een nieuwe broek.
Publiek verschijnt hier in de kleinste uren.

Hoe kort ons scheppend ogenblik mag duren,
het is genoeg, om dit cafébezoek
voor altijd vast te leggen voor een boek
dat later mijn geheugen bij kan sturen.

Bart zal wel mooier worden met de jaren,
zijn haar nog zwarter dan het nu al is.
weerschijnend in de glans van het verleden.

Komt ooit een tijd om dit te evenaren,
dan als herinnering, als erfenis
van een moment, volmaakter dan het heden.

 

Frans Roumen, Uit: Elk woord van mij is zonde,

(Uitgeverij Berend Immink, Nijmegen 1984)

 


Frans Roumen Wessem, 16 juni 1957)
Café de Plak, (Nijmegen, mei 1976 – heden)

 

Zie ook alle tags voor Frans Roumen op dit blog.

Bewaren