Walt Whitman, Frank Goosen, Gabriel Barylli, Gerd Hergen Lübben, Serge Brussolo

De Amerikaanse dichter Walt Whitman werd geboren op 31 mei 1819 in Westhills, Long Island, New York. Zie ook mijn blog van 31 mei 2010 en eveneens alle tags voor Whalt Whitmanop dit blog.




I was asking for something specific and perfect for my city,

Whereupon lo! upsprang the aboriginal name.


Now I see what there is in a name, a word, liquid, sane,

unruly, musical, self-sufficient,

I see that the word of my city is that word from of old,

Because I see that word nested in nests of water-bays,


Rich, hemm’d thick all around with sailships and

steamships, an island sixteen miles long, solid-founded,

Numberless crowded streets, high growths of iron, slender,

strong, light, splendidly uprising toward clear skies,

Tides swift and ample, well-loved by me, toward sundown,

The flowing sea-currents, the little islands, larger adjoining

islands, the heights, the villas,

The countless masts, the white shore-steamers, the lighters,

the ferry-boats, the black sea-steamers well-model’d,

The down-town streets, the jobbers’ houses of business, the

houses of business of the ship-merchants and money-

brokers, the river-streets,

Immigrants arriving, fifteen or twenty thousand in a week,

The carts hauling goods, the manly race of drivers of horses,

the brown-faced sailors,

The summer air, the bright sun shining, and the sailing

clouds aloft,

The winter snows, the sleigh-bells, the broken ice in the

river, passing along up or down with the flood-tide or


The mechanics of the city, the masters, well-form’d,

beautiful-faced, looking you straight in the eyes,

Trottoirs throng’d, vehicles, Broadway, the women, the

shops and shows,

A million people–manners free and superb–open voices–

hospitality–the most courageous and friendly young


City of hurried and sparkling waters! city of spires and masts!

City nested in bays! my city!



Among The Multitude


Among the men and women the multitude,

I perceive one picking me out by secret and divine signs,

Acknowledging none else, not parent, wife, husband, brother, child, any nearer than I am,

Some are baffled, but that one is not–that one knows me.

Ah lover and perfect equal,

I meant that you should discover me so by faint indirections,

And I when I meet you mean to discover you by the like in you.




Uit:Calamus Poems




Not heaving from my ribbed breast only,

Not in sighs at night, in rage, dissatisfied with myself,

Not in those lang-drawn, ill-suppressed sighs,

Not in many an oath and promise broken,

Not in my willful and salvage soul’s volition,

Not in the subtle nourishment of the air,

Not in this beating and pounding at my temples and wrists,

Not in the curious systole and diastole within, which will one day cease,

Not in many a hungry wish, told to the skies only,

Not in cries, laughter, defiances, thrown from me when alone, far in the wilds,

Not in husky pantings through clenched teeth,

Not in sounded and resounded words — chattering words, echoes, dead words,

Not in the murmers of my dreams while I sleep,

Nor in the limbs and senses of my body, that take you and dismiss you continually — Not there,

Not in any of all of them, O adhesiveness! O pulse of my life!

Need I that you exist and show yourself, any more than in these songs.


Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893)



Doorgaan met het lezen van “Walt Whitman, Frank Goosen, Gabriel Barylli, Gerd Hergen Lübben, Serge Brussolo”

Konstantin Paustovski, Saint-John Perse, Georg Herwegh, Ludwig Tieck

De Russische schrijver Konstantin Paustovski werd geboren op 31 mei 1892 in Moskou. Zie ook mijn blog van 31 mei 2009 en ook mijn blog van 31 mei 2010


Uit: Verre Jaren (Vertaald door Wim Hartog)


’s Winters kwam tante Dozja altijd uit Gorodisjtsje een paar dagen bij ons op bezoek. Mama vond het heerlijk om haar mee te nemen naar het theater. De nacht ervoor sliep tante Dozja slecht. Al een paar uur voor het zover was, deed zij haar wijde bruinsatijnen jurk met ingeweven gele bloemen en bladeren aan, sloeg de bijpassende stola om haar schouders en verfrommelde zenuwachtig een klein kanten zakdoekje. Vervolgens ging zij, tien jaar jonger en een beetje angstig, in een huurkoetsje met mama op weg naar het theater. Zij knoopte een zwart hoofddoekje met roosjes om, net als de Oekraïense boerenvrouwen. In het theater waren alle ogen op tante Dozja gevestigd maar zij ging zo op in het stuk dat zij hier niets van merkte. Op een keer was tante Dozja midden onder het stuk opgesprongen en had in het Oekraïens tegen de verrader geschreeuwd: ‘Wat doe je daar, smeerlap? Je moest je ogen uit je hoofd schamen!’ Het publiek lachte zich halfdood. Het doek moest neergelaten worden. De hele volgende dag zat tante Dozja te huilen, zo schaamde ze zich; zij vroeg mijn vader om vergiffenis en wij wisten niet hoe we haar tot bedaren moesten brengen.’


Konstantin Paustovski (31 mei 1892 – 14 juli 1968)

Rond 1915

Doorgaan met het lezen van “Konstantin Paustovski, Saint-John Perse, Georg Herwegh, Ludwig Tieck”