Leo Pleysier, Frank Schätzing, Maeve Binchy, K. Satchidanandan, Thomas Moore

De Belgische schrijver Leo Pleysier werd geboren in Rijkevorsel op 28 mei 1945. Zie ook mijn blog van 28 mei 2007en ook mijn blog van 28 mei 2008 en ook mijn blog van 28 mei 2009en ook mijn blog van 28 mei 2010

 

 

Uit: Dieperik

 

“En terwijl hij zit te smullen, strooit hij er geregeld nog een paar lepels witte suiker over uit. (Bruine suiker is voor op mijn boterham met plattekaas. Of anders voor op een bord koude rijstebrij, vaders lievelingsdessert.)
‘Er zit al suiker in hoor!’
‘Wat?’
‘Dat er al suiker in zit!’
En dus nog een lepel witte suiker. En nog een.
En nog een.

(…)

 

Razend kwaad en helemaal over zijn toeren was nonkel Wies. En dat bleef hij toen nog geruime tijd ja. Al stak hij me op het einde, en anders dan gewoonlijk, bij het afdrogen en terug aankleden een handje toe.
‘Gaat het?’
Ik knikte en snikte van ja. Waarop hij met zijn eigen zakdoek mijn tranen bette en mijn neus en mond nog eens afdroogde.”



Leo Pleysier (Rijkevorsel, 28 mei 1945)

Doorgaan met het lezen van “Leo Pleysier, Frank Schätzing, Maeve Binchy, K. Satchidanandan, Thomas Moore”

Ian Fleming, Walker Percy, Patrick White, Sjoerd Leiker, Fritz Hochwälder

De Britse schrijver Ian Fleming werd geboren op 28 mei 1908 in Londen. Zie ook mijn blog van 28 mei 2007 en ook mijn blog van 28 mei 2009en ook mijn blog van 28 mei 2010

 

Uit:Diamonds Are Forever

 

„With its two fighting claws held forward like a wrestler’s arms the big pandinus scorpion emerged with a dry rustle from the finger-sized hole under the rock.

There was a small patch of hard, flat earth outside the hole and the scorpion stood in the centre of this on the tips of its four pairs of legs, its nerves and muscles braced for a quick retreat and its senses questing for the minute vibrations which would decide its next move.

The moonlight, glittering down through the great thorn bush, threw sapphire highlights off the hard, black polish of the six-inch body and glinted palely on the moist white sting which protruded from the last segment of the tail, now curved over parallel with the scorpion’s flat back. Slowly the sting slid home into its sheath and the nerves in the poison sac at its base relaxed. The scorpion had decided. Greed had won over fear.

Twelve inches away, at the bottom of a sharp slope of sand, the small beetle was concerned only with trudging on towards better pastures than he had found under the thorn bush, and the swift rush of the scorpion down the slope gave him no time to open his wings. The beetle’s legs waved in protest as the sharp claw snapped round his body, and then the sting lanced into him from over the scorpion’s head and immediately he was dead.

After it had killed the beetle the scorpion stood motionless for nearly five minutes. During this time it identified the nature of its prey and again tested the ground and the air for hostile vibrations. Reassured, its fighting claw withdrew from the half-severed beetle and its two small feeding pincers reached out and into the beetle’s flesh. Then for an hour, and with extreme fastidiousness, the scorpion ate its victim.“

 

Ian Fleming (28 mei 1908 – 12 augustus 1964)

 

Doorgaan met het lezen van “Ian Fleming, Walker Percy, Patrick White, Sjoerd Leiker, Fritz Hochwälder”

Henri-Pierre Roché, Maximilian Voloshin, Xin Qiji, J. D. Wyss, Maria Müller-Gögler, B. S. Ingemann, C. H. von Ayrenhoff

De Franse schrijver, journalist en verzamelaar Henri-Pierre Roché werd op 28 mei 1879 geboren te Parijs. Zie ook mijn blog van 28 mei 2009en ook mijn blog van 28 mei 2010

 

Uit: Victor

 

„Patricia – Cette chambre m’amuse. Ça manque de sièges ici. Foutons-nous sur votre lit comme divan, c’est-à-dire vous dedans et moi dessus. C’est sans danger puisque nous l’aimons tous les deux. Et parlons de lui.

Elle sauta sur son lit. Ils s’installèrent comme elle avait dit, à distance.

Pierre – Aimez-vous Victor ?

Patricia – Oui.

Pierre – D’amitié ou d’amour ?

Patricia – Des deux. D’amour surtout.

Pierre – D’amour chaste ?

Patricia – Hélas ! Moi d’amour en plein et sans espoir. Je ne sais quel nom donner à ça. Tout le monde l’aime. Il est à tous et à personne. Il a raison sans doute. J’ai tort de le vouloir pour moi. Mais je ne veux que lui. Victor pourrait choisir parmi des héritières. Pas question. Pourrait avoir un gros contrat pour ses tableaux. Pas question. Il les donne presque tous à ses amis. Il donne aussi des leçons de français, fameuses et drôles, à deux dollars l’heure. Il s’amuse tout le temps. Son sourire est aimable, mais c’est un dictateur. il fait que ce qu’il veut, au moment où il veut. Où qu’il arrive, il devient le centre, il est le chef. il a une fantaisie à jet continu. Il a sûrement des aventures, avec des femmes faites, pas avec des jeunes filles. Il est discret, on ne sait rien.”

 

Henri-Pierre Roché (28 mei 1879 – 9 april 1959)

Manuel Ortiz de Zarate, Henri-Pierre Roché [in uniform], Marie Vassilieff, Max Jacob and Picasso, Blvd. Montparnasse, Parijs, 12 Aug. 1916 – door Jean Cocteau

Doorgaan met het lezen van “Henri-Pierre Roché, Maximilian Voloshin, Xin Qiji, J. D. Wyss, Maria Müller-Gögler, B. S. Ingemann, C. H. von Ayrenhoff”

Adriaan Bontebal

 

De Nederlandse dichter en schrijver Adriaan Bontebal werd als Aad van Rijn op 28 mei 1952 in Leidschendamgeboren. Bontebal debuteerde officieel in 1988 met de verhalenbundel „Een goot met uitzicht“. Daarvoor had hij al „De vuilnisman komt in elke straat. Gedichten van de waanzin“ (1983), „Vijf voor vierentachtig. Verhalen“ (1984), „Alleen in bad, gedichten“ (1984) en „Hannah : een tragisch gedicht in een bedrijf of vijf“ (1986) uitgebracht. Na zijn debuut volgden de prozawerken „De ark“ (1990) en „Charmante jongen, sportief tiep“ (1995), de dichtbundel „Overleven met het oorsmeer in de ketting“ (1996), het prozawerk „Katten vlooien“ (2005) en „Adrenaline“ (2010). Gedichten van Adriaan Bontebal zijn te vinden in Komrij’s „Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten“ en in „25 Jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005 in 666 en een stuk of wat gedichten“.

 

 

Uit: De Ark

 

‘Het is Oosters toneel uit de tweede helft van de derde eeuw voor Christus, Indiaas, Pakistaans of Mongools, daar wil ik van af zijn. Gek hè? De culturele belangstelling van mensen gaat in golven, net als de economie. We beleven nu voor het eerst sinds Herman Hesse, Sidharta weet je wel, weer een opleving in de belangstelling voor alles dat ten oosten van de Bosporus komt.
Ik moet, terwijl ik de monoloog uitspreek, de Dans van de Zes Sluiers uitvoeren. Met de laatste zin moet de laatste sluier vallen.’
‘Het is toch de Dans van de Zéven sluiers?’
‘Oorspronkelijk wel. Maar dit is een ideetje van onze regisseur, een oude geile bok. Het is een variant voor vrouwen die niet zo zwaar geschapen zijn.’
‘Neem me niet kwalijk,’ flapte ik eruit. ‘Jij hebt niets te klagen, dacht ik zo. Jij hebt voldoende vlees onder de tepel om topveertig-zangeres te zijn.’
‘Hè hè. Dit is juist de grap. Die ene sluier minder maakt het volgens hem in de uitvoering van een vrouw met een figuur als ik een stuk sexy-er. De regisseur komt daar op klaar.’

 


Adriaan Bontebal (Leidschendam, 28 mei 1952)