Jeroen Brouwers, Alexander Osang, Luise Rinser, Ulla Hahn

De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook mijn blog van 30 april 2007 en ook mijn blog van 30 april 2008 en ook mijn blog van 30 april 2009 en ook mijn blog van 30 april 2010.

Uit: Bittere bloemen

 „Daar ligt hij, achterover in de linnen dekstoel.
Wij zijn aan boord van het cruiseschip Carta Mundi, in het begin van de middag zal het aanmeren in Ajaccio.
Met een schrikbeweging, waarbij zijn linkerarm van de stoelleuning valt, lijkt hij uit zijn dommel te ontwaken, maar hij slaapt verder, smakkend, dromend.
Zo ziet hij nu opeens zichzelf zoals hij er een jaar of vijfentwintig, dertig geleden uitzag met zijn toen al witte haar en met de volle snor die hij destijds nog had, de uiteinden in omhooggedraaide punten en niet meeverkleurd met de rest van zijn lichaamsbeharing, de snor, dankbaar object voor karikaturisten, was rossig gebleven, tegen het oranje aan, misschien door de tabaksrook die er al decennia doorheen trok.
Hij staat op een blauwachtig stoffig tapijt in een vertrek naar boven te kijken, zijn hoofd zo ver en zo lang achterover dat hij pijn in zijn nek begint te voelen. Het is het bizarste plafond dat hij ooit heeft gezien en waar hij, zijn mond wijd open, zijn ogen niet van af kan houden. Een gekrioel van gipsen lichaamsdelen, die uit de zoldering omlaag steken: – alsof een verdieping hoger een gezelschap verkluwd is geweest in een stoei- of vechtpartij op een vloer van gummi, waar ze met hun ledematen doorheen zijn gestoten en zo voorgoed verstard. Een plafond dat bestaat uit tevoorschijn komende vingertoppen, vingers, handen, armen, ellebogen, tenen, voeten, knieën, benen, gezichten, hoofden. Alles ooit vanillewit geschilderd, maar intussen vaalzwart geworden, hier en daar is de kalk gebarsten, sommige lichaamsdelen zijn beschadigd en niet hersteld, er hebben zich stofproppen en spinragflarden tussen gevormd, die daar kennelijk al eeuwen hangen. Een onderkomen kunstwerk, zoals alles in dit museum, een voormalig paleis, te beginnen met het gebouw zelf, een onderkomen indruk maakt, op dezelfde wijze verstoft, verwaarloosd, aan zijn lot overgelaten als het stadje waar hij enkele uren verblijft.

 

Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)

 

Doorgaan met het lezen van “Jeroen Brouwers, Alexander Osang, Luise Rinser, Ulla Hahn”

John Boyne, Annie Dillard, Barbara Seranella, Jaroslav Hašek, David Zane Mairowitz

De Ierse schrijver John Boyne werd geboren in Dublin op 30 april 1971. Zie ook mijn blog van 30 april 2007 en ook mijn blog van 30 april 2008 en ook mijn blog van 30 april 2009 en ook mijn blog van 30 april 2010.

 

Uit: Der Junge im gestreieften Pyjama (Vertaald door Brigitte Jakobeit)

 

„Eines Nachmittags kam Bruno von der Schule nach Hause und staunte nicht schlecht, als Maria, das Dienstmädchen der Familie, das den Kopf immer gesenkt hielt und nie vom Teppich aufblickte, in seinem Zimmer stand und seine Sachen aus dem Schrank in vier große Holzkisten packte, auch die ganz hinten versteckten, die nur ihm gehörten und keinen etwas angingen.

»Was machst du da?«, fragte er so höflich er konnte, denn es passte ihm zwar nicht, nach Hause zu kommen und jemanden in seinen Sachen herumwühlen zu sehen, aber Mutter hatte ihm stets gesagt, er müsse Maria respektvoll behandeln und dürfe nicht einfach Vater nachahmen und so mit ihr reden wie er. »Lass die Finger von meinen Sachen.«

Maria schüttelte den Kopf und zeigte über ihn hinweg zum Treppenaufgang, wo Brunos Mutter soeben erschienen war. Sie war eine große Frau mit langen roten Haaren, die sie hinten am Kopf in einem Netz bündelte und sich jetzt nervös die Hände rieb, als läge ihr etwas auf dem Herzen, das sie nur ungern sagte und am liebsten nicht glauben wollte.

»Mutter«, sagte Bruno und ging auf sie zu.

»Was ist los? Was sucht Maria in meinen Sachen?«

»Maria packt sie«, erklärte ihm Mutter.

»Packt sie?«, fragte er und überdachte rasch die Ereignisse der letzten Tage, um herauszufinden, ob er vielleicht sehr unartig gewesen war oder Wörter laut gesagt hatte, die er nicht benutzen durfte, und deswegen jetzt fortgeschickt wurde. Aber ihm fiel nichts ein. Im Gegenteil, in den letzten paar Tagen hatte er sich allen gegenüber sehr freundlich verhalten, und er konnte sich nicht entsinnen, irgendwann Unruhe gestiftet zu haben. »Warum?«, fragte er. »Was habe ich getan?«

Mutter war mittlerweile ins Elternschlafzimmer gegangen, aber dort war Lars, der Diener,ebenfalls am Packen.“

 

 

John Boyne (Dublin, 30 april 1971)

Doorgaan met het lezen van “John Boyne, Annie Dillard, Barbara Seranella, Jaroslav Hašek, David Zane Mairowitz”

Konstantínos Petros Kaváfis, Bernhard Setzwein, Walter Kempowski

De Griekse dichter Konstantínos Petros Kaváfis werd geboren te Alexandrië (Egypte) op 29 april 1863. Zie ook mijn blog van 29 april 2007 en mijn blog van 3 mei 2006. en ook mijn blog van 29 april 2008 en ook mijn blog van 29 april 2009 en ook mijn blog van 29 april 2010.

 

Antonius door zijn god verlaten

 

Wanneer, om middernacht, je plotseling
een onzichtbare stoet voorbij hoort trekken
met stemmen en betoverende muziek –
treur dan niet nutteloos om je fortuin
die van je wijkt, je werken die mislukten,
je plannen voor het leven die allemaal illusies bleken.
Je moet, als was je lang voorbereid en moedig,
vaarwel zeggen aan het Alexandrië dat jou verlaat.
Bedrieg vooral jezelf niet, zeg niet dat
het een droom was, dat je gehoor je misleidde:
laat zo’n vergeefse hoop niet tot je toe.
Je moet, als was je lang voorbereid en moedig,
zoals jou, die zo’n stad vergund was, past,
beheerst naar het venster toegaan
en luisteren, met ontroering, niet met
lafhartig klagen en jammeren, in een laatst genieten,
naar de klank der betoverende instrumenten
van de geheime stoet die voorbijtrekt,
en vaarwel zeggen aan het Alexandrië dat je verliest.

 

 

 

HUNC DEORUM TEMPLA

 

Oude blinde vrouw, was jij in t geheim heiden?

Of was je christen? Je woord

dat waar is gebleken dat hij die luid

toegejuicht aankwam in Vienne, de roemvolle

Caesar Julianos, was voorbestemd

de heiligdommen van de (valse) goden te dienen

je woord dat waar is gebleken, sprak jij,

oude blinde vrouw, het met verdriet

zoals ik het wil zien of, verdorvene!, met vreugde?

 

 

 

Vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf

 

 

 

At The Cafe Door

 

Something they said beside me
made me look toward the cafe door,
and I saw that lovely body which seemed
as though Eros in his mastery had fashioned it,
joyfully shaping its well-formed limbs,
moulding its tall build,
shaping its face tenderly,
and leaving, with a touch of the fingers,
a particular impression on the brow, the eyes, the lips.

 

 

 

Vertaald door George Barbanis

 


K. P. Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1923)

Doorgaan met het lezen van “Konstantínos Petros Kaváfis, Bernhard Setzwein, Walter Kempowski”

Bjarne Reuter, Alejandra Pizarnik, Humphrey Carpenter, Kurt Pinthus

De Deense schrijver Bjarne Reuter werd geboren op 29 april 1950 in Brønshøj. Zie ook mijn blog van 29 april 2008en ook mijn blog van 29 april 2009en ook mijn blog van 29 april 2010.

 

Uit: Der Lügner von Umbrien (Vertaald door Knut Krüger)

 

“Der Sargdeckel glitt zu Seite. Giuseppe trocknete sich die Oberlippe. Am Geruch erkannte er, dass es sich um keine frische Leiche handelte. Das Fleisch war aufgezehrt, sodass sich die Würmer längst anderer Nahrung zugewandt hatten. Allerdings hatten die Hinterbliebenen den Sarg mit duftenden Blumen und getrockneten Kräutern versehen. Ein vielversprechendes Zeichen, welches das Entfernen der Leichenkleider zu einem umso größeren Vergnügen
machen würde.
Es handelte sich um eine Frau mittleren Alters. Klein von Gestalt mit einem wohlgeformten bräunlichen Schädel, der neben den typischen Zeichen der Syphilis eine Deformierung des Stirnbeins sowie Spuren einer gewaltigen Zahnfleischentzündung aufwies, die vermutlich auf eine falsche Quecksilberbehandlung zurückzuführen war. Giuseppe sagte sich, dass sie zu Lebzeiten schön gewesen sein musste. Obwohl nur noch die Knochen übrig waren, strahlte sie immer noch einen Rest Weiblichkeit aus.
“Das ist die einzige Frau, die du noch entkleiden darfst, alter Bock.”
“Ein bisschen mehr Achtung vor den Toten, wenn ich bitten darf.”
“Ach, jetzt kehrt er den Moralapostel heraus. Was hat der Teufel im Kloster zu suchen?”
“Jede Arbeit hat ihre eigene Ethik. Das solltest du wissen, Rinaldo.”
“Das sagt er, der die Totenruhe stört.”
“Wenn die Diebe Moral predigen, lauscht selbst der taube Bettler.”
“Vorlaut und eingebildet. Du hast die Lüge schon mit der Muttermilch aufgesogen.”
“Lass meine Mutter aus dem Spiel.”

 

 
Bjarne Reuter (Brønshøj, 29 april 1950)

 

Doorgaan met het lezen van “Bjarne Reuter, Alejandra Pizarnik, Humphrey Carpenter, Kurt Pinthus”

Roberto Bolaño, Harper Lee, Karl Kraus, Nezahualcóyotl, Auguste Barbier

De Chileense schrijver Roberto Bolaño werd geboren op 28 april 1953 in Santiago de Chile. Zie ook mijn blog van 28 april 2009 en ook mijn blog van 28 april 2010.

 

Uit: 2666 (Vertaald door Christina Hansen)

 

Die Tote lag auf einer kleinen Brache in der Siedlung Las Flores. Sie trug ein weißes, langärmliges Hemd und einen gelben, knielangen Rock höherer Konfektionsgröße. Spielende Kinder hatten sie gefunden und ihre Eltern benachrichtigt. Eine der Mütter verständigte die Polizei, die eine halbe Stunde später eintraf. Die Brache grenzte an die Straßen Peláez und Hermanos Chacón und reichte bis zu einem Abwassergraben, hinter dem sich die Mauern einer verlassenen und schon verfallenen Molkerei erhoben. Die Straße war menschenleer, weshalb die Polizisten zuerst dachten, jemand habe sich einen Scherz erlaubt. Dennoch parkten sie ihren Streifenwagen in der Calle Peláez, und einer der Beamten sah sich auf der Brachfläche um. Nach kurzer Zeit entdeckte er zwei Frauen, die mit verhüllten Köpfen betend zwischen den Sträuchern knieten. Von weitem sahen sie aus wie alte Frauen, aber das täuschte. Vor ihnen lag die Leiche. Ohne sie zu stören, machte der Polizist auf demselben Weg kehrt und winkte seinen Kollegen heran, der rauchend im Wagen auf ihn wartete. Dann gingen beide (der aus dem Auto mit gezückter Pistole) wieder zurück zu den Frauen, blieben neben ihnen stehen und betrachteten die Leiche. Der mit der gezückten Pistole fragte, ob sie die Tote kennen würden. Nein, Señor, sagte die eine. Wir haben sie noch nie gesehen. Die ist nicht von hier.
Das geschah 1993. Januar 1993. Seit diesem Vorfall begann man, die Frauenmorde zu zählen. Vermutlich hatte es schon vorher Morde gegeben. Die erste Tote hieß Esperanza Gómez Saldaña und war dreizehn Jahre alt. Vermutlich war sie nicht die Erste. Vielleicht aus Bequemlichkeit, weil sie das erste Mordopfer des Jahres 1993 war, führt sie die Liste an.“

 

 

Roberto Bolaño (28 april 1953 – 15 juli 2003)

Doorgaan met het lezen van “Roberto Bolaño, Harper Lee, Karl Kraus, Nezahualcóyotl, Auguste Barbier”

Ğabdulla Tuqay, Charles Cotton, Bruno Apitz, Aart G. Broek

De Tataarse dichter Ğabdulla Tuqay werd geboren op 28 april 1886 in Qoşlawıç in Kazan, Rusland (tegenwoordig Tatarstan). Zie ook mijn blog van 28 april 2007 en ook mijn blog van 28 april 2008 en ook mijn blog van 28 april 2009 en ook mijn blog van 28 april 2010.

 

God the Great

 

Oh worthy, oh precious, oh young child without sin!

HIS compassion is very deep, rely always on God!

Oh God! Show me in this world a bright path;

HE is merciful, has more compassion than your father or mother!

Your soul is still pure; no impure thought has entered it,

Your pure tongue has never used unfitting words.

Both your soul and your body are clean, all your body is clean!

You are the crumb of an angel; your face is pure white!

Pray, free of all ties kneel towards Kibla[8],

Know that from a pure soul there is a straight path to the Throne of God!

Oh worthy, oh precious, oh young child without sin!

HIS compassion is very deep, rely always on God!

 

 

 

The Twentieth Century

 

This has been the century of science and capability,
This has been the century of ascending humanity,
But the events demonstrate that, indeed,
This has been the century of evil and depravity.

 

 

Ğabdulla Tuqay (28 april 1886 – 15 april 1913)

Mozaïek in het metrostation van Kazan

 

Doorgaan met het lezen van “Ğabdulla Tuqay, Charles Cotton, Bruno Apitz, Aart G. Broek”

Astrid Roemer, Hovhannes Shiraz, August Becker, Jules Lemaître, Mary Wollstonecraft, Hans Bemmann

De Surinaamse dichteres en schrijfster Astrid Roemer werd in Paramaribo geboren op 27 april 1947. Zie ook mijn blog van 27 april 2007 en ook mijn blog van 27 april 2008 en ook mijn blog van 27 april 2009en ook mijn blog van 27 april 2010.

 

Mei-mijmering

 

Vaak was het een vogel
en soms een citroen
ook hele seizoenen van sneeuw tot
viooltjes in het groen. Ze zei vastberaden:
zo ontruim ik mijn tuin. En stukje bij stukje
verdween al haar puin.

 

Ook ik ben aanwezig in verzamelde
momenten. Ik lijk op de wereld van de oude
dame en haar prenten. Een engel. Een mens. Een beest.
Een bloem. Net als het heelal stroom
ik langs: ssst-pats-boem!
Precies als haar vergezichten bekoor ik het oog:
een geordende inval van blauw, groen en rood
van wit en van geel van licht en van donker
van vuur en van as
van zout en van zuur van goud
en van zilver van platina, lood:
zolang jij mij aankijkt ben ik nog niet dood…

 

Scheurend en plakkend duidt M. ons bestaan – hoewel
haar vingers verstijven – loepzuiver aan.

 

 

 

Septemberbries

 

Hier heeft ze geleefd.
Hier is ze gestorven.
Achter het hek is het allemaal gebeurd.
Nu wonen er mensen die mij niet kennen.
Geblinddoekt kan ik door hun kamers rennen.
De rozen. Kijk rozen: ik herken nog haar geur!

 

Een moeder blijft altijd. Dat wil je als kind. Want vader
die gaat en die komt als een vrind. Moeder is ziek
terwijl narcissen bloeien. Terwijl in de tuin paps
het gras loopt te snoeien. Kijk, daar lag een speel
veld. En daar stond mijn strandwagen. Beschilderd
met bloemen door mams mooie handen.

 

En hoe was het afscheid had ik van jou willen weten.
En of je haar ook een slotbrief hebt geschreven.

 

 

Astrid Roemer (Paramaribo, 27 april 1947)

 

Doorgaan met het lezen van “Astrid Roemer, Hovhannes Shiraz, August Becker, Jules Lemaître, Mary Wollstonecraft, Hans Bemmann”