Louis Paul Boon, Ben Okri, David Albahari, Gerhard Seyfried, Kurt Drawert, Andreas Okopenko

De Vlaamse dichter, schrijver en kunstschilder Louis Paul Boon werd geboren in Aalst op 15 maart 1912. Zie ook mijn blog van 15 maart 2007 en ook mijn blog van 15 maart 2008 en ook mijn blog van 15 maart 2009en ook mijn blog van 15 maart 2010.

 

Uit: Mieke Maaike’s obscene jeugd

 

„Wel, stilaan liep het dan naar me twaalfde jaar toe, en dacht ik terug aan de drie mannen bij de plas in het bos, en hoe echt leuk ik het zou gevonden hebben als ze nú me kutje begonnen te likken. Ook ik zou er nu tenminste wat aan gehad hebben, of aan verloren hebben, om de waarheid te zeggen.

Ik dacht ook terug aan de vader van Leentje, die wij Muisje noemden. Misschien zou die iets voor zo iets gevoeld hebben. En toen op een zondagochtend een historische stoet zou uitgaan en aan hun straatdeur langskomen, wou ik er aanbellen. Ik had me lichtste en kortste kleedje van vorig jaar aangetrokken, iets dat me groei niet meer had kunnen bijhouden, en nog met moeite tot onder me kont reikte. Vort! dacht ik, en ik speelde me broekje ook nog uit, dat ik reeds aangetrokken had. Maar op straat liep ik toch wat rechtop en hield me hand tegen de zoom, want dáár zomaar met je kontje blootlopen geeft geen pas.

Muisje was thuis en d’r paps ook, en ze stelden voor dat we vanuit het bovenraam naar buiten naar de historische stoet zouden kijken. We lagen gebogen over de vensterbank van het open raam, Muisje en ik. D’r paps was op voldoende afstand gevolgd, want blijkbaar wou hij me te korte kleedje even lekker op snee nemen. En ja, in plaats van naast ons aan het raam te leunen, zette hij zich nog wat neer op een netgepast voetbankje, om zoveel mogelijk te kunnen opvangen van het weinige dat onder de opstekende rand van me kleedje verborgen bleef.

Misschien dacht hij wel me witte broekje of zo te zien, dat misschien iets te klein kon zijn en misschien in de split iets van me kutje kon tonen. Maar tot zijn hemelse genade – zoals hij zich later uitdrukte – ontdekte hij daar niets van een broekje en net alles van de rest. Hij wou er rustig het zijne van meedragen, dat merkte ik wel, want hij verliet het voetbankje en zette zich gewoon op de hurken neer, met de neus onder me kleedje.

Nou, we schoten lekker op, vond ik. Ik boog me nog wat dieper uit het raam naar buiten en zette de benen wat open om meer steun en zo te krijgen. Zo kon hij niet alleen me kont maar ook nog, als hij wou, me kutje zien dat als een gebarsten perziek met dons bezet was geraakt. Z’n fluit moet erbij opgesprongen zijn van vreugde, met zaad dat hij van pure opwinding zomaar meteen had kunnen verliezen.“

 

 

Louis Paul Boon (15 maart 1912 – 10 mei 1979)

Portret door Maurice Roggeman

 

 

Doorgaan met het lezen van “Louis Paul Boon, Ben Okri, David Albahari, Gerhard Seyfried, Kurt Drawert, Andreas Okopenko”

An Rutgers van der Loeff, Lionel Johnson, Paul Heyse, Franz Schuh, Ángelos Sikeliános, Wolfgang Müller von Königswinter

De Nederlandse schrijfster An Rutgers van der Loeff werd geboren in Amsterdam op 15 maart 1910. Zie ook mijn blog van 15 maart 2007 en ook mijn blog van 15 maart 2009 en ook mijn blog van 15 maart 2010.

 

Uit: Rossy, dat krantenkind

 

En daarmee doelde hij op heel dat rumoerige en kleurige gedoe daar onder hen, al die rode, witte, gele, groene, gestreepte en effen tentdaken en -daakjes, al dat lawaai van luidsprekers en muziek en duizenden roezende en schreeuwende stemmen, al die geuren, al dat gedrang, al dat plezier en al dat verlangen van de mensen om dingen te doen, te zien en te horen die anders zijn dan wat ze op alle andere dagen van het jaar doen, zien en horen.

‘Wat een kabaal, hè?’ zei het meisje.

‘Hierboven lijkt het net gonzen,’ zei de man.

Ze luisterden allebei.

‘Zou er iets aan het wiel kapot zijn?’

‘Nee, waarom?’

‘Het duurt zo lang.’

De man antwoordde niet. Hij was erg stil voor zijn doen, maar dat zou wel niet lang duren. Hij tuurde naar een groen dak van een van de vele witte gebouwen, die op het ernstiger deel van het geweldige tentoonstellingsterrein lagen. ‘Hoe zou zij het nu maken, denk je?’ vroeg hij. ‘Onze Eleonora Roswita Alberta?’

Het meisje keek verdrietig dezelfde kant op. Zij léék alleen maar een meisje. Zij was de vrouw van Ricky Carlotto, en Ricky Carlotto was de man naast haar in het bakje. Maar zij was een heel jonge vrouw en niemand zou gedacht hebben dat die twee daar al lang getrouwd konden zijn en zelfs een kind hadden.

‘Ik weet het niet,’ zei ze langzaam. En het scheelde niet veel of er kwamen weer tranen in haar ogen.

Ze hadden Eleonora Roswita Alberta zo héél alleen en zo verschrikkelijk erg klein moeten achterlaten in het grote, witte tentoonstellingsgebouw, waar de medische apparaten werden vertoond. Operatietafels, straal-apparaten, tandartsstoelen en kasten vol dingen waar een gewoon mens niets van begrijpt. En in dat ene kleine witte kamertje de allernieuwste electrische stoofwieg of couveuse, voor te vroeg of te klein geboren kindertjes. Met de kleine, véél te kleine E.R.A. er in.

‘Ze wordt verzorgd als een millionnairsdochter,’ zei Ricky.

‘Ze moesten eens weten dat haar vader van ’s ochtends tot ’s avonds een rammelende vrachtauto rijdt.’

 

 

An Rutgers van der Loeff (15 maart 1910 – 19 augustus 1990)

 

 

Doorgaan met het lezen van “An Rutgers van der Loeff, Lionel Johnson, Paul Heyse, Franz Schuh, Ángelos Sikeliános, Wolfgang Müller von Königswinter”