Osip Mandelstam, Mihai Eminescu, Johannes Beilharz, Molière, Franz Grillparzer

De Russische dichter Osip Mandelstam werd geboren op 15 januari 1891 in Warschau. Zie ook mijn blog van 15 januari 2007 en ook mijn blog van 15 januari 2008 en ook mijn blog van 15 januari 2009 en ook mijn blog van 15 januari 2010.

Zärtlicher als zärtlich 

Zärtlicher als zärtlich
Ist dein Gesicht,
Weißer als Weißes
Ist deine Hand,
Stets bliebst du fern
Der Welt, der gesamten,
Allem, was dein ist,
Niemand entkam.

All deiner Trauer
Niemand entkam,
Auch den nie erkaltenden
Fingern der Hand,
Auch dem nie verzagenden
Ruhigen Klang
Im Fernen
Der Reden
Und Augensterne.

 

Vertaald door Erich Boerner

 

A flame is in my blood

A flame is in my blood
burning dry life, to the bone.
I do not sing of stone,
now, I sing of wood.

It is light and coarse:
made of a single spar,
the oak’s deep heart,
and the fisherman’s oar.

Drive them deep, the piles:
hammer them in tight,
around wooden Paradise,
where everything is light.

 

Vertaald door A. S. Kline

 

Osip Mandelstam (15 januari 1891 – 27 december 1938)

 

Doorgaan met het lezen van “Osip Mandelstam, Mihai Eminescu, Johannes Beilharz, Molière, Franz Grillparzer”

Franz Fühmann, Martha Saalfeld, Xu Zhimo, Willem de Clercq, Louis Guilloux

De Duitse dichter en schrijver Franz Fühmann werd geboren op 15 januari 1922 in Rochlitz (in het huidige Tsjechië). Zie ook mijn blog van 15 januari 2009 en ook mijn blog van 15 januari 2010. 

 

Uit: Das Nibelungenlied

 

„Viel Staunenswertes ist in den alten Geschichten auf uns gekommen: Kunde von hochberühmten Helden und ihren Taten und ihrer Not, von Festesfreuden und Jammergeschrei und den Kämpfen der Kühnen, und wer mag, kann nun von all dem hören, es werden aber wundersame Dinge darunter sein.

Es wuchs damals in Burgund ein Mädchen heran, das war so auserlesen, dass man rings in den Landen kein schöneres an Wohlgestalt finden konnte, aber auch kein schöneres an Tugend und Edelsinn. Viele Ritter begehrten sie zur Frau, und alle Mädchen beneideten sie. Sie hieß Kriemhild, und drei edle und reiche Könige beschützten sie: Gunther, Gernot und der junge Giselher, das waren

ihre Brüder. Es waren dies freigebige Herren aus hohem Geschlecht, unmäßig in ihrer Kraft und prächtige Haudegen, und sie herrschten gemeinsam über ihr Land. Ihre Mutter hieß Ute, ihr Vater hieß Dankrat, ihr Hof war zu Worms am Rhein, und ihr Gefolge waren die erprobtesten Streiter: Hagen von Tronje, sein Bruder Dankwart, dann Ortwin von Metz, die hochberühmten Markgrafen Gero und Eckewart, die vordem an der Elbe gegen die Heiden gefochten hatten, der Spielmann Volker von Alzay, der Küchenmeister Rumold, der Schenk Sindold und der Kämmerer Hunold und viele andere, deren Namen heut keiner mehr kennt, doch wenn man alle ihre Taten besingen wollte, würde ein Menschenleben dazu nicht ausreichen.

Eines Nachts träumte Kriemhild, sie zähme einen wilden und schönen Falken, da kämen mit einem Mal zwei Adler dahergeflogen und zerfleischten den schönen Falken, und sie hätte nie etwas Grässlicheres gesehen.“

 

 

Franz Fühmann (15 januari 1922 – 8 juli 1984)

 

Doorgaan met het lezen van “Franz Fühmann, Martha Saalfeld, Xu Zhimo, Willem de Clercq, Louis Guilloux”

Walter Serner, Alexander Moszkowski, Aleksandr Gribojedov, Sidonia Zäunemann, Peter Christen Asbjør

De Duitse schrijver Walter Serner werd op 15 januari 1886 in de Tsjechische plaats Karlsbad (Bohemen) geboren. Zie ook mijn blog van 15 januari 2009 en ook mijn blog van 15 januari 2010.

 

Uit: Letzte Lockerung

 

„Wird er aber erreicht, so wird dieses Brevier das erste Abenteuer gewesen sein und fortan von einem zum andern führen, von Stadt zu Stadt, von Land zu Land.
Jene, die längst solchen Weges dahinziehen, mögen gleichwohl diese Lektüre nicht verachten noch die vorgeschriebene Vorbereitung: ein kraftvolles Zusammenströmen alles dessen, was des Körpers und des Hirnes ist, wird die Lust zu neuen Taten stärken.
– (Hier sei erwähnt, daß, um kräftige Trinker nicht zu irritieren, das Maß der Getränke nicht vorgeschrieben wurde; daß es aber ratsam ist, von jedem Wein nur eine halbe Flasche zu bestellen und von jeder Flasche dem Kellner ein Glas zu überlassen.)
1. Motto: Jeder sein eigener Papst!
2. Motto: Non, je ne marche pas. Non, je ne marche plus. Mais j’irai peutêtre à Canada. Chi lo sà?
3. Motto: “Ihr Name tut nichts zur Sache. Aber wie heißt du, Heißgeliebte?”
4. Motto: (Die Kunst-Kuhe ging so lange zum Brunnen, bis ich ihr hinter die Ohren brach.)
5. Motto: Que les chiens sont heureux! Ils se ……. .. ….., ils s’ …….. entre eux: que les chiens sont heureux! (Ami, ami!)
6. Motto: Zwei Sparren zwischen den Beinen, eine Pfauenfeder am Mast, so geht er, es ist zum Weinen, und mit gelinder Hast. Wer? Das Pack.
7. Motto: Grips muß man haben, stark muß man sein!“

 

 

Walter Serner (15 januari 1886 – augustus 1942)

 

 

Doorgaan met het lezen van “Walter Serner, Alexander Moszkowski, Aleksandr Gribojedov, Sidonia Zäunemann, Peter Christen Asbjør”

F. Springer

De Nederlandse schrijver en diplomaat F. Springer (eig. Carel Jan Schneider werd geboren in Batavia op 15 januari 1932. Tijdens de Japanse bezetting bracht hij een deel van de tijd door in een interneringskamp. Na de oorlog kwam het gezin naar Nederland, na een lange omweg via Ceylon, Singapore en Thailand. Schneider ging naar het gymnasium in Rotterdam en naar het Christelijk Gymnasium Sorghvliet in Den Haag, en studeerde rechten aan de Universiteit Leiden. Van 1958 tot 1961 was hij bestuursambtenaar in Nederlands Nieuw-Guinea, het tegenwoordige Papoea.Na zijn periode in Nieuw-Guinea was Schneider diplomaat op Nederlandse ambassades in onder meer New York, Brussel, Dhaka, Teheran en Straatsburg. Ook werkte hij in Angola. Eind jaren tachtig was hij ambassadeur in de DDR. In 1989 ging hij met pensioen. Springer debuteerde in 1958 met het verhaal “Een eskimo op het dak” dat voor het eerst in boekvorm verscheen in 2002 in „Allemaal gelogen. De herinnering als mooi verhaal“, waarin niet eerder gepubliceerd of in boekvorm verschenen werk van F. Springer gebundeld is. Zijn gedichten en verhalen uit de jaren vijftig werden onder zijn eigen naam gepubliceerd. Vanaf Bericht uit Hollandia (1962) gebruikte Schneider het pseudoniem F. Springer. Hij ontving voor Bougainville in 1982 de Ferdinand Bordewijk Prijs en kreeg in 1995 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.

Uit: Quissama

“In de wereld heb ik alles verkocht aan iedereen. Spiegels en kralen, buitenboordmotoren, limonade, tabak, petroleum, koffie, dekens aan Maleiers en Chinezen, makreel in blik aan Papoea’s in Nieuw-Guinea, rijbewijzen aan doven en blinden in Madras, melk, melk, zeeën melk op drie continenten je gelooft me toch Charlie?” “Natuurlijk, big white trader! Dat ben ik ook. Als je wilt noem ik op wat ik allemaal …” Hij stak afwerend zijn hand omhoog, kwam het prieel binnen en ging zitten.”

(…)

„Een kleine stem in ons oor, ik wist dat het bij hem en bij mij dezelfde stem was: is dit nu alles? In een donker gat in Afrika snakken naar nieuwe adem? We staarden elkaar aan, ik zag radeloosheid in zijn ogen, hij moest zoiets in de mijne zien. Verdomd, als niet één van de miljarden Afrikaanse ratten zich meer vertoonde, moest het schip nu zinken en redding was onmogelijk in deze stinkende, rotte… hij had mij de ogen geopend, King Velderman!”

(…)

“Voorzichtig schoof ik Pauline weer achter glas en zette haar voor mij op Kings tafel. Ik voelde hoe João in de deur mijn handelingen observeerde. Ik zei dat hij naar bed kon gaan. Hij wenste mij goedenacht. Het nieuwe, blanke blad van mijn orderboek zag er bijna verleidelijk uit. Morgen, de dag van beslissingen, was nog ver weg. Ik schreef. Steeds sneller schreef ik, want alles moest worden vastgelegd voordat er iemand binnenkwam om te beweren dat Pauline, King Velderman en ik zelf nooit hadden bestaan.”


F. Springer (Batavia, 15 januari 1932)