Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Jens Johler, E. L. Doctorow, Carl Sandburg

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook mijn blog van 6 januari 2007 en ook mijn blog van 6 januari 2008 en ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

Uit: Spiegels van de ziel 

 

Als je staat aan het begin van je kennen,

sta je aan het begin van je voelen.

Wie alleen kan zien wat het licht onthult

en alleen kan horen wat het geluid verkondigt,

ziet en hoort eigenlijk niets.

 

De werkelijkheid van iemand anders

is niet gelegen in het feit wat hij je onthult

maar in wat hij je niet kan onthullen.

Als je hem dus wilt begrijpen

luister dan niet naar wat hij zegt,

maar veel meer naar wat hij niet zegt.

 

Jij en ik blijven vreemden voor het leven,

voor elkaar en voor onszelf,

tot de dag waarop jij spreekt en ik luister

omdat ik meen dat jouw stem mijn eigen stem is

en ik, wanneer ik voor je sta,

meen dat ik mezelf zie staan voor een spiegel.

 

 

 

Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)

 

 

Doorgaan met het lezen van “Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Jens Johler, E. L. Doctorow, Carl Sandburg”

Joachim Specht, Astrid Gehlhoff-Claes, Günter Görlich, Anja Meulenbelt, Ivan Olbracht, Idris Davies

De Duitse schrijver Joachim Specht werd geboren op 6 januari 1931 in Weinböhla/Kreis Meißen. Zie ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010. 

 

Uit: Das Engelchen über mir

 

„Wenn ich mein Leben Revue passieren lasse, dann muss ich feststellen: Es hat gewiss Erlebnisse gegeben, die alles andere als erheiternd klingen. Wie leicht hätte da mal was schief ausgehen können. 1987 hat mich Heinz Szillat, der Dessauer Maler, gemalt: mit verschränkten Armen, vollem Haar, den Blick in die Ferne gerichtet, in einem knallroten Hemd mit Armen, die einem Bodybuilder zur Ehre gereicht hätten. Ich ein kraftstrotzender, wagemutiger Kerl? Also – nicht die Hälfte stimmt. Im Bitterfelder Chemiekombinat, wo ich als Autor viele Lesungen absolvierte, habe ich mir mein Asthma zugezogen, nach drei Treppen greife ich heute zum Pumpspray. Natürlich versuche ich die Luftknappheit zu überspielen. Aber das klappt längst nicht immer.
Es war einfach Leichtsinn, auch Neugierde, die mich manchmal haben handeln lassen. Und vermutlich habe ich es einem Engelchen zu danken, meinem Engelchen, das mich vor dem Schlimmsten bewahrte.
Blättern wir mal zurück: Mittwoch, 13. Februar 1945, 22.00 Uhr in Dresden. Der Rotkreuzmelder Specht begibt sich nach erfolgtem Voralarm von seinem Internat zur Einsatzstelle. Er hat es nicht eilig, in dieser Gegend ist noch nie viel passiert. Minuten später rennt er um sein Leben.
Mit verbrannten Schuhsohlen, stinkender HJ-Kluft und einer üblen Rauchgasvergiftung landet er in einem Behelfslazarett. Später – in „Stippvisite“ – habe ich darüber geschrieben.

Am nächsten Tag fuhr ich nach Mickten, dort endete die Straßenbahn, man ging zu Fuß weiter. Die meisten Leute suchten jemanden, ich auch. Mein Weg führte durch die Steinwüste vom Neumarkt, ich balancierte über das Gerippe der Augustusbrücke und stieß hinter dem Postplatz auf die ersten Leichenberge. Die Mariannenstraße war nur ausgebrannt, der Dippoldiswalder Platz glich einer Spuklandschaft, dahinter war die Welt vermauert.“

 


Joachim Specht (Weinböhla, 6 januari 1931)

 

Doorgaan met het lezen van “Joachim Specht, Astrid Gehlhoff-Claes, Günter Görlich, Anja Meulenbelt, Ivan Olbracht, Idris Davies”

Journey Of The Magi (T. S. Eliot)

Bij het feest van Driekoningen

 

 

burne-jones<
Star of Bethlehem, David Burne-Jones, 1890

 

Journey Of The Magi

‘A cold coming we had of it,
Just the worst time of the year
For a journey, and such a journey:
The ways deep and the weather sharp,
The very dead of winter.’
And the camels galled, sore-footed,
refractory,
Lying down in the melting snow.
There were times we regretted
The summer palaces on slopes, the
terraces,
And the silken girls bringing sherbet.

Then the camel men cursing and
grumbling
And running away, and wanting their
liquor and women,
And the night-fires going out, and the
lack of shelters,
And the cities hostile and the towns
unfriendly
And the villages dirty and charging high
prices:
A hard time we had of it.
At the end we preferred to travel all
night,
Sleeping in snatches,
With the voices singing in our ears,
saying
That this was all folly.

Then at dawn we came down to a
temperate valley,
Wet, below the snow line, smelling of
vegetation;
With a running stream and a water-mill
beating the darkness,
And three trees on the low sky,
And an old white horse galloped in
away in the meadow.
Then we came to a tavern with
vine-leaves over the lintel,
Six hands at an open door dicing for
pieces of silver,
And feet kicking the empty wine-skins.
But there was no imformation, and so
we continued
And arrived at evening, not a moment
too soon
Finding the place; it was (you may say)
satisfactory.

All this was a long time ago, I
remember,
And I would do it again, but set down
This set down
This: were we led all that way for
Birth or Death? There was a Birth,
certainly,
We had evidence and no doubt. I had
seen birth and death,
But had thought they were different;
this Birth was
Hard and bitter agony for us, like
Death, our death.
We returned to our places, these
Kingdoms,
But no longer at ease here, in the old
dispensation,
With an alien people clutching their
gods.
I should be glad of another death.

 

 

T. S. Eliot (26 september 1888 – 4 januari 1965)

 Portret door Wyndham Lewis, 1938

 

 

Zie voor de schrijvers van de 6e januari ook mijn volgende blog van vandaag.