Rainer Maria Rilke , Geert Mak, Nikoloz Baratashvili, Emil Aarestrup

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook mijn blog van 4 december 2006 en ook mijn blog van 4 december 2007 en ook ook mijn blog van 4 december 2008 en ook mijn blog van 4 december 2009.

Klage um Antinous

Keiner begriff mir von euch den bithynischen Knaben
(daß ihr den Strom anfaßtet und von ihm hübt…).
Ich verwohnte ihn zwar. Und dennoch wir haben
ihn nur mit Schwere erfüllt und für immer getrübt.

Wer vermag denn zu lieben ? Wer kann es ? – Noch keiner.
Und so hab ich unendliches Weh getan -.
Nun ist er am Nil der stillenden Götter einer,
und ich weiß kaum welcher und kann ihm nicht nahn.

Und ihr warfet ihn noch, Wahnsinnige, bis in die Sterne,
damit ich euch rufe und dränge: meint ihr den?
Was ist er nicht einfach ein Toter. Er wäre es gerne.
Und vielleicht wäre ihm nichts geschehn.

 

Klage um Jonathan

Ach sind auch Könige nicht von Bestand
und dürfen hingehn wie gemeine Dinge,
obwohl ihr Druck wie der der Siegelringe
sich widerbildet in das weiche Land.

Wie aber konntest du, so angefangen
mit deines Herzens Initial,
aufhören plötzlich: Wärme meiner Wangen.
O daß dich einer noch einmal
erzeugte, wenn sein Samen in ihm glänzt.

Irgend ein Fremder sollte dich zerstören,
und der dir innig war, ist nichts dabei
und muß sich halten und die Botschaft hören;
wie wunde Tiere auf den Lagern löhren,
möcht ich mich legen mit Geschrei:

denn da und da, an meinen scheusten Orten,
bist du mir ausgerissen wie das Haar,
das in den Achselhöhlen wachst und dorten,
wo ich ein Spiel für Frauen war,

bevor du meine dort verfitzten Sinne
aufsträhntest wie man einen Knaul entflicht;
da sah ich auf und wurde deiner inne: –
Jetzt aber gehst du mir aus dem Gesicht.

 

Uit: Die Sonette an Orpheus, Erster Teil 

Sonett I

Und fast ein Mädchen wars und ging hervor
aus diesem einigen Glück von Sang und Leier
und glänzte klar durch ihre Frühlingsschleier
und machte sich ein Bett in meinem Ohr.

Und schlief in mir. Und alles war ihr Schlaf.
Die Bäume, die ich je bewundert, diese
fühlbare Ferne, die gefühlte Wiese
und jedes Staunen, das mich selbst betraf.

Sie schlief die Welt. Singender Gott, wie hast
du sie vollendet, daß sie nicht begehrte,
erst wach zu sein? Sieh, sie erstand und schlief.

Wo ist ihr Tod? O, wirst du dies Motiv
erfinden noch, eh sich dein Lied verzehrte? –
Wo sinkt sie hin aus mir? … Ein Mädchen fast …

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)

 

 

De Nederlandse schrijver Geert Mak werd geboren op 4 december 1946 in Vlaardingen. Zie ook mijn blog van 4 december 2008 en ook mijn blog van 4 december 2009.

 Uit: De eeuw van mijn vader. Het ontsnapte land

 Toen ik wegvoer uit Schiedam scheen de ochtendzon tegen de achttiende-eeuwse huizen, het carillon speelde, op de stadswal draaide een molen, boven de oude sluis in de Schie zwermden dozijnen duiven. Op de kade fietste een grijze brugwachter voor me uit om brug na brug open te draaien. Ik passeerde een vervallen, zwartgeblakerd pakhuis, met een nauwelijks zichtbaar opschrift: ‘Sodafabriek De Ster’. Ik voer langs wilde tuinen en een overwoekerd huis – vanaf het water is de wereld nooit zonder mysteries -, een industrieterrein, een handvol snelwegen, een spekrand van flats; toen was er een ingenieuze rolbrug en daarachter strekte zich opeens een groen polderland uit, met boerderijen, vee, kippen en volkstuinen.

De polder lag als een kom naast de vaart, zeker anderhalve meter lager, en alles ademde een belommerde, landelijke sfeer. Alleen een permanent geruis van wielen verried waar ik in werkelijkheid was: tussen een wirwar van zware rode lijnen op de kaart, in het hart van een van de drukste en dichtst bevolkte gebieden van Europa.

Toen ik op mijn oude stafkaarten keek, zag ik dat er vijfentachtig jaar geleden nog geen sprake was van zo’n kleine oase. Dit hele gebied was, zodra de stad verlaten was, dun bebouwd. Er lagen vlakke polders, zover het oog reikte, doorsneden met honderden poldersloten. De meeste bouwsels stonden aan de vaart zelf. De plek waar een kruitmagazijn stond was nu alleen nog herkenbaar aan de naam van een betonnen brug waar ik onderdoor voer, de Kruithuisbrug. Even eerder moest ik een stoomgemaal passeren – althans op mijn stafkaart uit 1912 – en inderdaad vond ik de plek terug, maar nu in de vorm van een zacht zoemend gebouwtje met een grote waarschuwing voor sterkstroom op de deur en een uitmonding in de dijk. Alles was veranderd, maar het was wel op zijn plek gebleven.

Van de bewoners van dit land kon dat niet gezegd worden. Het was niet anders dan zoemen en brommen om me heen. Veel Nederlanders leken niet meer ergens te wonen, maar zich voornamelijk te bewegen, van de ene ervaring naar de andere, het landschap paste zich daarbij aan, en de wilgen bogen onder het geluid.“


Geert Mak (Vlaardingen, 4 december 1946)

 

 

 

De Georgische schrijver en dichter Nikoloz Baratashvili werd geboren op 4 december 1817 in Tbilisi. Zie ook mijn blog van 4 december 2006 en ook mijn blog van 4 december 2008 en ook mijn blog van 4 december 2009.  

 

Sky-Blue

 

The azure blue, the heavenly hue,

The first created realm of blue;

And over its radiance divine

My soul does pour its love sublime.

 

My heart that once with joy did glow

Is plunged in sorrow and in woe,

But yet it thrills and loves anew

To view again the sapphire blue.

 

I love to gaze on lovely eyes

That swim in azure from the skies;

The heavens lend this color fair,

Arid leave a dream of gladness there.

 

Enamored of the limpid sky,

My thoughts take wing to regions high,

And in that blue of liquid fire

In raptured ecstasy expire.

 

When I am dead no tears will flow

Upon my lonely grave below,

But from above the aerial blue

Will scatter over me tears of dew.

 

The mists about my tomb will wind

A veil of pearl with shadows twined;

But lured by sunbeams from on high

Twill melt into the azure sky.

 

 

Vertaald door Venera Urushadze

 

 

Nikoloz Baratashvili (4 december 1817 – 21 oktober 1844)

Standbeeld in Tbilisi

 

 

 

De Deense dichter Emil Aarestrup werd geboren op 4 december 1800 in Kopenhagen. Zie ook mijn blog van 4 december 2008 en ook mijn blog van 4 december 2009.  

 

 

Was It A Sin? 

 

Was it a sin no one was with us?

Our wedding such a lone affair?

A stork the only tree-top witness

Who from his nest returned our stare?

 

A stork with stockings red as roses

Whose gossip-beak tuts its refrain -?

No gardener’s boy with bridal posies,

And but one snail with silky train?

 

No starch-ruffed priest the words to mutter,

No chambermaid with pure jade comb,

No wedding gift forthcoming but the

Lakelet’s small wisps of silver foam?

 

And that the bride’s consent and, higher,

My lofty vow of plighted troth

Alone were heard and called for by the

Almighty God of Love and Youth?

 

But – you recall? – the forest proffered

A fairy dell well out of sight;

Glow-worms that clung to bushes offered

What was our only source of light.

 

Oh, should I once forget that glorious

Moment – may me God chastise!

A thousand crickets chirped in chorus,

While shooting stars lit up the skies.

 

 

Vertaald door John Irons

 

 

Emil Aarestrup (4 december 1800 – 21 juli 1856)

 

Zie voor nog meer schrijvers ook mijn vorige blog van vandaag.