Joseph Conrad, Hendrik Conscience, Herman Heijermans, Grace Andreacchi, Ugo Riccarelli

De Brits-Poolse schrijver Joseph Conrad werd geboren op 3 december 1857 in Berdichev, Rusland in een gezin met Poolse ouders. Zie ook mijn blog van 3 december 2006 en ook mijn blog van 3 december 2007 en ook mijn blog van 3 december 2008. en ook mijn blog van 3 december 2009.

 

Uit: Nostromo

 

In the time of Spanish rule, and for many years afterwards, the town of Sulaco–the luxuriant beauty of the orange gardens bears witness to its antiquity–had never been commercially anything more important than a coasting port with a fairly large local trade in ox-hides and indigo. The clumsy deep-sea galleons of the conquerors that, needing a brisk gale to move at all, would lie becalmed, where your modern ship built on clipper lines forges ahead by the mere flapping of her sails, had been barred out of Sulaco by the prevailing calms of its vast gulf. Some harbours of the earth are made difficult of access by the treachery of sunken rocks and the tempests of their shores. Sulaco had found an inviolable sanctuary from the temptations of a trading world in the solemn hush of the deep Golfo Placido as if within an enormous semi-circular and unroofed temple open to the ocean, with its walls of lofty mountains hung with the mourning draperies of cloud.
On one side of this broad curve in the straight seaboard of the Republic of Costaguana, the last spur of the coast range forms an insignificant cape whose name is Punta Mala. From the middle of the gulf the point of the land itself is not visible at all; but the shoulder of a steep hill at the back can be made out faintly like a shadow on the sky.
On the other side, what seems to be an isolated patch of blue mist floats lightly on the glare of the horizon. This is the peninsula of Azuera, a wild chaos of sharp rocks and stony levels cut about by vertical ravines. It lies far out to sea like a rough head of stone stretched from a green-clad coast at the end of a slender neck of sand covered with thickets of thorny scrub. Utterly waterless, for the rainfall runs off at once on all sides into the sea, it has not soil enough–it is said–to grow a single blade of grass, as if it were blighted by a curse. The poor, associating by an obscure instinct of consolation the ideas of evil and wealth, will tell you that it is deadly because of its forbidden treasures.
The common folk of the neighborhood, peons of the estancias, vaqueros of the seaboard plains, tame Indians coming miles to market with a bundle of sugar-cane or a basket of maize worth about three-pence, are well aware that heaps of shining gold lie in the gloom of the deep precipices cleaving the stony levels of Azuera. Tradition has it that many adventurers of olden time had perished in the search.“ 

 

 

 

Joseph Conrad (3 december 1857 – 3 augustus 1924)

Buste in Kielce, Polen

 

De Vlaamse schrijver Henri (Hendrik) Conscience werd geboren in Antwerpen op 3 december 1812. Zie ook mijn blog van 3 december 2008 en ook mijn blog van 3 december 2009.

 

Uit: De plaag der dorpen

 

„Op eenen namiddag keerden twee buitenlieden van eene naburige stad naar hun dorp terug.

Het oord, waar zij zich bevonden, was een allerschoonst landschap in het Hageland; zij volgden eene baan, die nevens den rug van eenen heuvel, dwars door den bruinen ijzersteen, was gegraven, en over hoogten en door diepten in zonderlinge bochten voortslingerde, totdat zij het punt zou bereiken, waar ginds in de verte een kruisken met zijnen vergulden haan boven het donkere geboomte blikkerde. Aan de eene zijde van den weg verhief zich de uitgegraven wand van ijzersteen, welks donkere verf door de slingerende ranken der braambosschen met liefelijk groen en purper was versierd. Daarboven ontstonden sterkbewogene gebergten, die het gezicht langs dien kant beperkten….. Maar van tijd tot tijd zonk ook de grond tot een weelderig dal. Men kon alsdan van deze hoogte met eenen enkelen blik de gansche landstreek beheerschen, en zien hoe de dennenbosschen, als boven elkander gestapeld, langs den rug der heuvelen opklimmen en afdalen; en – immer in toon verminderend – allengs zich verwijderen, kleiner worden en verblauwen, totdat hun groen zich met de dampen der kimme tot een zacht nevelgordijn versmelt.

Aan den anderen kant der baan hadden de stortregens, die na het onweder van de hoogten afstroomen, eene breede klove tusschen de bonken ijzersteen uitgespoeld. Achter het bed dezer toekomende rivier vertoonde zich eene wijde vlakte van bebouwde velden, wier regelmatige panden tot op den rug eener andere heuvelenrij voortliepen en daar, als bonte tapijten, van de schouders der gebergten schenen neer te hangen.

Het was Herfst, de najaarszon glansde met helderen gloed aan den zuiverblauwen hemel en speelde in bonte tonen tusschen het half verwelkt gebladerte. Ofschoon haar licht nog hevig was, toch ontstond reeds aan den voet der verre bosschen de purperen tint, welke aankondigt, dat de lucht kouder wordt dan de aarde, en de avondmist zich vormt.“

 

 


Hendrik Conscience (3 december 1812 – 10 september 1883)

Villa Hendrik Conscience in Gent

 

 

 

De Nederlandse schrijver Herman Heijermans werd geboren op 3 december 1864 in Rotterdam. Zie ook mijn blog van 3 december 2006  en ook mijn blog van 3 december 2007 en ook mijn blog van 3 december 2008 en ook mijn blog van 3 december 2009.

 

Uit: Diamantstad

 

„Vlak bij Casino sprong hij van de tram, stond stil, kijkend naar de oude gevels. Tusschen de dracht der vaal-lijnende huizen spaakte groen in een tralieënd raster. Zóó had hij het onthouden, niet alles afzonderlijk, niet een énkel huis met opdringende vormen, niet het kleine van menschen die er gewoond hadden, nòg woonden – nee, zóó als hij het weèr zag: massaal, zwart-geslagen van straatvuil, huisklomp in stedebenauwing, omwringend het groene stofperkje. Het gaf hem eene vreugde en pijn van lichte verwondring – dat dit alles zoo verweerd geleek, zoo óuder geworden, ouder zelfs dan de herinnering, die het in wazige schaduw gezet. Op zee had hij zich dikwijls de jodenbuurt gedácht, uitsluitend gedácht, en warmlieve, zacht-glimlachende genegenheid gevoeld voor het bruin der straattintingen, zooals hij het zag, bij gedroom achter oogleden. Maar na zoo làngen tijd werd het moeilijk jongensindrukken te hervinden, scheen je jeugd als ’n koorts van onrijpe verwarring, mal en gejaagd, vèr van je leven gegleden. Tòch klukte ’t in z’n keel, traagde z’n adem, wás er ’t vreugdlijk ontmoeten van kleuren, die het verlangen naar deze straten tot zwaarmoedige draperie had gevormd, mèt de vloeiing van bruin en zwart – wit-venstertjes doorsneden – die over het plein dampte en in de Joden-Amstelstraat van gevel naar gevel, dak naar dak henen-loomde. Al-stratenschoon was hier, slinger van stegen en sloppen, huizengehuif in scheemring van luchten, daken molm en bot, wig naast wig, met bronzend-bruin in de dalen. Zóo had hij het meenen te zien, toen nog niet hij het zag.

Alleen, het was oúder geworden, vàag-ouder, als jodenvrouwke wier kruin van jaren schuilt onder zwart van bandeau. ’t Gaf hem een lichte pijn, ’t dee denken aan luidloozen dood van tierige dingen, die sterven zonder gerauwgil van angst.

In de wijdte, áchter op ’t Waterlooplein plompte het grauwe cement der Mozes-en-Aaron-kerk, zwaar boven de zonnekappen van ventende joden. Perkje groen, stoffig, heet, stond in de branding der zon – vèrder waren het ouwe, gore huizen, deurtjes en ramen, droogstokken en lappen van kreukerig wit, met een enklen roodbaaien rok en wat bloempotten.

Eleazar zag niets dan het plein en de straat, de huizen daar in, die hij héérlijk vond, aanbidlijk van kleuren-versterving, indrukwekkend als schemer-neersponzing op zee. Was niet elk droomend gezwijg gódlijker klank dan het puurste geluid? O, ’t huizengedroom, vast aan ’t bewegen der lieden wier gezoem tegen de wanden ging, was sterker, smartlijker dan ’t grootewater gepeins en gewatel, dat hij nu maanden gevoeld en door-angstigd had, ’t water dat noòit rust kende….“

 


Herman Heijermans (3 december 1864 – 22 november 1924)

Buste van Joseph Mendes da Costa uit 1935 in het Vondelpark, Amsterdam

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Grace Andreacchi werd geboren op 3 december 1954 in New York. Zie ook mijn blog van 3 december 2008 en ook mijn blog van 3 december 2009.

Uit: Two Brothers: Part One

 

PROLOGUE

[The story takes place in a small Korean village, long ago. Centre stage is a snug and comfortable house set in a garden. Downstage right the plum tree. Rosy dawn light and the morning chorus of birds. Enter Sonhwa.]

 

SONHWA I am Sonhwa, the Flower Fairy of the Pumpkin

Every spring I bear a white blossom

Every fall I yield a big bright pumpkin

Tasty to eat, also useful for drinking gourds

or fine hat!

[Taps her head-dress.]

In this house live two brothers.

Their names are Heungbu and Nolbu.

Nolbu is the older brother.

I’m afraid to tell you about him —

You won’t like hearing it. He’s not a nice man at all.

What’s he like? Well!

Eats a lot, drinks a lot, curses a lot

Beats people up a lot

Has his own way a lot

Slaps his own wife a lot

Slaps crippled man, pinches baby

Speaks rough words to father and mother

Pulls a dog’s tail

Drowns a cat

Spits in the rice pot

And rubs pepper in people’s eyes just for fun.

His heart is crooked like a kudzu vine, grown all in a tangle.

 

His wife Taekwon is named after the sour yellow pickle which she resembles very much. She’s so greedy she wants the best of everything for herself. If she went to the market and saw some fine new thing for sale, she’d fall down in a faint if she couldn’t have it, and wouldn’t get up for maybe one hundred days.“

 

 

Grace Andreacchi (New York, 3 december 1954)

 

 

 

De Italiaanse schrijver Ugo Riccarelli werd geboren op 3 december 1954 in Turijn. Zie ook mijn blog van 3 december 2008 en ook mijn blog van 3 december 2009.

 

Uit: Der Zauberer (Vertaald door Karin Krieger)

 

„Als mein vater in Afrika landete, war er schon so etwas wie ein Magier, konnte er doch das hervorzaubern, was jeder Mensch tief in sich verborgen hält, in den geheimen Winkeln, die wir in der Haut unserer Hände haben, hinter den Augen, wenn wir träumen, in den Falten unserer Lippen.

In diese Verstecke konnte er seine Wörter gleiten lassen wie eine Zigeunerin ihre Finger zwischen die Verschlusshaken deines Goldkettchens, und mit einem Bukett aus Verben und Adjektiven brach er jeden Widerstand, indem er dich mit einem Kompliment umgarnte und dich so zu einem Lächeln zwang – auch wenn du vor dir nur Wüste und Steine hattest und wenig oder gar kein Brot.

Seine Dietriche waren die Wörter, und auch seine Taschenspielerhände waren Wörter, mit denen er die Welt und die Dinge und die Wünsche schrieb, die, wie er sich einbildete, die Menschen gern verwirklicht hätten.

Während die Mütter auf dem Bahnsteig beim Abschied von ihren Söhnen weinten, die sich an den Militärlaster klammerten, die Mädchen ihre tränennassen Taschentücher zerknüllten und jedem der abreisenden jungen Männer ein felsenschweres Heimweh am Hals hing, war er wohl der einzige, der vor seiner Mutter einen Teppich fröhlicher Grüße entrollte und ihr die Traurigkeit aus den Augen vertrieb, da er sie durch die Panoramen, die er schilderte, zum Träumen zwang und zum Lächeln über die Beschreibung von Orten und über Geschichten, die er, obwohl noch nicht einmal abgereist, bereits erzählte.

Afrika erschien, von ihrem kleinen Dorf am Fuß der Alpen aus, wie eine Weite aus Gold und Abenteuern, ein Reich des Möglichen und der Eroberung, wo der Gestank der Kneipen, der von Arbeit durchtränkte Atem der Betrunkenen, der schwere Schritt von Kälte und Frost keinen Platz fanden, verdrängt von Odalisken und Kamelen, von Weiten glühheißen, feinen Sandes, von Frauen und Gebieten, die nur erobert werden mussten für ein Imperium, das sofort allen zuteil werden sollte.“

 


Ugo Riccarelli (Turijn, 3 december 1954)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e december ook mijn vorige blog van vandaag.