Louisa May Alcott, Wilhelm Hauff, Ludwig Anzengruber, Madeleine L’Engle

De Amerikaanse schrijfster Louisa May Alcott werd geboren op 29 november 1832 in Germantown, Pennylvania. Zie ook mijn blog van 29 november 2006  en ook mijn blog van 29 november 2008 en ook mijn blog van 29 november 2009. 

 

Uit: Little women (Onder moedervleugels, vertaling door Almine, Amsterdam 1876)

 

“Als je “dédain” bedoelt, dan moest je dat zeggen en niet over “étain” praten, alsof Vader een tinnen peperbus was,” spotte Jo lachend.

“Ik weet heel goed, wat ik zeggen wil, en je hoeft er niet zoo “satiriek” over te zijn. Het is heel goed om juiste uitdrukkingen te gebruiken en zoo je “vocabulaire” te verrijken,” zeide Amy deftig.

“Nu, vlieg elkaar maar niet aan, kinderen! Zou jij niet willen, Jo, dat we al het geld nog hadden, dat Vader verloor, toen we nog klein waren? Hè, wat zouden we gelukkig en goed zijn, als we niets hadden, wat ons hinderde,” zei Meta, die zich betere dagen herinnerde.

“En gisteren heb je nog gezegd, dat je ons veel gelukkiger vond dan de kinderen King, omdat die altijd vochten en kibbelden, niettegenstaande ze zooveel geld hebben.”

“Dat heb ik ook gezegd, Bets; en ik geloof ook wel, dat het waar is, want al moeten wij ook werken, we hebben toch pret onder elkaar, en zijn een “moppig” troepje, zou Jo zeggen.”

“Jo gebruikt ook zulke platte uitdrukkingen,” zei Amy en zag afkeurend naar de lange gestalte op het haardkleed. Jo ging dadelijk rechtop zitten, stak de handen in de zakken van haar schort en begon te

fluiten.

“Doe het toch niet, Jo, ’t is zoo jongensachtig.”

“Daarom doe ik het juist.”

“Ik heb het land aan ruwe, onbeschaafde meisjes.”

“En ik aan gemaakte, opgeprikte nuffen.”

“Ieder vogeltje zingt, zooals het gebekt is,” zei Bets, de vredestichtster, met zulk een grappig gezichtje, dat de beide scherpe stemmen zich in lachen oplosten en het “aanvliegen” voor ’t oogenblik

gedaan was.

“Kinderen, jullie hebt beiden schuld,” zei Meta, en begon als oudste zuster de les te lezen. “Jo, je bent nu oud genoeg om die jongensmanieren af te schaffen en je verstandig te gedragen. Het kwam

er niet zooveel op aan, toen je nog een klein meisje was, maar nu je zoo lang bent geworden en je haar opgestoken draagt, moet je bedenken dat je langzamerhand een dame wordt.”

 

 

Louisa May Alcott (29 november 1832 – 6 maart 1888)

Boekomslag

 

De Duitse dichter en schrijver Wilhelm Hauff werd geboren in Stuttgart op 29 november 1802. Zie ook mijn blog van 29 november 2006 en ook mijn blog van 29 november 2008 en ook mijn blog van 29 november 2009.

 

Sehnsucht (Lied aus der Ferne)

Ihr Töne meiner Saiten,
Ihr tönt so sanft, so mild,
Mit Träumen ferner Freuden
Habt ihr mein Herz erfüllt.
Des Liebchens Kuß, des Liebchens Blick,
Führt mir der sanfte Ton zurück,
Der eurem Hauch entquillt!
O lispelt leise, leise!
Dann träum ich schönre Zeiten
Und meiner Liebe Bild.

Wenn auf der Berge Höhen
Der Strahl des Morgens fällt,
Möcht ich mit Windeswehen
Zu meiner Jugendwelt,
Möcht eilen mit des Morgens Strahl
Zum blauen Berg, zum fernen Tal,
Das sie umfangen hält.
Vergebens, ach vergebens!
Mir blüht kein Wiedersehen
In meiner Jugendwelt.

 

Amor der Räuber
Nach dem Italienischen

Die Unschuld saß in grüner Laube,
Sie hielt ein Täubchen in dem Schoß;
Und Amor kam: »Gib mir die Taube;
Ein Weilchen nur gib deine Taube«,
Die Unschuld ließ sie lächelnd los,
Doch hielt sie Täubchen an dem Band,
Das sich um Täubchens Flügel wand.

Doch kaum hat er die weiße Taube;
So schneidet er den Faden ab;
Und höhnisch lachend mit dem Raube
Entflieht der Räuber aus der Laube
Und nimmer kehrt der lose Knab.
Und als ihr Täubchen nimmer kam,
Ward sie dem Räuber ewig gram.

 

Wilhelm Hauff  (29 november 1802 – 18 november 1827)

Monument in Lichtenstein-Honau

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Ludwig Anzengruber werd geboren op 29 november 1839 in Wenen. Zie ook mijn blog van 29 november 2006 en ook mijn blog van 29 november 2008 en ook mijn blog van 29 november 2009.

 

Der gute Hirte

 

Als jüngstens beim Spazierengehen

Nach allen Seiten meine Augen irrten,

Da hab’ ich einen Schild gesehen

Vor einer Fleischerbank, »zum guten Hirten«.

 

»Der gute Hirte«, die Parabel

Thut mit viel Lehrnis in der Bibel stehen,

Doch leider darf bei keiner Fabel,

Noch irgend sonst, bis auf den Grund man gehen.

 

Den guten Hirten immer denn in Ehren,

Er sucht in Liebe das verirrte Lamm,

Er rastet nicht und bringt’s zurück dem Herren.

 

Wozu er aber sich die Mühe nahm?

Je nun, ’s ist Hirtenpflicht. Das Lamm indessen

Es wird geschoren und dann aufgefressen.

 

 

Der Kapitalisten Notschrei

 

Die Zeit ist reich, wie man’s so nennt,
Wir armen Kapitalisten,
Wir geben Geld zu ein Prozent,
Um nur das Leben zu fristen.
Der Reiche wird zum armen Mann,
Die Revenue ist zum Darben,
Ein Elend, das sich kleiden kann
Nur noch in glänzende Farben,
So daß der Bettler sie durchguckt,
Wenn auch der Firnis noch blanke;
Und wie das Haupt der Hydra zuckt
Empor der grause Gedanke:
Vor dieses Unheils mächt’gem Prall
Da bricht zusammen zu Staube
Der Menschheit letztes Ideal,
Ans Geld der heilige Glaube!

 

 

Ludwig Anzengruber (29 november 1839 – 10 december 1889)

Monument in Wenen

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Madeleine L’Engle werd geboren in New York op 29 november 1918. Zie ook mijn blog van 29 november 2008 en ook mijn blog van 29 november 2009.

 

Uit: The Joys of Love

 

„The Summer Theatre was on a pier that jutted off from the boardwalk over the sand. Sometimes when there was a storm and the tide was unusually high the actors could hear the soft swish of water underneath the stage; and the assistant stage manager, one of whose duties was to sweep the stage, was always in a rage at the sand which blew up between the floorboards and through the canvas floorcloth so that ten minutes after he had swept there would be a soft white dust over everything.

On the warm summer nights after the curtain had come down on the evening’s performance, the actors would hurry out of costume and makeup and stroll down the boardwalk, stopping for ice cream or Cokes, or drifting into town where there were restaurants and nightclubs. The apprentices, who

served as ushers, would walk along in their bright summer evening clothes, and in the ice cream parlors would talk loudly of the evening’s performance and of the problems of acting, so that everybody would know that they belonged to the theatre.

Sometimes, if Elizabeth had received a tip, she would go with the other apprentices; sometimes she would walk into town to a midnight movie with Ben Walton, the assistant stage manager, who was also an apprentice actor; but usually she stayed backstage, doing odd jobs for any of the professional actors who needed anything, waiting for a word or a gesture from Kurt Canitz.

Kurt Canitz was the director at the theatre, but occasionally he would take a role that appealed to him and then he would have Elizabeth cue him.When he grew tired of that, he would say, “I’m sick of working. Come and talk with me, Elizabeth.”

And then he would take her to the restaurant in his hotel, the Ambassador, and talk to her for hours about the theatre, about the productions he had directed on Broadway, about Elizabeth’s own talent as an actress. I have never lived before, Elizabeth thought. Until this summer I did not know what it was to be alive.“

 


Madeleine L’Engle (29 november 1918 – 6 september 2007)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e november ook mijn vorige blog van vandaag.