Nadine Gordimer, Don DeLillo, Thomas Chatterton, Sheema Kalbasi

De Zuidafrikaanse schrijfster Nadine Gordimer werd geboren op 20 november 1923 in Springs. Zie ook mijn blog van 20 november 2006 en ook mijn blog van 20 november 2007 en ook mijn blog van 20 november 2008 en ook mijn blog van 20 november 2009.

 

Uit: Beethoven was One-Sixteenth Black

 

“GREGOR

Anyone who is a reader knows that what you have read has influenced your life. By ‘reader’ I mean one from the time you began to pick out the printed words, for yourself, in the bedtime story. (Another presumption: you became literate in some era before the bedtime story was replaced by the half-hour before the Box.) Adolescence is the crucial period when the poet and the fiction writer intervene in formation of the sense of self in sexual relation to others, suggesting – excitingly, sometimes scarily – that what adult authority has told or implied is the order of such relations, is not all. Back in the Forties, I was given to understand: first, you will meet a man, both will fall in love, and you will marry; there is an order of emotions that goes with this packaged process. That is what love is.

For me, who came along first was Marcel Proust. The strange but ineluctable disorder of Charles Swann’s agonising love for a woman who wasn’t his type (and this really no fault of her own, he fell in love with her as what she was, eh?); the jealousy of the Narrator tormentedly following a trail of Albertine’s evasions.

Swept away was the confetti. I now had different expectations of what experience might have to take on. My appren­ticeship to sexual love changed; for life. Like it or not, this is what love is. Terrible. Glorious.

But what happens if something from a fiction is not interiorised, but materialises? Takes on independent exist­ence?

It has just happened to me. Every year I re-read some of the books I don’t want to die without having read again. This year one of these is Kafka’s Diaries, and I am about halfway through. It’s night-time reading of a wonderfully harrowing sort.

A few mornings ago when I sat down at this typewriter as I do now, not waiting for Lorca’s duende but getting to work, I saw under the narrow strip of window which displays words electronically as I convey them, a roach. A smallish roach about the size and roach-shape of the nail of my third finger – medium-sized hand. To tell that I couldn’t believe it is understatement. But my immediate thought was practical: it was undoubtedly there, how did it get in. I tapped the glass at the place beneath which it appeared. It confirmed its existence, not by moving the body but wavering this way and that two whiskers, antennae so thin and pale I had not discerned them.”

 


Nadine Gordimer (Springs. 20 november 1923)

 

Doorgaan met het lezen van “Nadine Gordimer, Don DeLillo, Thomas Chatterton, Sheema Kalbasi”

Selma Lagerlöf, Yevgenia Ginzburg, A.L. Snijders

De Zweedse schrijfster Selma Lagerlöf werd geboren op 20 november 1858 in Östra Emterwik in Zweden. Zie ook mijn blog van 20 november 2006 en ook mijn blog van 20 november 2008 en ook mijn blog van 20 november 2009.

 

Uit: Niels Holgersson’s wonderbare reis (Vertaald door Margaretha Meijboom) 

 

“Maar Vader en Moeder verheugden zich in ’t geheel niet; integendeel, ze waren heel bedroefd. Hij was een arme keuterboer, en hun hoeve was niet veel grooter dan een tuintje. Toen ze er in ’t begin kwamen wonen, konden zij daar niet meer dan een varken en een paar kippen houden; maar ze waren bizonder vlijtige en knappe menschen, en nu hadden ze èn koeien, èn ganzen. Het was hun buitengewoon goed gegaan, en ze zouden tevreden en blij naar de kerk zijn gewandeld, als ze

niet over hun zoon hadden hoeven denken. De vader klaagde er over, dat hij traag en lui was. In school had hij niets willen leeren, en hij was zoo onbruikbaar, dat men hem ternauwernood de ganzen kon laten hoeden. En Moeder kon niet ontkennen, dat dit waar was, maar zij was het meest bedroefd, omdat hij zoo wild en akelig was,–hard tegen de dieren en boosaardig tegenover de menschen.

“God moge zijn boozen wil breken, en hem een ander hart geven,” zei ze. “Anders wordt hij een ongeluk voor zichzelf en de onzen.”

De jongen stond er lang over na te denken of hij de preek zou lezen of niet. Toen was hij met zichzelf overeengekomen, dat het ’t beste was dezen keer gehoorzaam te zijn. Hij ging in den grooten leuningstoel zitten, en begon te lezen. Maar toen hij een poosje lang de woorden halfluid opgerabbeld had, was het alsof hij slaap kreeg van dat gerabbel, en hij merkte, dat hij knikkebolde.“

 


Selma Lagerlöf (20 november 1858 – 16 maart 1940
)

Portret door Carl Larsson, 1908

 

Doorgaan met het lezen van “Selma Lagerlöf, Yevgenia Ginzburg, A.L. Snijders”