Wolf Biermann, Gerhard Hauptmann, Heinz Piontek, J. G. Ballard, Liane Dirks

De Duitse zanger, dichter en schrijver Wolf Biermann werd geboren op 15 november 1936 in Hamburg. Zie ook mijn blog van 15 november 2006 en ook mijn blog van 15 november 2007 en ook mijn blog van 15 november 2008 en ook mijn blog van 15 november 2009.

 

Und als wir ans Ufer kamen

Und als wir ans Ufer kamen
Und saßen noch lang im Kahn
Da war es, daß wir den Himmel
Am schönsten im Wasser sahn
Und durch den Birnbaum flogen
Paar Fischlein. Das Flugzeug schwamm
Quer durch den See und zerschellte
Sachte am Weidenstamm
– am Weidenstamm

Was wird bloß aus unseren Träumen
In diesem zerissnen Land
Die Wunden wollen nicht zugehn
Unter dem Dreckverband
Und was wird mit unsern Freunden
Und was noch aus dir, aus mir –
Ich möchte am liebsten weg sein
Und bleibe am liebsten hier
– am liebsten hier.

 

Noch

Ein kleiner Regen hat mich gewaschen
Am Himmel ziehn leere Brauseflaschen
Frabrikschlote wuchern drüben am Hang
Rauchnasen laufen den Windweg lang
Wälder sind das da, das nasse Blau
Das da sind Halden, das große Grau
Rot blühn paar Fahnen da auf dem Bau
Das Land ist still
Der Krieg genießt seinen Frieden
Still. Das Land ist still. Noch.

Die Schieferdächer schachteln sich wirr
Geklammert an Essen mit Eisengeschirr
Starrt das Antennengestrüpp nach West
Vom Sonnenball steht noch ein roter Rest
Krähen sind das da, was fällt und schreit
Blüten sind unter die Bäume geschneit
Was da jetzt einbricht, ist Dunkelheit
Das Land ist still
Wie Grabsteine stehen die Häuser
Still. Das Land ist still. Noch.

Dann hing ich im D-Zug am Fenster, und
Der Fahrtwind preßte mir Wind in’ Mund
Die Augen gesteinigt vom Kohlestaub
Ohren von kreischenden Rädern taub
Hörte ich schwingen im Schienenschlag
Lieder vom Frühling im roten Prag
Und die Gitarre im Kasten lag
Das Land ist still
Die Menschen noch immer wie tot
Still. Das Land ist still. Noch.

 

Wolf Biermann (Hamburg, 15 november 1936)

 

Continue reading “Wolf Biermann, Gerhard Hauptmann, Heinz Piontek, J. G. Ballard, Liane Dirks”

Antoni Słonimski, Elizabeth Arthur, Carlo Emilio Gadda, Marianne Moore

De Poolse dichter en schrijver Antoni Słonimski werd geboren op 15 november 1895 in Warschau. Zie ook mijn blog van 15 november 2009.

 

Rebellion

 

Mein Herz zu rühren braucht es nur sehr wenig.

Mein Wort entlädt sich leicht wie ein Gewehr.

Im Königreich bin ich ein Revolutionär,

Und in der Republik lobpreise ich den König.

 

 

Elegy for the Little Jewish Towns

 

Gone now are, gone are in Poland the Jewish villages,
in Hrubieszow, Karczew, Brody, Falenica
you look in vain for candlelight in the windows
and listen for song from the wooden synagogue.

 

Disappeared are the last rests, the Jewish possessions,
the blood is covered over by sand, the traces removed,
and the walls whitewashed with lime,
as for a high holiday or after a contagious disease.

 

One moon shines here, cold, pale, alien,
already behind the town, on the road,
when night uncoils its light,
my Jewish relatives, boys with poetic feeling,

will no longer find Chagal’s two golden moons.

 

The moons now wander above another planet,
frightened away by grim silence, no trace of them.
Gone now are those little towns where the shoemaker was a poet,

The watchmaker a philosopher, the barber a troubadour.

 

Gone now are those little towns where the wind joined
Biblical songs with Polish tunes and Slavic rue,
Where old Jews in orchards in the shade of cherry trees
Lamented for the holy walls of Jerusalem.

 

Gone now are those little towns, though the poetic mists,
The moons, winds, ponds, and stars above them
Have recorded in the blood of centuries the tragic tales,
The histories of the two saddest nations on earth.

 

 

Vertaald door Howard Weiner 

 

 

Antoni Słonimski (15 november 1895 – 4 juli 1976)

Continue reading “Antoni Słonimski, Elizabeth Arthur, Carlo Emilio Gadda, Marianne Moore”

Richmal Crompton, Emmy von Rhoden, Madeleine de Scudéry, Janus Secundus, José de Lizardi

De Engelse schrijfster Richmal Crompton Lamburn werd geboren op 15 november 1890 in Lancashire. Zie ook mijn blog van 15 november 2008.

 

Uit: More William

 

William awoke and rubbed his eyes. It was Christmas Day–the day to which he had looked forward with mingled feelings for twelve months. It was a jolly day, of course–presents and turkey and crackers and staying up late. On the other hand, there were generally too many relations about, too much was often expected of one, the curious taste displayed by people who gave one presents often marred one’s pleasure.

He looked round his bedroom expectantly. On the wall, just opposite his bed, was a large illuminated card hanging by a string from a nail–“A Busy Day is a Happy Day.” That had not been there the day

before. Brightly-coloured roses and forget-me-nots and honeysuckle twined round all the words. William hastily thought over the three aunts staying in the house, and put it down to Aunt Lucy. He looked at it with a doubtful frown. He distrusted the sentiment.

A copy of “Portraits of our Kings and Queens” he put aside as beneath contempt. “Things a Boy Can Do” was more promising. _Much_ more promising. After inspecting a penknife, a pocket-compass, and a pencil-box (which shared the fate of “Portraits of our Kings and Queens”), William returned to “Things a Boy Can Do.” As he turned the pages, his face lit up.

He leapt lightly out of bed and dressed. Then he began to arrange his own gifts to his family. For his father he had bought a bottle of highly-coloured sweets, for his elder brother Robert (aged nineteen)

he had expended a vast sum of money on a copy of “The Pirates of the Bloody Hand.” These gifts had cost him much thought. The knowledge that his father never touched sweets, and that Robert professed scorn of pirate stories, had led him to hope that the recipients of his gifts would make no objection to the unobtrusive theft of them by their recent donor in the course of the next few days.“

 

 

Richmal Crompton (15 november 1890 – 11 januiri 1969)

 

Continue reading “Richmal Crompton, Emmy von Rhoden, Madeleine de Scudéry, Janus Secundus, José de Lizardi”

Jan Terlouw

De Nederlandse schrijver, fysicus en voormalig politicus voor Democraten 66 Jan Terlouw werd geboren in Kamperveen op 15 november 1931 Hij groeide op in de Veluwse dorpen Garderen en Wezep, waar zijn vader Gereformeerde Bonds-predikant was. In 1948 begon hij zijn studie wis- en natuurkunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht, waarin hij in 1956 zijn doctoraalexamen behaalde. Vervolgens deed hij dertien jaar lang wetenschappelijk onderzoek. Terlouw promoveerde in 1964 op onderzoek naar kernfusie.In 1970 debuteerde hij met zijn eerste boeken ‘Pjotr’ en ‘Oom Willibrord’, en werd hij actief als gemeenteraadslid. In 1971 kwam hij voor de D66 in de Tweede Kamer. Twee jaar. In 1999 werd Terlouw senator in de Eerste Kamer. Terlouw heeft een aantal boeken geschreven; voornamelijk jeugdliteratuur. Zijn boeken zijn talloze malen herdrukt, bekroond, en vertaald in vele talen. De laatste jaren schrijft Terlouw sommige boeken samen met zijn dochter Sanne Terlouw.

Uit: Oosterschelde windkracht 10

„Henk en Anne, pas getrouwd, wonen voorlopig nog in bij haar ouders, totdat hij zijn diploma behaald heeft. Het is 31 januari 1953. In de loop van de avond wakkert de wind aan, er is storm op zee en in de polders op Overflakkee een Zeeuws eiland, vreest men voor overstromingen. Zullen de dijken het houden ? Henk is samenmet zijn zwager Piet poolshoogte gaan nemen, terwijl de rest van het gezin zijn voorzorgen neemt en naar de zolder verhuist. Op de dijken rijden auto’s af en aan om de bedreigde families naar Nieuwe Tonge te brengen, dat hoger gelegen is dan Battenoord.

“Vlug in mijn auto,” riep Tegelaar. “Ik draai om en neem jullie mee naar Tonge.”

De vrouw en de kinderen stapten in, terwijl Piet en de mannen naar de andere auto liepen om te kijken waarom hij niet wegreed.

“Hij slaat niet aan – te nat,” riep de chauffeur. “Help me duwen.” Hij kwam er zelf uit en met z’n vieren begonnen ze de auto door het water te duwen. ’t Was geen doen. Waar moest dat heen ? Plotseling kwam er een grote waterhoos op hen af en sloeg bruisend over hen heen. Tegelaar verloor zijn evenwicht, gaf een akelige schreeuw, die even de wind overstemde, en werd meegevoerd

door het water.

Nu pas begreep Piet dat zij in levensgevaar verkeerden. Lang had hij niet om zich daar zorgen over te maken. De situatie werd snel slechter. Steeds hogere golven sloegen over de dijk, tegen de auto aan, tegen hen aan. Hij keek om en zag iets afschuwelijks gebeuren. De auto van Tegelaar, waar juist de vrouw met de twee kinderen in waren gestapt, zakte scheef weg omdat er een stuk dijk afbrokkelde, bleef een paar tellen hangen. Een grote golf kwakte ertegenaan. De auto verdween in het woedende water.

“De auto, de andere auto !” schreeuwde Piet.

“Duwen, duwen,” riep de chauffeur van de overgebleven wagen. “In godsnaam, duw!”

De man die net zijn vrouw en kinderen had zien omkomen, stond wezenloos voor zich uit te kijken. Met z’n tweeën probeerden ze het nog even. Het ging niet meer.“


Jan Terlouw (Kamperveen, 15 november 1931)