Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, René de Clercq, Charles Frazier, C. K. Williams, Marc Awodey, Klabund, Felix Braun

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 4 november 2006 en ook mijn blog van 4 november 2007 en ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009.

Tot toen ging alles goed

Rijkdom is leegte op glanzende tegels
armoede dozen vol halfvolle potten
rijk een veranda met uitzicht op niets
arm een balkon met gereedschap en fietsen
weelde is niets te hoeven bewaren
armoede reddert van winter naar winter
rijkdom is stilte, en stil achter stilte
armoede haast.

En zo genoten zij dag en nacht
van wit en van stilte en water en glad
de stenen en het mos dat daar lag.

 

Je zoenen zijn zoeter

Je zoenen zijn zoeter dan
zoeter dan honing en ik vind je
mooier en liever, liever
en aardiger nog dan de koning.
We gaan samen liggen
een eind hier vandaan
we maken van takken
van takken en blaadjes
een vloer en een dak,
dat was onze woning,
of ik was het tuintje
en jij was de tent
daar gingen wij wonen
en blijven en horen
o rep je mijn liefje
ik heb je zo graag
nu of nooit samen slapen
want we zijn er
alleen maar vandaag.

 

Elke ochtend

Elke ochtend, tussen het aandoen
van zijn linker- en zijn rechterschoen
trekt zijn hele leven even langs.
Soms komt de rechterschoen er dan
bijna niet meer van.

 herzberg

Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

 

De  Nederlandse dichter Peter W.J. Brouwer werd op 4 november 1965 in Eindhoven geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009.

Om langzaam te vergeten

Haar benen weer kuis bijeen bedenken
vergeten haar mond, die smaakte naar jouw mond
de mouw waarin haar polsslag kroop
haar adem en de stilte om haar adem

vergeten het hoog opgetrokken been
ernstige ogen om een serieuze daad
haar snelle lach
als zij nu maar vergeet
jouw hemd om haar schouders
jouw hand waarin haar schoot
rustte en

vergeten haar hese stem
en het onontkoombare vloeken
om lichaamsdelen vol zoet geweld
waarin de tijd wel wilde blijven
vergeten dat het bloed toch weer
zich zonder verveling verzamelde
tot in de openingen van een ander
die geen ander meer was

vergeten wat je bedacht en
wegdacht, de stad en het land
delen van wandelingen
en het licht op een plein dat slonk in je oog
dat zich sloot voor haar
nadat je samen een laatste keer
en voldoende volledig
om langzaam te vergeten

 

De bloesems van gisteren

In een verloren gewaande brief
uit een verstreken jaar
begroette zij mij
door haar geluk getroffen
dacht ik aan
de bloesems van gisteren, in maart
bevroren en roze
ik las haar vraag
en herinnerde me het antwoord
ik las eindelijk wat er stond
zag hoe zij de dagen
van gisteren aanbrak
en dat de forsythia daarop
opnieuw begon
uit te lopen
alsof de dag niet meer verstreek
las ik onverhoopte woorden
maar alles bleef onbewogen
en niets werd meer toegevoegd

 brouwer

Peter W.J. Brouwer (Eindhoven,  4 november 1965)

 

De Nederlandse schrijver en journalist Arthur van Amerongen werd geboren op 4 november 1959 in Ede. Het gezin Van Amerongen was lid van een zoals hij dat zelf noemt een ultraorthodoxe christelijke sekte. Hij behaalde in 1991 zijn vrij doctoraal Midden-Oosten aan de Universiteit van Amsterdam; een combinatie van Hebreeuws en Arabisch Na zijn studie werkte hij als correspondent te Beiroet en Jeruzalem voor verschillende media, waaronder Vrij Nederland, Het Parool, De Groene Amsterdammer en VPRO-radio. In 2006 won hij samen met Loes de Fauwe de Prijs voor de Nederlandse Dagbladjournalistiek met de serie ‘Kasba Amsterdam’, over Marokkanen in Amsterdam na de moord op Theo van Gogh. Voor zijn nieuwe boek Brussel: Eurabia leefde hij een jaar lang samen met de Salafisten in Brussel om te kijken in hoeverre hij vatbaar zou zijn voor de ideeën van de extreme moslims in Brussel.

Uit: Brussel: Eurabia

“Een jaar lang leefde ik als een fanaticus, ik oefende het gebed, leefde zedig, at halal en bleef wars van elke serieuze verleiding. Maar ik bereikte een punt vanwaar ik niet verder kon. Het islamitische milieu waarin ik me in Brussel ophield, wierp mij genadeloos terug op het calvinisme uit mijn jeugd: een vreugdeloos geloof, gespeend van enige humor, met een onbeschrijfelijke angst voor het Opperwezen en het hiernamaals. De kerkgangers uit mijn jeugd waanden zich het uitverkoren volk, net als heel veel

moslims in Brussel. En net als de calvinisten zijn ook de Maghrebijnse moslims doodsbang voor intimiteit, erotiek en seks. Er heerst in die kringen een gevoel van morele superioriteit ten aanzien van de Belgen: die zuipen de godganse dag, vreten biggen en neuken erop los. Een andere overeenkomst is het volslagen gebrek aan humor bij orthodoxe moslims en orthodoxe christenen. Er is overigens wel een wezenlijk verschil tussen moslims en de gelovigen van de weerbarstige zandgronden en uitgestrekte bossen op de Veluwe die het decor van mijn jeugd vormden. De islam kent het begrip predestinatie niet. Vrome moslims verheugen zich in dit aardse tranendal voortdurend op het paradijs. De hemelpoorten staan wijd open, als ze zich maar aan de geboden en verboden van de islam houden. Het is het geloof van de zekerheid. Bij calvinisten is dat minder simpel. Ik ben ervan overtuigd dat mijn calvinistische opvoeding een uiteindelijk bekeringscarrière in de weg stond.”

vanamerongen

 Arthur van Amerongen (Ede, 4 november 1959)

 

De Vlaamse schrijver, dichter, politiek activist en componist René Desiderius de Clercq werd geboren in Deerlijk op 14 november 1877. Zie mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009.

Geen luid geluid

Geen luid geluid, geen luid geluid
De winter vriest de vreugden uit.
Maakt grond en sneeuw en harten hard
en al de bomen zwart
De hutten staan zo kil en stil
alsof haar elk gesloten wil
daarbinnen dringt de koude maar,
daar uit de dodenbaar

Gebogen hoofds, vereenzaamd droef
Een moeder die haar kind begroef
Sluipt wanhoop d’ aarden straten door
en glimlacht als te voor
en glimlacht of zij hoop nog hiet
dat niemand merk haar wrang verdriet,
En draagt uit rouw geen rijker kleed
Maar diep haar dieper leed.

 

Oogen die het bruin weerkaatst

Oogen, die het bruin weerkaatst
Van uw breede brauwen,
Laat me dieper voor het laatst
In uw donker schouwen.

Teere wittetandenlach
Brekend door mijn denken…
Ach, dat ik geen enklen dag
Aan uw vreugd mag schenken.

Dat mijn neiging nimmer wordt
Wat ze liefde noemen;
Smachtend knopje dat verdort
Onder zware bloemen.

declercq

René de Clercq (14 november 1877 – 12 juni 1932)
Standbeeld in Deerlijk

 

De Amerikaanse schrijver Charles Frazier werd geboren op 4 november 1950 in Asheville, North Carolina. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009.

Uit: Cold Mountain

„The man got the bundle off the horse and over his shoulder and came walking from behind the animal in a kind of stagger. Inman could see that what he was lugging was a woman, one limp arm swinging, a cascade of black hair brushing the ground. The man carried her from out the diameter of torchlight so that they became near invisible, but his direction was clearly toward the verge of the drop-off. Inman could hear the man sobbing in the dark as he walked.

Inman ran along the road to the torch and grabbed it up and pitched it softly underhand out toward the sound of crying. What the fire lit when it struck ground was the man standing on the very lip of the bluff with the woman in his arms. He was trying to whirl to see the source of this sudden illumination, but, cumbered as he was, it took some time. With a kind of shuffle, he turned to face Inman.

–Set her down, Inman said.

She dropped in a heap at the man’s feet.

–The hell kind of pistol is that? the man said, his eyes fixed on the two big mismatched bores.

–Step away from her, Inman said. Get over here where I can see you.

The man stepped across the body and approached Inman. He held his head tipped down for the hat brim to cut the glare from the torch.

–Best stop right now, Inman said, when the man got close.

–You’re a message from God saying no, the man said. He took two steps more and then dropped to his knees in the road and fell forward and hugged Inman about the legs. Inman leveled the pistol at the man’s head and put pressure on the trigger until he could feel all the metal parts of its firing mechanism tighten up against each other. But then the man turned his face up, and it caught the light from the torch where it still burned on the ground, and Inman could see that his cheeks were shiny with tears. So Inman relented as he might have anyway and only struck the man a midforce blow across the cheekbone with the long barrel of the pistol.“

frazier.jpg

Charles Frazier (Asheville, 4 november 1950)
Foto: David S. Allee

 

De Amerikaanse dichter Charles Kenneth Williams werd geboren op 4 november 1936 in Newark, New Jersey. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009.

Blackstone

When Blackstone the magician cut a woman in half in the Branford theater
near the famous Lincoln statue in already part way down the chute Newark,

he used a gigantic buzz saw, and the woman let out a shriek that out-shrieked
the whirling blade and drilled directly into the void of our little boy crotches.

That must be when we learned that real men were supposed to hurt women,
make them cry then leave them, because we saw the blade go in, right in,

her waist was bare—look!—and so, in her silvery garlanded bra, shining,
were her breasts, oh round, silvery garlanded tops of breasts shining.

Which must be when we went insane, and were sent to drive our culture insane . . .
“Show me your breasts, please.” “Shame on you, hide your breasts: shame.”

Nothing else mattered, just silvery garlanded breasts, and still she shrieked,
the blade was still going in, under her breasts, and nothing else mattered.

Oh Branford theater, with your scabby plaster and threadbare scrim,
you didn’t matter, and Newark, your tax-base oozing away to the suburbs,

you didn’t matter, nor your government by corruption, nor swelling slums—
you were invisible now, those breasts had made you before our eyes vanish,

as Blackstone would make doves then a horse before our eyes vanish,
as at the end factories and business from our vanquished city would vanish.

Oh Blackstone, gesturing, conjuring, with your looming, piercing glare.
Oh gleaming, hurtling blade, oh drawn-out scream, oh perfect, thrilling arc of pain.

 

Leaves

A pair of red leaves spinning on one another
in such wildly erratic patterns over a frozen field
it’s hard to tell one from another and whether
if they were creatures they’d be in combat or courting
or just exalting in the tremendousness of their being.
Humans can be like that, capricious, aswirl,
not often enough in exalting, but courting, yes,
and combat; so often in combat, in rancour, in rage,
we rarely even remember what error or lie
set off this phase of our seeming to have to slaughter.
Not leaves then, which after all in their season
give themselves to the hammer of winter,
become sludge, become muck, become mulch,
while we, still seething, broiling, stay as we are,
vexation and violence, ax, atom, despair.

williams

 C. K. Williams (Newark, 4 november 1936)

 

De Amerikaanse dichter en beeldend kunstenaar Marc Awodey werd geboren op 4 november 1960 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009.

Wednesday

Pictures of Wednesday flourish
untouched by a moment’s mind
though limbs have grown heavy
after Tuesday’s disintegrating rain.

Citizens of every land and sea
practice silent arts
as if each day were a Redeemer;

heads wear silver time pieces
sowing momentous ticks and tocks,
to cherish ashen rays abandoned
by the sun’s Apollonian palm.

Perchance seeds will germinate;
on Thursday or perhaps Friday.
Per chance upon a nameless day
as a tier of top-soil conceals
tenements of clay.

But Wednesday next will surly reap
from beds of leveled minds;
gourds, root crops, grains, legumes,
and fleshy vegetables left to rot
under the veins of twisted vines.

 awodey

Marc Awodey (Ann Arbor, 4 november 1960)
Awodey: Reader, 2002

 

De Duitse dichter en schrijver Klabund werd als Alfred Henschke geboren op 4 november 1890 in Crossen an der Oder. Zie ook mijn blog van 4 november 2006 en ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009.

Ironische Landschaft

Gleich einem Zuge grau zerlumpter Strolche,
Bedrohlich schwankend wie betrunkne Särge,
Gehn Abendwolken über jene Berge,
In ihren Lumpen blitzen rote Sonnendolche.

Da wächst, ein schwarzer Bauch, aus dem Gelände
Der Landgendarm, daß er der Ordnung sich beflisse,
Und scheucht mit einem bösen Schütteln seiner Hände
Die Abendwolkenstrolche fort ins Ungewisse.

 

Wünsche

Wenn du des Nachts die große Stadt durchstreifst,
Und deine Wünsche in den Ampeln hängen,
Versuche, daß den Willen du begreifst,
Aus dem sie ins erhaben Dunkle drängen.
Sie flüchten früh vor ihrer Blondheit Glanz,
Aus der sie gerne Mörderstricke flöchten.
Ihr Dasein ist auf Strahlenschuhn ein Tanz –
Sie bringen Leben, wo sie sterben möchten.

 

Christbaumfeier

Piano, Geige: Hupf mein Mädel (forte),
Im Christbaum zucken gelblich ein paar Lichter,
Und an die Rampe tritt Kommis und Dichter
Und stottert stockend tannendufte Worte.
Man trampelt: »Bravo, Bravo« mit den Füßen
Und prostet mit den Krügen nach dem Helden,
Indem sich schon zwei weiße Fräuleins melden,
Mit »Stille Nacht« die Menge zu begrüßen.
Man säuft, man schreit, man giert und man verlost
Die Lebenslust – Rosa, unwiderstehlich,
Bringt lächelnd ihrem Buben bei (allmählich),
Daß er mich Papa ruft. – Na danke. Prost.

klabund.jpg

 Klabund (4 november 1890 – 14 augustus 1928)

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Felix Braun werd op 4 november 1885 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009.

Der Leser

Sag: ist das nicht ein wunderliches Leid?
Um fremde Menschen trauern, die nicht leben,
und über Dinge, die sich nie begeben,
voll Sehnsucht träumen in der Einsamkeit.

Geheimnis, dessen Sinn ich nie verstand:
Sich über Worte atemlos zu neigen
und zu vernehmen in gespanntem Schweigen,
was einer dachte, fühlte und erfand.

Wenn Zeile so nach Zeile still verrinnt,
sich wohlig weit zurück im Sessel lehnen.
Die Arme breiten, lächeln unter Tränen.
Und wieder müssig blättern wie als Kind.

Und auf und ab in Abendgassen gehn
und Verse summen, darin Glocken läuten,
und ahnen, dass sie Welt und Leben deuten
und dennoch dunkel in den Wind verwehn….

braun

Felix Braun (4 november 1885 – 29 november 1973)