E. du Perron, Odysseas Elytis, Leo Perutz, Bilal Xhaferri, Thomas Mallon, Augusta Peaux, Jules Barbey d’Aurevilly, Daniil Andreyev

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Charles Edgar (Eddy) du Perron werd  geboren op 2 november 1899 in Jatinegara (West Java). Zie ook mijn blog van 2 november 2006 en ook mijn blog van 2 november 2007 en ook mijn blog van 2 november 2008 en ook mijn blog van 2 november 2009.

Uit: Aan ambrosia. Bij Tuin van Eros door Jan Engelman

 “Uw naam is, op dit ogenblik reeds, in Holland wijdvermaard – voor zover zulke woorden opgaan bij een Hollands letterlievend publiek, de schrijvers die elkaar lezen meegerekend. Een vers, voor velen onbegrijpelik, onder de evokatie van een Helleense zangeres, maar waarvan de eerste regel zich zonder moeite in het geheugen grifte, maakte hem beroemd. Ambrosia, wat vloeit mij aan? Men heeft er zelfs te veel ophef van gemaakt; het is nooit prettig voor een dichter, zo’n al te vermaard vers. Het vond navolgers, tot in het olike Vlaanderen; het leek het knippatroon bij uitstek voor het nieuwste muzikale vers. Er was een misverstand, ook in die eerste regel al, dat langzamerhand eerst werd opgeruimd: het was geen godenspijs die bedoeld werd, en wat aanvloeide was niet het daarbijbehorende vocht; het was, alles bijeengenomen, alleen maar een lied, een van de zuiverste en mooiste liederen alleen maar in onze hedendaagse poëzie. Men heeft – het was een spotziek intellektualist die het deed – protest aangetekend tegen een kaal hoofd, dat in de volgende regel reeds opdook, alsof een schone vrouw, een met het lichaam van de Nike van Samothrace, niet desnoods de strenge lijnen van een onbegroeid schedelveld vertonen mocht. Maar de intellektualiteit redeneerde à faux, en kon zich trouwens niet weerhouden de onmiskenbare kwaliteiten van het lied te waarderen. Zij aanvaardde tenslotte het lied, hoewel haar geweten zich gesterkt voelde in de langzaam groeiende overtuiging dat een lied, zozeer tot de poëzie-alleen behorende, met dezelfde rare trots van die poëzie-alleen, dom was.”

perron

E. du Perron (2 november 1899 – 14 mei 1940)

 

De Griekse dichter Odysseas Elytis (pseudoniem voor Odysseas Alepoudhelis) werd op 2 november 1911 te Iraklion op Kreta geboren. Zie ook mijn blog van 2 november 2006 en ook mijn blog van 2 november 2007 en ook mijn blog van 2 november 2008 en ook mijn blog van 2 november 2009.

This wind that loiters…”

This wind that loiters among the quinces
This insect that sucks the vines
This stone that the scorpion wears next to his skin
And these sheaves on the threshing floor
That play the giant to small barefoot children.

The images of the Resurrection
On walls that the pine trees scratched with their fingers
This whitewash that carries the noonday on its back
And the cicadas, the cicadas in the ears of the trees.

Great summer of chalk
Great summer of cork
The red sails slanting in gusts of wind
On the sea-floor white creatures, sponges
Accordions of the rocks
Perch from the fingers even of bad fishermen
Proud reefs on the fishing lines of the sun.

No one will tell our fate, and that is that,
We ourselves will tell the sun’s fate, and that is that.

 

Drinking the sun of Corinth

Drinking the sun of Corinth
Reading the marble ruins
Striding across vineyards and seas
Sighting along the harpoon
A votive fish that slips away
I found the leaves that the sun’s psalm memorizes
The living land that passion joys in opening.

I drink water, cut fruit,
Thrust my hand into the wind’s foliage
The lemon trees water the summer pollen
The green birds tear my dreams
I leave with a glance
A wide glance in which the world is recreated
Beautiful from the beginning to the dimensions of the heart!

 

 Vertaald door Edmund Keeley en Philip Sherrard

 elytis

 Odysseas Elytis (2 november 1911 – 18 maart 1996)

 

De Oostenrijkse schrijver Leo Perutz werd geboren op 2 november 1882 in Praag. Zie ook mijn blog van 2 november 2006   en ook mijn blog van 2 november 2008 en ook mijn blog van 2 november 2009.

Uit: Wohin rollst du, Äpfelchen . . .

„Die unerwartete Kontrolle in der großen Lazaretthalle des Bahnhofes war das letzte aufregende Ereignis gewesen. Von Moskau an verlief die Reise ohne irgendeinen Zwischenfall. Als Kohout die abgerissenen Spielkarten aus der Tasche zog und mit der Bemerkung, man sei ihm Revanche schuldig, eine Partie Einundzwanzig vorschlug, waren alle dabei, auch Feuerstein, der auf dem Bahnhofe während der Verlesung der Namen einen Ohnmachtsanfall erlitten hatte.

In Tula stieg Dr. Emperger, der die Reisekasse führte, aus und kaufte Brot, Eier und heißes Teewasser, sogar zwei Tafeln Schokolade trieb er auf. Als er zurückkam, sagte er, nun habe er von Rußland Abschied genommen, endgültig und für alle Zeiten, zum letzten Male in diesem Leben habe

er russische Erde betreten. Denn er befände sich jetzt eigentlich schon auf neutralem Boden, den Sanitätszug könne er nicht als zu Rußland gehörig betrachten.

Vittorins Miene verfinsterte sich. – So, also Dr. Emperger wollte auf keinen Fall mehr nach Rußland zurück? Und wenn die Wahl auf ihn fiel, was dann? Lag hinter seinen Worten irgendeine Absicht verborgen? Wollte er am Ende vorbauen, auf geschickte und unauffällige Art andeuten, daß er sich an das Übereinkommen nicht gebunden fühle? Er blickte von den Karten auf. Doch er fand in Doktor Empergers Gesicht mit den hervortretenden, völlig ausdruckslosen Augen nichts, was seinen Argwohn bestätigen konnte.

Unmöglich! Sie hatten alle fünf feierlich ihr Ehrenwort verpfändet. Ich schwöre als Offizier und Mann von Ehre – das war die Formel gewesen. Es gab kein Zurück mehr. Vielleicht war sich Doktor Emperger der Tragweite seiner Bemerkung gar nicht bewußt, vielleicht hatte er einfach ohne jede Überlegung gesprochen. In diesem Falle war ein Verweis, der ja im freundschaftlichen Ton gehalten sein konnte, durchaus am Platz.“

perutz

Leo Perutz (2 november 1882 – 25 augustus 1957)

 

De Nederlandse dichter en vertaler Kees van den Heuvel werd geboren op 2 november 1960 in Mill. Zie ook mijn blog van 2 november 2009 en mijn blog van 10 februari 2010.

Restaurant

I
Ontstemd gegrom aan tafel 30
De bruinebonensoep smaakt erwtig

I
Ontsteltenis aan tafel 40
De Haagse bluf is veel te Weertig

I
Een luid protest aan tafel 80
Men vindt er de rivierkreeft grachtig

I
Het is weer stil aan tafel 100
Die zeikerds zijn eruit gedonderd


Cont. adv.

Verl m zkt vr v 30, l
Betrouwb, ac, optim
Rom, energ, spont, charm

Volw, sxy, kwetsb, hum
Doort, openh, eleg
Erot, avontrl, cult

Act, veelz, eigenw, gal
Vasth, evenw, sens
Zelfst, levensl, wrm, sport

Ikz bn 32, fijnbesn
Integ, sl, mt wng al tevr

vandenheuvel

Kees van den Heuvel (2 november 1960 – 11 januari 2010)

De Albanese dichter en schrijver Bilal Xhaferri werd geboren op 2 november 1935 in Ninat bij Konispol. Zie ook mijn blog van 2 november 2008 en ook mijn blog van 2 november 2009.

Cham Ballad

In the distance fades a rainbow
Over the tips of the pyres,
A tearful word of farewell
In the pouring rain.
In the distance fades Chameria, our homeland in flames
And all of the roads take us northwards.
Over ancient Epirotic lands moans a Mediterranean wind,
Over the precious fields of our ancestors,
Lightning now feeds on the abandoned pastures,
Olive groves, unharvested, groan like the waves beating against the coast,
And on all sides, Cham land,
Enveloped in clouds,
Gasps and drowns in blood and tears,
Forsaken
And forlorn.
The bullets slicing through the darkness show us the way,
Flames that have devoured the soil, light up our path,
Behind us the storm lashes at the creaking doors of one-time homes.
And the road stretches northwards, northwards forever.
A folk now in exile, we wander in the downpour,
Farewell Chameria!

Bust of a Slain Cham Boy

I will appear before you on a misty night,
A looming silhouette of affliction and scorn.
The wind and the stars will tell you nothing of me,
Nor will the bronze glow of my silhouette.
Only my wounds will bear witness,
Only my death will declaim.

 

Vertaald door Robert Elsie

 hxaferri

Bilal Xhaferri (2 november 1935 – 14 oktober 1986)

De Amerikaanse schrijver en criticus Thomas Mallon werd geboren op 2 november 1951 in Glen Cove, New York. Zie ook mijn blog van 2 november 2008 en ook mijn blog van 2 november 2009.

Uit: Bandbox

“Cuddles Houlihan got clipped by the vodka bottle as it exited the pneumatic tube.

“Goddammit!”

The cry of pain that filled the office came not from Cuddles, whose head still lay asleep on his desk, but from the tube. Its ultimate source was the office of Joe Harris, the editor-in-chief. At this late, sozzled hour, Harris had mistakenly fed the interoffice mail chute not the translucent canister containing his angry communication to Cuddles, but the still-half-full, six-dollar quart of hooch he was regularly supplied with by the countess in the fact-checking department.

Harris glowered for several seconds at the undispatched canister, before giving in to the impulse to open it up and look once more at what had enraged him in the first place: a photograph of Leopold and Loeb, smiling, each with an arm around the other, perched on the edge of an upper bunk in the Joliet State Prison, both of them avidly regarding the latest issue of Bandbox. The thrill killers held it open with their free hands, like a box of candy they were sharing on a back-porch swing.

Would make a great ad, said the inked message on the back of the photograph, whose bold penmanship Harris recognized as belonging to Jimmy Gordon, up until eight months ago his best senior editor here at Bandbox. “I think of you as a bastard son,” he’d once told Jimmy in a burst of bibulous sentiment. Now, as editor-in-chief of Cutaway, the younger man was his head-to-head, hand-to-throat, competition. If Harris didn’t think of something, this picture of those two murderous fairies reading Bandbox-the magazine that had made goddamn Jimmy Gordon, and remade Jehoshaphat Harris-would be plastered to the side of every double-decker bus crawling up Fifth Avenue.”

 mallon

 Thomas Mallon (Glen Cove, 2 november 1951)

 

De Nederlandse dichteres Augusta Guerdina Peaux werd geboren in Simonshaven op 2 november 1859. Zie ook mijn blog van 2 november 2008 en ook mijn blog van 2 november 2009. 

Eenzaam kerkhof

De witte grassen bewegen en komen
Heen en weder door wind en dauw,
De takken wiegen hun stille dromen
Op donkere armen in sluiers van rouw,
Het sleepkleed der treurende esschenbomen
Raakt bloeiende grassen in avonddauw.
Hoog groeien de grassen, wind die ze zaaide,
Wind die ze verwaaide, zij bloeien uit,
Geen hand die ze plukte, geen zeis die ze maaide,
De witte wassen bewegen en komen
Heen en weder door wind en dauw,
Op de hekspijlen buigen de boomen
Hun donkere hoofden in krip van rouw.
Hun hangende sluiers beroeren de klachten
Der witte rozen en het schemerrood
Der oude daken, vele wolkengeslachten
Gaan het hek over, de bloemen en den dood.
Woest liggen de graven, de grendelen der aarde
Sluiten de dooden van ’t leven af,
Zij zinken al dieper, een weelderige gaarde
Bloeit, hoog als de hemel, boven hun graf.
En de wagenmenner, in ’t beeld van de sterren,
Ziet ernstig peinzend omlaag.
Ver ligt al de aarde, een stip, zoo verre
En zijn paarden gaan zoo traag.
Langs andere werelden siert hij zijn wagen
En waar geen werelden meer zijn,
De Steppenvlakte door van een eindeloos, vage,
Onbekende hemelwoestijn.

 

Koud landschap

Een late najaarsdag, sneeuw in de lucht,
belofte van veel sneeuw. Een lage wei
waar ’t water blank om korte wilgen stond
tot aan de zwarte koppen. Vlokken vlogen
neer, neer, al sneller langs de naakte twijgen
en tegen ’t witte water, wit en weg.
Zo, wit en weg, zo, schuinsaf door de takken
weinige, ruige vlokken op de vlucht,
als vagebonden in een winters bos
’t spoor bijster.

 peaux

Augusta Peaux (2 november 1859 –  23 februari 1944)

 

De Franse schrijver en moralist Jules Amédée Barbey d’Aurevilly werd geboren op 2 november 1808 in Saint-Sauveur-le-Vicomte (Manche). Zie ook mijn blog van 2 november 2008 en ook mijn blog van 2 november 2009.
 

Uit: Le Rideau cramoisi

“Il s’arrêta, baissa la glace qu’il avait devant lui… Était-ce pour mieux voir cette fenêtre dont il me parlait ‘… Le conducteur était allé chercher le charron et ne revenait pas. Les chevaux de relais, en retard, n’étaient pas encore arrivés de la poste. Ceux qui nous avaient traînés, immobiles de fatigue, harassés, non dételés, la tête pendant dans leurs jambes, ne donnaient pas même sur le pavé silencieux le coup de pied de l’impatience, en rêvant de leur écurie. Notre diligence endormie ressemblait à une voiture enchantée, figée par la baguette des fées, à quelque carrefour de clairière, dans la forêt de la Belle-au-Bois dormant. « Le fait est, dis-je, que pour un homme d’imagination, cette fenêtre a de la physionomie. – Je ne sais pas ce qu’elle a pour vous, reprit le vicomte de Brassard, mais je sais ce qu’elle a pour moi. C’est la fenêtre de la chambre qui a été ma première chambre de garnison. J’ai habité là… Diable ! il y a tout à l’heure trente-cinq ans ! derrière ce rideau… qui semble n’avoir pas été changé depuis tant d’années, et que je trouve éclairé, absolument éclairé, comme il l’était quand… » Il s’arrêta encore, réprimant sa pensée ; mais je tenais à la faire sortir. « Quand vous étudiiez votre tactique, capitaine, dans vos premières veilles de sous-lieutenant ‘ – Vous me faites beaucoup trop d’honneur, répondit-il. J’étais, il est vrai, sous-lieutenant dans ce moment-là, mais les nuits que je passais alors, je ne les passais pas sur ma tactique, et si j’avais ma lampe allumée à ces heures indues, comme disent les gens rangés, ce n’était pas pour lire le maréchal de Saxe. – Mais, fis-je, prestement comme un coup de raquette, c’était, peut-être, tout de même, pour l’imiter ‘ » Il me renvoya mon volant. « Oh !”

 Barbey d'Aurevilly

Jules Barbey d’Aurevilly (2 november 1808 – 23 april 1889)
Buste door Auguste Rodin in Saint-Sauveur-le-Vicomte

De Russische dichter, schrijver en Christelijk mysticus Daniil Leonidovich Andreyev werd geboren op 2 november 1906 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 2 november 2008 en ook mijn blog van 2 november 2009.
Uit: The Rose of the World

“THIS BOOK WAS BEGUN at a time when the threat of an unparalleled disaster hung over the heads of humanity—when a generation only just recuperating from the trauma of the Second World War discovered to its horror that a strange darkness, the portent of a war even more catastrophic and devastating than the last, was already gathering and thickening on the horizon. I began this book in the darkest years of a dictatorship that tyrannized two hundred million people. I began writing it in a prison designated as a “political isolation ward.” I wrote it in secret. I hid the manuscript, and the forces of good—humans and otherwise—concealed it for me during searches. Yet every day I expected the manuscript to be confiscated and destroyed, just as my previous work—work to which I had given ten years of my life and for which I had been consigned to the political isolation ward—had been destroyed.
I am finishing The Rose of the World a few years later. The threat of a third world war no longer looms like dark clouds on the horizon, but, having fanned out over our heads and blocked the sun, it has quickly dispersed in all directions back beyond the horizon.
Perhaps the worst will never come to pass. Every heart nurses such a hope, and without it life would be unbearable. Some try to bolster it with logical arguments and active protest. Some succeed in convincing themselves that the danger is exaggerated. Others try not to think about it at all and, having decided once and for all that what happens, happens, immerse themselves in the daily affairs of their own little worlds. There are also people in whose hearts hope smoulders like a dying fire, and who go on living, moving, and working merely out of inertia.
I am completing The Rose of the World out of prison, in a park turned golden with autumn. The one under whose yoke the country was driven to near exhaustion has long been reaping in other worlds what he sowed in this one. Yet I am still hiding the last pages of the manuscript as I hid the first ones. I dare not acquaint a single living soul with its contents, for, just as before, I cannot be certain that this book will not be destroyed, that the spiritual knowledge it contains will be transmitted to someone, anyone.“

andreyev

Daniil Andreyev (2 november 1906 – 30 maart 1959)

Constantijn Huygens-prijs 2010 voor A.L. Snijders

 

Constantijn Huygens-prijs 2010 voor A.L. Snijders

 

Aan de Nederlandse schrijver A.L. Snijders is de Constantijn Huygens-prijs 2010 toegekend voor zijn hele oeuvre.  Aan de prijs is een geldbedrag van 10.000 euro verbonden.  A.L. verwierf bekendheid met de verschijning van het boek Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk uit 2006, een bundeling zogenaamde zkv’s (Zeer Korte Verhalen). Zie ook mijn blog van 20 november 2009.

 

 

Nulla Dies

 

De oude man loopt met zijn hond aan de rand van het bos. In de verte ligt zijn huis. Hij ziet het. Er komt met zwier een diepliggende auto aanrijden. Jeugd. De oude man heeft zijn verzet opgegeven. Hij herkent de parafernalia van de jeugd als vanzelf. Als hij het huis binnengaat, ziet hij ze staan, ze vullen de kamer als bomen, vier Thebaanse krijgers uit Amsterdam, ongeveer twee meter lang, gegroeid uit drakentanden. Het zijn vier beeldmakers, losse kunstenaars. De oude man zegt dat ze niet moeten vertrouwen op hun talent, ze moeten stug werken, iedere dag, ondanks regen en wind, nulla dies sine linea. Wat zegt u meneer? Waarom zouden de jonge soldaten weten wat de oude man weet? De lijfspreuk van Duitse houtsnijders, middeleeuwen. Geen dag zonder lijn. Na de koffie en de koekjes stopt de laagliggende auto nog even voor het raam, portieren op een kier. Gelach. Nulla dies sine linea, meneer? Mooie spreuk voor onze cokedealer!

 

 


A.L. Snijders (Amsterdam, 1937)